Adriaan Maljers
Gemeente Buren > Verzet in regio Buren
De crossing van Amerongen naar de geallieerde linies
Een levensgevaarlijke tocht door de Betuwe – januari 1945
Na de mislukte Slag om Arnhem bleven honderden geallieerde militairen achter in het door de Duitsers bezette gebied. Sommigen waren gewond, anderen waren ondergedoken bij Nederlandse gezinnen. Voor hen bestond maar één doel: de geallieerde linies bereiken.
In de maanden na Arnhem ontstonden verschillende ontsnappingsroutes. Ook in het gebied tussen de Neder-Rijn en de Waal probeerde het Nederlandse verzet geallieerde militairen naar de overkant van de frontlijn te brengen. Dat was bijzonder riskant. De Duitsers waren op de hoogte geraakt van verschillende vluchtlijnen en hadden hun bewaking aangescherpt. In het najaar van 1944 was onder meer de grote ontsnappingspoging Pegasus III mislukt.
Een van de groepen die uiteindelijk vanuit Amerongen een poging waagde, bestond uit Canadese militairen van het 1st Battalion, Canadian Scottish Regiment, aangevuld met Britse parachutisten en andere geallieerden.
Van het slagveld naar de onderduik
Een aantal van de Canadese militairen was eerder ontsnapt uit een trein waarmee zij vanuit Utrecht naar Duitsland zouden worden afgevoerd. Onder hen bevond zich Captain Vilhelm Roger Schjelderup. Na zijn ontsnapping bereikte hij op 25 oktober 1944 de omgeving van Groenekan. Daar werd hij opgevangen door de politieman Hermannus Rakers.
Rakers nam grote risico's. Hij zorgde voor voedsel, burgerkleding en onderdak en liet bovendien een arts komen toen bleek dat Schjelderup ernstig ziek was. Schjelderup kreeg zelfs speciale voeding, waaronder eieren, geconserveerd fruit en vlees. Zijn toestand was zo slecht dat men aanvankelijk niet dacht dat hij zou overleven.
Rakers hielp niet alleen Schjelderup. Hij zorgde ervoor dat ook andere uit de trein ontsnapte Canadezen een veilige verblijfplaats kregen. Uiteindelijk zouden meerdere van hen in zijn omgeving worden samengebracht.
Naar Amerongen
Op 23 december 1944 werden verschillende van de ontsnapte Canadezen bij elkaar gebracht. Ze kregen fietsen en vertrokken, begeleid door Nederlandse gidsen, richting Amerongen. De afstand vanaf Groenekan bedroeg ongeveer dertig kilometer.
De groep werd onderweg verdeeld in kleine groepjes om minder op te vallen. Uiteindelijk kwamen zij in Amerongen aan, waar zij bij verschillende adressen werden ondergebracht. Schjelderup en sergeant Bob Porter werden verborgen bij Chris Cornelisse, die al eerder jonge Nederlanders, geallieerde vliegers en Britse parachutisten had geholpen.
Ook andere militairen bereikten Amerongen. In het rapport van Schjelderup wordt vermeld dat uiteindelijk elf geallieerde militairen daar bijeenkwamen in afwachting van de oversteek. Onder hen bevonden zich onder meer Schjelderup, C.S.M. Wilfred Berry, Sergeant Armando Gri, Sergeant Bob Porter, Private Harvey Swartz, Private Marcel Brierre en Private Louis Trainor. Daarnaast waren er Britse parachutisten onder wie Captain Charles Bruce Noble, Sergeant Keith Banwell, Private Thomas Murphy en Private James Hardy.
Kerst in bezet Nederland
De kerstdagen brachten de mannen in Amerongen door. Van een feestelijke kerst was uiteraard geen sprake. Nederland verkeerde in een steeds slechtere voedselsituatie en de Duitsers waren voortdurend op zoek naar ondergedoken geallieerden.
Bob Porter herinnerde zich later vooral de jaarwisseling. Op oudejaarsavond bleven de mannen tot middernacht wakker. Boven hen vlogen V1's in de richting van Engeland. Toen het twaalf uur was, wensten ze elkaar een gelukkig nieuwjaar, terwijl ze wisten dat hun eigen bevrijding nog moest beginnen.

Schematische reconstructie van de crossing van 2 januari 1945, gebaseerd op de Escape & Evasion Reports van Capt. V.R. Schjelderup, Capt. C.B. Noble en Pte. J. Hardy.
De kaart is niet op schaal.2 januari 1945 – de tocht begint
Op 2 januari 1945 kwam eindelijk het bericht dat de groep moest vertrekken. De mannen verlieten Amerongen en trokken in de richting van de Neder-Rijn. Een deel van de groep stak de Rijn bij Amerongen met een veerpont over. Schjelderup beschrijft dat hij samen met Cornelisse en een Nederlandse begeleider per fiets naar de veerplaats reed. De overtocht verliep zonder problemen.
Aan de zuidzijde van de rivier verzamelden de vluchtelingen zich bij een verlaten steenfabriek. Daar werd de groep verder samengesteld. Schjelderup noteerde later dat er elf geallieerde militairen en drie Nederlandse gidsen waren. Een andere bron spreekt over een grotere groep; kennelijk verschilde de samenstelling tijdens de tocht.
Vanaf de steenfabriek begon het gevaarlijkste deel van de tocht.
De afgesproken ontmoeting met de Britten
Het plan was dat de vluchtelingen via de Duitse stellingen naar de geallieerde linies zouden trekken. Bij een afgesproken punt zou een Britse patrouille hen opwachten en verder begeleiden. Maar de patrouille verscheen niet. Dat was een rampzalige ontwikkeling. De vluchtelingen hadden geen zekerheid meer over de juiste route en besloten uiteindelijk zelfstandig verder te gaan. Volgens de latere beschrijving van de gebeurtenissen trokken zij omstreeks elf uur 's avonds verder en kwamen zij een Duitse patrouille tegen. De groep wist deze te ontwijken, maar raakte daarbij zijn Nederlandse gidsen kwijt.
Vanaf dat moment moesten de mannen zelf hun weg zoeken.
Verdwaald tussen de Duitse stellingen
Het landschap maakte de tocht bijzonder moeilijk. Het was winter en grote delen van het gebied stonden onder water. Door de vorst waren sloten, plassen en ondergelopen weilanden gedeeltelijk dichtgevroren. Voor de vluchtelingen was het ijs tegelijkertijd een mogelijkheid en een gevaar.
Na het verlies van de gidsen probeerden de mannen zuidwaarts te trekken om de Waal te bereiken. Ze liepen echter tegen Duitse posities aan. Op verschillende plaatsen werd vanuit Duitse stellingen met automatische wapens geschoten. De groep viel uiteen.
C.S.M. Wilfred Berry werd aan zijn linkerelleboog gewond. Hij en Bob Porter wisten een oude schuur te bereiken, maar moesten zich later overgeven. Captain Noble, Sergeant Banwell en Private Murphy raakten eveneens van de hoofdgroep gescheiden. Ook de Nederlandse gidsen waren inmiddels verdwenen. Van de oorspronkelijke groep bleven uiteindelijk Schjelderup, Gri en de Britse parachutist James Hardy bij elkaar.
Drie mannen alleen
De drie mannen zaten enkele uren verborgen voordat zij besloten verder te gaan. Ze probeerden een Duitse positie te passeren en kwamen daarbij op het ijs terecht. Het ijs bleek echter verraderlijk dun. De mannen zakten erdoor en kwamen in het ijskoude water terecht. Sergeant Gri probeerde met zijn handen een weg door het dunne ijs te maken. Uiteindelijk bereikten zij een klein eilandje, waar zij een vervallen aardappelschuur vonden. Daar brachten ze de nacht door.
Op korte afstand bevonden zich Duitse posten. De drie mannen konden nauwelijks bewegen en durfden geen vuur te maken. Hun adem bevroor in de koude lucht. Ze wisten dat ieder geluid of iedere beweging hun aanwezigheid kon verraden.
Opnieuw over het ijs
Op 4 januari waagden Schjelderup, Gri en Hardy opnieuw een poging.
Om zich gemakkelijker over het ijs te kunnen bewegen, trokken ze hun schoenen en sokken uit. Voorzichtig kropen ze over het ijs en bereikten uiteindelijk de dijk aan de andere kant. Maar ook nu zakten ze opnieuw door het ijs. Een van de paren laarzen ging verloren. Omdat de voeten van Schjelderup er het slechtst aan toe waren, gaf Gri zijn eigen laarzen aan zijn commandant. Daarna wachtte de drie mannen nog een nieuwe hindernis: ongeveer 600 meter overstroomd terrein, dat slechts gedeeltelijk was dichtgevroren.
Gri's voeten raakten tijdens de tocht ernstig gewond door het ijs. Uiteindelijk bereikten ze een verlaten huis. Hun kleding was doorweekt en inmiddels stijf bevroren. Binnen vonden ze een kachel en durfden ze eindelijk vuur te maken. Na meer dan 48 uur zonder voedsel vonden ze in de keuken enkele oude gedroogde bonen. Daar maakten ze een eenvoudige pap van. Voor drie uitgeputte mannen was deze onsmakelijke maaltijd een feestmaal.
Die nacht probeerden ze aan de hand van lichtflitsen van het geschut vast te stellen waar de geallieerde linies lagen.
Door het niemandsland
Op 5 januari gingen ze opnieuw op weg. Schjelderup liep voorop, gevolgd door Gri en Hardy. Ze bewogen zich voorzichtig van boom naar boom en onderzochten ieder huis voordat ze het passeerden. Uiteindelijk vonden ze een gebouw waarin blikken Amerikaans voedsel lagen. Ze vonden onder meer American M & V, bevroren appels en Nederlandse tabak.
De drie mannen zagen er inmiddels nauwelijks nog uit als militairen. Ze droegen vuile en gescheurde burgerkleding. Schjelderup liep mank en droeg een emmer met voedsel en een bijl. Gri liep op vrijwel blote, gewonde voeten. Hardy hield achter hen de omgeving in de gaten. Ze hadden echter geen idee dat ze inmiddels heel dicht bij de Britse linies waren.
"Tommies!"
Om ongeveer half vijf in de middag zagen twee Britse militairen de merkwaardige groep naderen. Zij lagen verscholen in een stelling en hielden de drie mannen nauwlettend in de gaten. Schjelderup en Gri mochten aanvankelijk doorlopen. Hardy werd echter plotseling scherp aangehouden. Hij begreep eerst niet wat er gebeurde. Toen drong tot hem door dat hij eindelijk bij de Britse linies was aangekomen. Hij riep: "Tommies!"
Daarna werden ook Schjelderup en Gri aangehouden. De drie werden naar het hoofdkwartier van het 41st Reconnaissance Squadron gebracht. Daar konden zij hun identiteit aantonen. Ze kregen thee met rum en werden vervolgens naar brigade- en divisiehoofdkwartieren gebracht voor ondervraging.
Pas toen de spanning van de afgelopen dagen wegviel, bleek hoe slecht hun lichamelijke toestand was. Diezelfde avond werden de drie opgenomen in het 17 Field Dressing Station bij Nijmegen. Vooral Schjelderup was er ernstig aan toe. Hij had na zijn eerdere ziekte nauwelijks kracht teruggekregen en de bittere kou van de ontsnapping had zijn toestand verder verslechterd.
Niet iedereen bereikte de vrijheid
De crossing eindigde echter niet voor iedereen met succes. Captain Charles Bruce Noble werd tijdens de poging gevangen genomen. In zijn naoorlogse verslag beschrijft hij hoe de groep door Duits mitrailleurvuur uiteen werd geslagen. Hij wist nog enige tijd te vluchten, maar werd uiteindelijk door de Duitsers omsingeld en moest zich overgeven.
Noble werd vervolgens via het Duitse hoofdkwartier naar Velp gebracht. Daarna volgden weken van gevangenschap en ondervraging, onder andere in Utrecht en Doetinchem. Hij beschreef later dat hij tijdens zijn gevangenschap zeer weinig voedsel kreeg.
Zijn verslag is bovendien belangrijk omdat hij na de oorlog zelf de namen bevestigde van de drie mannen die volgens hem de Britse linies hadden bereikt: Captain Schjelderup, Sergeant Gri en Private Hardy. Ook bevestigde hij de identiteit van de gewonde Canadese C.S.M. Berry.
Een crossing die veel meer was dan één nacht
De tocht van Amerongen naar de geallieerde linies was daarmee geen eenvoudige oversteek van de frontlijn. Voor sommige mannen was de tocht het eindpunt van een maandenlange zwerftocht door bezet Nederland.
Achter de drie mannen die uiteindelijk de Britse linies bereikten, stond een groot netwerk van Nederlandse helpers. Van politieman Hermannus Rakers in Groenekan tot de mensen die de vluchtelingen in Amerongen verborgen hielden, de gidsen die hen op fietsen naar het zuiden brachten en de mensen die voedsel, kleding en onderdak verschaften.
Schjelderup benadrukte na de oorlog dan ook de grote betekenis van de Nederlandse hulp. Zonder deze mensen zouden veel van de geallieerde militairen nooit zo ver zijn gekomen.
De crossing van januari 1945 laat daarmee niet alleen de moed en volharding van de geallieerde vluchtelingen zien, maar ook de enorme risico's die Nederlandse burgers namen om hen te helpen.
Bronnen:
Capt. V.R. Schjelderup, Escape and Evasion Report, 13 januari 1945; Capt. C.B. Noble, Account, 23 september 1945; Pte. James Hardy, Escape and Evasion Report, 13 januari 1945; Robert Fowler, “Profiles of Valour: Roger Schjerlderup”, Canadian Military History, vol. 5, nr. 2 (1996), pp. 99–105; The Pegasus Archive, dossiers V.R. Schjelderup en James Hardy; eigen onderzoek Richard van de Velde, Oorlogsslachtoffers West-Betuwe.