Duitse verdediging West-Betuwe najaar 1944 - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Duitse verdediging West-Betuwe najaar 1944

Gemeente West Betuwe > Gesneuvelde Duitse militairen
De Duitse verdediging van de West-Betuwe in het najaar van 1944

Toen op 17 september 1944 de geallieerden met Operatie Market Garden probeerden via Eindhoven, Nijmegen en Arnhem een snelle doorstoot naar het Ruhrgebied te forceren, veranderde de Betuwe abrupt van bezet achterland in frontgebied. De ambitieuze luchtlandingsoperatie mislukte bij Arnhem, maar het gevolg was dat het front zich stabiliseerde langs de grote rivieren. De streek tussen Waal en Rijn, waaronder Beesd, Geldermalsen, Waardenburg en Rossum, kwam in een gespannen tussenzone te liggen: noordelijk Duitse troepen, zuidelijk Britse en Canadese eenheden.
In deze nieuwe situatie werd de West-Betuwe onderdeel van de verdedigingslinie van de Duitse 15. Armee, die zich na de geallieerde uitbraak uit Normandië in allerijl uit Noord-Frankrijk had teruggetrokken. Wat hier werd opgebouwd, was echter geen krachtig en homogeen leger, maar een lappendeken van gehavende divisies, opleidingsbataljons en geïmproviseerde eenheden.

Een leger in herstel
Veel Duitse divisies die in september 1944 Nederland bereikten, waren zwaar verzwakt. Complete regimenten waren in Frankrijk verloren gegaan. De heroprichting van eenheden gebeurde met jonge rekruten, herstelde gewonden en personeel uit opleidingscentra. Zo waren onderdelen van onder meer het Grenadier-Regiment 745 (behorend tot de 711e Infanteriedivisie) en het Grenadier-Regiment 732 (van de 712e Infanteriedivisie) actief in de regio. Beide divisies hadden eerder kustverdedigingstaken vervuld en waren niet toegerust voor grootschalige offensieve operaties.
Daarnaast werden statische verdedigingseenheden ingezet, zoals het Festungs-Infanterie-Bataillon 1409. Dit soort bataljons was bedoeld voor vaste stellingen en versterkte linies. Zij groeven zich in langs dijken, bij wegknooppunten en rond bruggenhoofden. De Betuwe, met haar boomgaarden, dijken en waterwegen, was bij uitstek geschikt voor een defensieve strijd.

Geldermalsen als spil
Het spoorwegknooppunt Geldermalsen kreeg in deze maanden een bijzondere betekenis. Het dorp lag op een strategisch punt tussen Tiel, ’s-Hertogenbosch en Utrecht en fungeerde als logistiek centrum. Hier bevonden zich artillerieonderdelen zoals het Artillerie-Regiment 397, evenals antitankeenheden zoals de Panzerjäger-Abteilung 256, onderdeel van een heropgerichte Volksgrenadierdivisie. Hun taak was het afslaan van eventuele geallieerde doorbraken richting de Waal.
Tevens werd in Geldermalsen een lazaret ingericht. Gewonden uit de gevechten bij Empel en langs de Maas werden hierheen vervoerd. Verschillende Duitse militairen die in oktober en november 1944 overleden, bezweken niet direct op het slagveld, maar aan hun verwondingen in dit noodhospitaal. Dit onderstreept het karakter van Geldermalsen als steunpunt achter de eigenlijke frontlijn.

De strijd bij Empel
Ten zuiden van de Waal, bij Empel en ’s-Hertogenbosch, vonden in oktober en begin november 1944 zware gevechten plaats. Britse troepen probeerden de Duitse Maas-stelling te breken om een bredere doorbraak naar het noorden te forceren. Hier werden naast reguliere infanterieregimenten ook ongebruikelijke troepen ingezet, zoals marinepersoneel en Luftwaffe-opleidingsbataljons die wegens personeelstekorten als grondtroepen fungeerden.
Dat soldaten van een Flieger-Ausbildungs-Bataillon of van marine-Ersatz-eenheden sneuvelden in de Betuwe, illustreert hoe nijpend de situatie voor Duitsland was geworden. Specialisten in opleiding werden zonder volledige voorbereiding in infanteriegevechten geworpen. De kwaliteit van de verdediging liep daardoor sterk uiteen.

Luchtoverwicht en luchtafweer
Het luchtruim boven de Betuwe werd in deze periode beheerst door geallieerde jachtbommenwerpers. Duitse transporten, colonnes en zelfs individuele voertuigen liepen groot gevaar. De dood van twee militairen bij Beesd op 12 oktober 1944, toen hun voertuig buiten de bebouwde kom door geallieerde vliegtuigen werd beschoten, past in dit patroon van voortdurende luchtbedreiging.
Om de vitale infrastructuur te beschermen, werden luchtafweeronderdelen ingezet, waaronder het Flak-Regiment 38 en de Gemischte Flak-Abteilung 155 (V). Hun kanonnen stonden opgesteld nabij spoorlijnen, bruggen en verkeersknooppunten. Hoewel zij incidenteel succes boekten, konden zij het geallieerde luchtoverwicht niet breken. Elke verplaatsing overdag bleef riskant.

Een statisch en uitputtend front
In tegenstelling tot de snelle manoeuvreoorlog van eerdere jaren kenmerkte de strijd in de West-Betuwe zich door statische verdediging. Dijken werden versterkt, boomgaarden omgevormd tot schootsvelden en huizen gevorderd als kwartier of commandopost. De herfstregens veranderden akkers in moddervlakten. De burgerbevolking kreeg te maken met inkwartiering, artilleriebeschietingen en, later, inundaties.
De Duitse verdediging was vooral gericht op vertraging. Het doel was tijd winnen en een stabiele lijn langs de rivieren handhaven. Van grote offensieven was geen sprake meer. De samenstelling van de troepen, veel onderofficieren, oudere soldaten en personeel uit opleidings- of ondersteuningsdiensten, weerspiegelt een leger dat op zijn reserves teerde.

De laatste maanden
In de winter van 1944–1945 bleef de frontlijn grotendeels onveranderd. Pas in het voorjaar, tijdens de geallieerde Rijnoversteek in het kader van Operation Plunder, stortte de Duitse verdediging in Nederland definitief in. De resterende eenheden trokken zich terug richting Duitsland of gaven zich over. Wat achterbleef waren verwoeste stellingen, beschadigde dorpen en geïmproviseerde begraafplaatsen.

Slotbeschouwing
De Duitse aanwezigheid in de West-Betuwe in het najaar van 1944 was geen verhaal van elite-divisies of beslissende tankgevechten. Het was het verhaal van een defensieve strijd met samengestelde eenheden, opleidingsbataljons en luchtafweer rond strategische knooppunten. De overlijdenslijsten uit Beesd, Geldermalsen en omliggende dorpen laten zien hoe versnipperd en geïmproviseerd deze verdediging was.
Juist in die details, de namen van onderofficieren, marinematrozen en luchtafweersoldaten, wordt zichtbaar hoe de Betuwe een stille maar harde frontzone werd in de nadagen van de oorlog.
Terug naar de inhoud