Dhr. G.A.J. van Nunen
Gemeente Culemborg > Burgerslachtoffers
Achternaam: Nunen
Tussenvoegsels: van
Voornamen: Gerrit Adrianus Johannes
Voorletters: G.A.J.
Beroep: Timmerman
Geboorteplaats: Culemborg
Geboortedatum: 31-07-1912
Overlijdensplaats: Nordhausen, Stadtkreis Nordhausen
Overlijdensdatum: 04-04-1945
Begraafplaats: Ehrenfriedhof te Nordhausen
Gemeente: Nordhausen
Provincie:Thüringen
Land: B.R.D.
Gedenkboek: 37
Op de foto hiernaast het monument op de plaats waar de Boelcke-kazerne in Nordhausen heeft gestaan.
Gerrit van Nunen – dwangarbeider en oorlogsslachtoffer
Gerrit Adrianus Johannes van Nunen werd geboren in Culemborg en was een zoon van Gerrit van Nunen (1871-1937) en Johanna Molders (1874-1941). Zijn ouders trouwden in Culemborg in 1894. Het gezin woonde in de Spoorstraat.
Gerrits vader was aanvankelijk stoelenmaker. Later ging hij als stationsarbeider werken bij de spoorwegen en werkte hij zich uiteindelijk op tot stationschef in Culemborg. Gerrit en Johanna kregen veertien kinderen. Een aantal van hen overleed al op jonge leeftijd:
- Govert Adrianus van Nunen (1895)
- Adriana (1897-1897)
- Francina (1899-1901)
- Gerarda (1906-1942)
- Gerrit Adrianus Johannes (1912-1945)
- de tweeling Martinus Marius en Martinus Adrianus (1916-1916)
Daarnaast waren er Maria ‘Marie’, gehuwd met Dirk Philippi;
Jacoba ‘Coba’, gehuwd met Rinus Versteeg;
Adriana ‘Sjaan’, gehuwd met Peter van de Hurk;
Josina ‘Sien’, gehuwd met Janus Bronk; Johanna ‘Jo’, gehuwd met Pieter Martens;
Gerarda ‘Grada’, gehuwd met Marinus van de Graaf
Hendrika ‘Riek’, gehuwd met Willie Schoots.
Adriana ‘Sjaan’, gehuwd met Peter van de Hurk;
Josina ‘Sien’, gehuwd met Janus Bronk; Johanna ‘Jo’, gehuwd met Pieter Martens;
Gerarda ‘Grada’, gehuwd met Marinus van de Graaf
Hendrika ‘Riek’, gehuwd met Willie Schoots.
Onderduik en dwangarbeid
Gerrit was timmerman en ongehuwd. Kort voor het uitbreken van de oorlog overleden zijn vader en moeder, kort na elkaar. Toen in 1942 steeds meer Nederlandse mannen voor de Duitse oorlogsindustrie werden opgeroepen, wilde Gerrit niet in Duitsland gaan werken. Hij besloot daarom onder te duiken. Zijn onderduik hield echter niet lang stand. Gerrit werd door de Sicherheitsdienst (SD) opgepakt en kwam via kamp Amersfoort uiteindelijk in Duitsland terecht. Daar werd hij samen met tientallen andere Nederlandse mannen als dwangarbeider ingezet. Zijn eerste bestemming was Köln-Nippes, waar hij als timmerman werd tewerkgesteld. Bijna twee jaar lang werkte hij daar aan het herstellen van door bombardementen beschadigde en verwoeste huizen in het centrum van Keulen.
In maart 1944 werd Gerrit per overvolle goederenwagon overgebracht naar Bernburg, ten zuiden van Magdeburg. Daar werd hij ingezet bij het opknappen van montagehallen van de Junkers Flugzeugwerke.
Nordhausen en Mittelbau-Dora
Dragt beschrijft hoe zij verbleven in blok 1, vlak bij de ingang van het terrein. Er waren twaalf blokken met ieder ongeveer driehonderd mannen. Zij werkten voor de Nordwerke A.G., de fabriek van Junkers, die grotendeels in de bergen was uitgehouwen. In de enorme ondergrondse gangen stonden machines voor metaalbewerking.
Nordhausen en Mittelbau-Dora
In september 1944 kwam Gerrit terecht in de omgeving van Nordhausen, in de zuidelijke Harz. Hij werd ondergebracht in de Boelcke-Kaserne, waar Nederlandse dwangarbeiders verbleven die voor de Duitse vliegtuigindustrie moesten werken.
Gerrit schreef vanuit Nordhausen verschillende briefkaarten en brieven aan zijn zus in Utrecht. Uit deze correspondentie blijkt dat hij de ontwikkelingen aan het front nauwlettend volgde. Zo wist hij al van de bevrijding van Maastricht door de Amerikanen. Ondanks de moeilijke omstandigheden bleef hij hopen op een terugkeer naar huis. In een van zijn brieven schreef hij over zijn wens om ‘springlevend mijn familie met Kerstmis 1944 weer te ontmoeten’.
Van Gerrits barakgenoot Lukas Dragt is een verslag bewaard gebleven. Daardoor zijn de omstandigheden waaronder Gerrit de laatste maanden van zijn leven doorbracht, goed te reconstrueren.
Gerrit (links) met zijn kameraden in Nordhausen
Dragt beschrijft hoe zij verbleven in blok 1, vlak bij de ingang van het terrein. Er waren twaalf blokken met ieder ongeveer driehonderd mannen. Zij werkten voor de Nordwerke A.G., de fabriek van Junkers, die grotendeels in de bergen was uitgehouwen. In de enorme ondergrondse gangen stonden machines voor metaalbewerking.
De dwangarbeiders werkten ongeveer 72 uur per week. Zij moesten onder meer houten vloeren aanbrengen op ijzeren stellages, die als opslagruimte werden gebruikt. In andere gangen van het complex werden door gevangenen van het concentratiekamp Mittelbau-Dora onder uiterst zware omstandigheden onderdelen voor de Duitse V-wapens geproduceerd.
Van Gerrits barakgenoot Lukas Dragt is een verslag over deze periode bewaard gebleven en mede daardoor zijn de laatste maanden van Gerrits leven nog goed te reconstrueren:
“We verblijven in blok 1 vlakbij de ingang van het terrein. Er zijn 12 van die blokken met elk zo’n 300 mannen. De Nordwerke A.G. (fabriek van de vliegtuigbouwer Junkers) waar we moeten werken is geheel in de bergen uitgehouwen en er worden steeds nieuwe gangen bijgemaakt van 150 meter lang, 10 meter breed en 8 meter hoog. Deze zgn. Stollen staan propvol met machines voor metaalbewerking. Wij mogen er in 20 komen, maar in die 70 andere gangen niet. Daar worden door de kampgevangenen van het concentratiekamp onder verschrikkelijke omstandigheden de beruchte V1’s en V2’s gemaakt. Er werken duizenden mensen en er is bijna geen volk uit Europa wat niet vertegenwoordigd is. Er zijn zelfs nog Marokkanen bij. We werken 72 uur per week en moeten in de gangen op ijzeren stellages houten vloeren maken, die als opslagplaats dienstdoen. Elke zondagmorgen is er een appél, de ene keer voor controle van je schoenen en dan weer van onze boven- of onderkleding”.
Tot eind januari 1945 is het eten nog tamelijk goed en krijgen we zelfs ‘s zondags nog pudding toe, maar daarna wordt het snel minder en krijgen we met recht warm water met een enkele koolraap erdoor te eten, terwijl het rantsoen brood ook nog minder wordt. We scharrelen op allerlei manieren er nog wat bij. We ruilen sigaretten voor brood en bij de boeren in de omtrek krijgen we zo nu en dan wat aardappelen."
De laatste dagen
"Tot 3 april 1945 werken we op de fabriek. Om vijf uur ’s middags is het tijd om te vertrekken, maar we mogen de fabriek niet verlaten, omdat er luchtalarm is. Even later vertelt men dat er in de stad Nordhausen bommen zijn gevallen en dat de spoorlijn kapot is, zodat we in de stromende regen naar onze kazerne moeten lopen. Hier zijn ook veel bommen gevallen en alle ruiten liggen eruit en geen deur kan meer dicht.
Na ons avondeten, een liter dunne koolsoep, fluit men dat de bergingsploeg moet aantreden. Deze bestaat uit dertig man, met ons erbij. We moeten naar een huis in het door bommen getroffen centrum van Nordhausen. Daar is een bom op het trottoir gevallen en door de geweldige druk is de keldervloer vrijwel tegen de begane grondvloer aangedrukt. Hiertussen zitten nog mensen bekneld. We werken daar van 's avonds 21.00 uur tot 's morgens 7.00 uur, maar vanwege het luchtalarm moeten we ‘s nachts nog een paar keer het werk onderbreken. We bergen vijf doden en één vrouw kunnen we nog levend uitgraven. Om zeven uur lost een andere ploeg ons af en we denken eindelijk te kunnen slapen, maar de kampleiding beslist anders. Ons onderkomen is onbewoonbaar en we moeten alles inpakken voor vertrek naar het nabijgelegen Halberstadt.
Terwijl wij druk aan het koffers pakken zijn, roept iemand ineens "Brood halen!". Tegelijkertijd klinkt er weer luchtalarm en wij stoppen gauw het brood in de tas en maken ons zo snel mogelijk uit de voeten. We zijn net aan de rand van de stad of daar zien we de eerste Amerikaanse vliegtuigen al. Het voorste vliegtuig laat honderden rode lichtkogels vallen en dat blijkt het sein voor de aanval, want de hel barst los. We laten ons plat in een greppel in het bouwland vallen en vervolgens vallen de bommen een half uur lang achter elkaar in de stad. We worden helemaal van de grond opgelicht en met kluiten modder overdekt. Tijdens dit bombardement durven we ook niet op te kijken met het oog op de scherven, maar nadat het voorbij is, zien we de stad rondom gehuld in zwarte rookwolken en is er weinig meer dan een ruïne van over. Overal in de straten zijn grote bomtrechters en ligt puin en balken. Deze keer is onze kazerne ook totaal vernield. Op onze kamer is alles door elkaar gegooid en het plafond van gewapend beton hangt nog met enkele staven halverwege de vloer. Onze slaapplaats staat vlakbij het raam en daardoorheen kunnen we nog precies onze koffers pakken, zodat we tenminste onze kleren nog kunnen redden.
Enkele van onze jongens krijgen daarna de opdracht een wagen vol te laden met brood e.d. dat in een kelder ligt opgeslagen. Plotseling ontploft er echter een blindganger aan het andere einde van de kelder en komen onze maten Gerrit van Nunen uit Culemborg, Waterman uit Amsterdam en Tom Westerdaal uit Utrecht om het leven. Verschillende jongens hebben brandwonden in het gezicht en van sommigen is het haar van het hoofd gebrand. Een zestal blijft met zware verwondingen in het nabijgelegen dorpje Bielen achter.”
Na afloop was de stad veranderd in een enorme puinhoop en bleek ook de Boelcke-Kaserne vrijwel volledig verwoest.
De bevrijding
De gebeurtenissen rond Gerrits dood vonden plaats in de laatste dagen van de oorlog. Nordhausen was zwaar getroffen door de Amerikaanse bombardementen. Een groot deel van de stad werd verwoest en duizenden inwoners kwamen om het leven.
Op 11 april 1945 bereikten Amerikaanse troepen Nordhausen. In en rond de Boelcke-Kaserne troffen zij de lichamen aan van grote aantallen slachtoffers van het concentratiekamp Mittelbau-Dora.
De overlevende Nederlandse dwangarbeiders waren op dat moment al onderweg. Zij werden door hun Duitse bewakers verder richting het westen gevoerd, terwijl de Amerikaanse legers steeds dichterbij kwamen. De groep raakte uiteindelijk verspreid.
Lukas Dragt wist zich samen met een kameraad van de groep los te maken. Na een wekenlange en moeilijke tocht door het verwoeste Duitsland bereikte hij uiteindelijk, halverwege mei 1945, zijn woonplaats Zwartsluis.
Gerrit van Nunen zou zijn familie echter nooit meer terugzien.


Herinnering
Gerrit van Nunen ligt begraven op het Ehrenfriedhof te Nordhausen. Zijn naam is opgenomen in Gedenkboek 37.
Ook zijn de herinneringen aan Gerrit bewaard gebleven in de brieven die hij vanuit Duitsland naar zijn familie stuurde en in het verslag van zijn barakgenoot Lukas Dragt. Daardoor kunnen we niet alleen vaststellen waar Gerrit tijdens de oorlog heeft gewerkt, maar krijgen we ook een beeld van de omstandigheden waaronder hij zijn laatste maanden en dagen heeft doorgebracht.
Een na de oorlog gemaakte herinnering aan Gerrit en zijn lotgenoten is het bidprentje. Op dit bidprentje staat overigens een onjuist geboortejaar vermeld.




Ook de familie van Gerrit en de andere omgekomen Nederlandse dwangarbeiders ontving kort na de bevrijding van de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging een oorkonde ter herinnering aan hun omgekomen dierbare.
De geschiedenis van Gerrit van Nunen laat zien hoe de Duitse arbeidsinzet Nederlandse mannen tot ver van huis bracht en hoe zij uiteindelijk ook slachtoffer konden worden van de geallieerde bombardementen op de Duitse oorlogsindustrie en steden.
Met dank aan: Roelie Loois (dochter van Lukas Dragt) en www.stichtingwo2sporen.eu