Boekwerk van St. Antoniusschool over Beesd in WOII
Gemeente West Betuwe > Oorlogsjaren Beesd
Dit is een bijzonder waardevol document. Je hebt hier een compleet, door de St. Antoniusschool in Beesd samengesteld boekwerk uit 1990 over de Tweede Wereldoorlog in het dorp. Het is een unieke combinatie van een chronologisch overzicht (Deel A, door M.B.J. Hommelberg sr.) en persoonlijke getuigenissen van dorpsgenoten (Deel B).Hieronder vind je een gestructureerde samenvatting en analyse van de inhoud, opgedeeld in de belangrijkste thema's die in de tekst naar voren komen.
Overzicht en doel van het boekwerk
Aanleiding: Het boek is gemaakt ter gelegenheid van de 50-jarige herdenking van het begin van de WOII (1990). Leerlingen van de St. Antoniusschool wilden meer weten over de oorlog in hun eigen dorp.
Doel: De herinneringen vastleggen voor de kinderen en latere generaties. De nadruk ligt op de lokale beleving.
Samenstelling: Het voorwoord en de coördinatie waren van A.C. van Balken, directeur van de school. Deel A is het algemene verhaal van de heer Hommelberg. Deel B bevat persoonlijke verhalen van tien andere Beesdenaren over specifieke gebeurtenissen.
Samenvatting van Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
Dit deel leest als een chronologische vertelling van de oorlog in Beesd.
1. De Aanloop en de Meidagen van 1940
- Mobilisatie (1939): Soldaten worden in Beesd ingekwartierd. Paarden en auto's worden gevorderd. De spanning stijgt.
- 10 mei 1940: Duitse vliegtuigen (Stuka's) vliegen over Beesd. De strijd begint.
- Evacuatie van vee (12 mei): Ongeveer 5000 stuks vee wordt naar Lexmond gedreven om te voorkomen dat het verdrinkt bij de onderwaterzetting van de Betuwe.
- Evacuatie van de bevolking (13 mei): Op last van het Nederlandse leger moet heel Beesd weg. Het is een chaotische uittocht richting Gouda/Waddinxveen. Cato van Buuren komt hierbij om het leven door een Duitse kogel.
- Terugkeer (15 mei): Na de capitulatie keren de meeste inwoners terug. De spoorbrug is opgeblazen door Nederlandse soldaten.
2. Het Leven onder Bezetting (1940-1944)
- Distributie: Levensmiddelen en goederen zijn op de bon. Er ontstaat zwarte handel, waarvan de Duitsers profiteren door geld bij te drukken.
- Verduistering: Om geallieerde vliegtuigen geen oriëntatiepunten te geven, moet alles 's avonds donker zijn.
- Radio Oranje: Luisteren is verboden en radio's moeten worden ingeleverd. Toon van de Wiel, de postbode, verstopt zijn radio bij zijn varken en luistert stiekem met vrienden naar de Engelse zender.
- De Joden in Beesd: Een hartverscheurend hoofdstuk.
- De families Van Straten en Hecht zijn de Joodse inwoners. In 1942 duiken ze onder. Hr. Hommelberg helpt door de kostbare inventaris van de synagoge te verstoppen (eerst bij hem thuis, later op de zolder van de Hervormde Kerk).
- Niet iedereen overleeft het. Sam van Straten wordt verraden en vermoord. Harry van Straten wordt opgepakt en overlijdt. De familie Hecht overleeft de oorlog, evenals Sientje van Straten (dankzij Gerrit van Tussenbroek).
3. De Oorlog komt Dichterbij (1944-1945)
- Duitsers in Beesd: Vanaf september 1944 is Beesd gevuld met Duitse militairen.
- Eerst Einheit Buchta in de R.K. Pastorie.
- Later de rustigere Einheit Lowack. Zij slaan munitie op in de boomgaarden en hebben een verbindingscentrale in de oude openbare school. Ook zijn er Russische krijgsgevangenen in Beesd.
- Vliegtuigen en Bombardementen:
- In mei 1943 stort een Engelse Stirling-bommenwerper neer bij Beesd. Zes bemanningsleden (Nieuw-Zeelanders) komen om en liggen begraven op het kerkhof.
- V-1's ("vliegende bommen") worden veelvuldig waargenomen.
- Op Nieuwjaarsdag 1945 wordt de Lingebrug gebombardeerd, maar blijft gespaard. De huizen aan de Havendijk lopen zware schade op.
- De Hongerwinter (1944-1945):
- Beesd ziet stoeten van ondervoede mensen uit de steden (voedselzoekers) langskomen.
- Er wordt geruild en soms misbruik gemaakt van de nood (een jas voor waardeloos graan).
- Ook in Beesd wordt er gesurrogeerd: koffie van wortels, sigaretten van aardappelloof, stroop van suikerbieten.
- Evacués en Vluchtelingen:
- Beesd vangt geëvacueerden op uit Tiel (georganiseerd) en vluchtelingen van het Maasfront (ongeorganiseerd, uit o.a. Kerkdriel en Ammerzoden). Dit leidt tot spanningen met de burgemeester, die bang is voor te weinig ruimte voor Duitse soldaten.
4. Bevrijding (mei 1945)
- 5 mei: De overgave wordt bekend. Iedereen gaat de straat op. De Ortscommandant Lowack bewaart de rust en vraagt mensen naar huis te gaan.
- De Canadezen: Half mei komen de Canadese bevrijders.
- Ze zijn het tegenovergestelde van de Duitsers: rustig en gedisciplineerd.
- 's Avonds is er samenzijn bij een kampvuur, waar ze liedjes zingen, waaronder een spotlied op Hitler.
- Hr. Hommelberg raakt bevriend met de Canadees Howard Gray, die na de oorlog nog op bezoek komt vanuit Nijmegen en later via een veteranenorganisatie wordt teruggevonden door de familie.
Samenvatting van Deel B: Persoonlijke Verhalen
Dit deel geeft een emotionele en vaak nog rauwere inkijk in de oorlog. De belangrijkste verhalen op een rij:
- Veedrijven naar Lexmond (H.J. van Buuren): Een ooggetuigeverslag van de chaotische tocht met het vee op 1e Pinksterdag 1940.
- Met z'n allen naar Waddinxveen (H.J. van Buuren): Het verhaal van de evacuatie van de bevolking, waarbij zijn tante Cato van Buuren dodelijk wordt getroffen bij de oversteek over de Lek.
- Op avontuur in Duitsland (Th.J. van Beest): Johan van Beest vertelt over zijn "avontuur" in de Arbeitseinsatz. Hij ging vrijwillig uit plichtsbesef, maar kreeg al snel spijt. Hij werkte in een fabriek in Schwerte, kreeg slecht eten, maar mocht in het weekend het kamp uit. Na 7 maanden ging hij met verlof en dook onder in Beesd.
- Onderduiken in je eigen dorp Beesd (H.J. van Buuren): Henk van Buuren vertelt spannend over zijn onderduikavonturen om aan de Arbeitseinsatz te ontsnappen. Hij sliep o.a. in het lijkenhuisje op het kerkhof en in een kippenschuur.
- Twee jaar weg van huis (B. Krielen): Het zwaarste verhaal. Bertus Krielen zat bijna twee jaar in Schwerte. Hij vertelt over de erbarmelijke omstandigheden (honger, luizen, kou), het dagelijkse gevaar van bombardementen, het ruimen van puin na het bombardement op de stad, en de chaos en onderlinge wraakacties na de bevrijding, toen het gezag wegviel.
- Sientje van Straten (G.G. van Tussenbroek): Gerrit van Tussenbroek vertelt hoe hij Sientje, een Joodse vrouw, twee jaar lang verstopte op zijn zolder in de Wilhelminastraat.
- Een goede vijand (A.D. Zijderveld): Een bijzonder verhaal over een Duitse soldaat (een Rottenführer) die menselijk bleek en zelfs een foto van zijn gezin aan de schrijver liet zien.
Conclusie en Waarde van het Document
Dit boekwerk is een prachtig voorbeeld van "oral history" of "microgeschiedenis". In plaats van de grote gebeurtenissen, beschrijft het hoe een klein dorp als Beesd de Tweede Wereldoorlog heeft beleefd.
Waardevolle details: Het benoemt straten, families, boerderijen en lokale figuren (zoals juffrouw Boonstra met haar zangles voor de Canadezen), wat het zeer herkenbaar maakt voor (oud-)inwoners.
Een breed spectrum: Het behandelt niet alleen verzet en heldendom, maar ook de alledaagse beslommeringen (distributie, onderduiken), de angst (bombardementen, razzia's), maar ook momenten van menselijkheid (de Duitse soldaat Lowack, de hulp aan Joodse dorpsgenoten, de vriendschap met Howard Gray).
Persoonlijk en eerlijk: De verhalen zijn niet geschreven door professionele historici, maar door mensen die het hebben meegemaakt. Dat maakt ze direct en authentiek. De auteur geeft in het voorwoord ook eerlijk toe dat het niet volledig is, maar een poging een idee te geven.
Hieronder vind je de volledige, uitgeschreven tekst van het document "De oorlogsjaren 1940–1945 in Beesd".
Inhoud, Voorwoord 1
Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
- Mobilisatie 3
- 10 mei 1940 4
- Distributie 5
- Verduistering 7
- Werken in Duitsland 8
- Radio Oranje 9
- De Joden in Beesd 11
- Duitsers in Beesd 13
- De Evacuatie van Tiel 15
- Vluchtelingen van de Maaskant 16
- Vliegtuigen over Beesd 18
- De Hongerwinter 20
- Bevrijding 22
- De Canadezen 23
Deel B:
- Kapitien Venema in Beesd (A.F.A. Pieck) 26
- Veedrijven naar Lexmond (H.J. van Buuren) 28
- Met z'n allen naar Waddinxveen (H.J. van Buuren) 29
- Op avontuur in Duitsland (Th.J. van Beest) 30
- Onderduiken in je eigen dorp Beesd (H.J. van Buuren) 32
- Twee jaar weg van huis (B. Krielen) 34
- Een verschrikkelijke herinnering (C.v.d. Dungen) 36
- Sientje van Straten (G.G. van Tussenbroek) 38
- Duitsers in Beesd (L. Piek-Kok) 41
- Een goede vijand (A.D. Zijderveld) 42
- Van Ammerzoden naar Beesd (L. Kielenstijn-Verlouw) 44
- Op zoek naar woonruimte (H. Berkhout) 45
- Verzetsmensen in ons dorp (G. van Beekhuizen) 47
Voorwoord
Ieder jaar vertel je aan de kinderen in de klas rond april of begin mei over de Tweede Wereldoorlog. Dat gebeurt vooral in de hoogste groepen van het basisonderwijs. Zo ook op de St. Antoniusschool in Beesd. Ieder jaar vind je het weer jammer dat er zo weinig bekend is over die oorlog in je eigen dorp Beesd. Er is bijna niets over opgeschreven. Iedereen kent het verhaal over het neergestorte vliegtuig, maar verder komt men vaak niet. De kinderen willen eigenlijk veel meer weten.
Dit jaar was het 50 jaar geleden dat de oorlog begon. Dus een reden te meer om al die 'verborgen' informatie eens bij opa's en oma's boven water te halen. De Hr. M. Hommelberg uit de Voorstraat werd benaderd en met hem zijn we stukje bij beetje de geschiedenis van die Tweede Wereldoorlog gaan opschrijven. Dankzij het geweldig goede geheugen van de Hr. M. Hommelberg is het gelukt om de belangrijkste feiten uit die periode op te schrijven. Een en ander is zo opgeschreven dat kinderen van de hoogste groepen van de basisschool het redelijk goed kunnen begrijpen.
Het tweede gedeelte van dit boekwerk is geheel anders van opzet. Dit deel is samengesteld i.s.m. een tiental Beesdenaren, die de oorlog van zeer nabij hebben meegemaakt. Ieder van hen vertelt op een zeer persoonlijke wijze over een bepaalde periode uit die oorlog. Er is naar gestreefd om bij ieder hoofdstuk uit deel 1 iemand aan het woord te laten, die deze periode van zeer nabij heeft meegemaakt.
Ik dank al deze mensen voor hun medewerking. Dank ook aan de Beesdenaren, die op welke manier dan ook, mij informatie hebben bezorgd over deze nare periode in onze geschiedenis. Ik noem met name:
G. de Kruijff
F.I. Kielestein
Th. van Bremen
A.C. van Doorn-van Drenth
P.J. Kroezen
J.A. van Leeuwen
A.G. Gremie
F.M. Kroese-Nijsten
A.D. Zijderveld
H. Berkhout
L. de Haas
M.B.J. Hommelberg
A.F.A. Pieck
H.J. van Buuren
Th.J. van Beest
B. Krielen
C. v.d. Dungen
G.G. van Tussenbroek
L. Piek-Kok
L. Kielenstijn-Verlouw
G. van Beekhuizen
Dit boekwerk is in vrij korte tijd samengesteld. Het is dan ook zeker niet volledig. Hopelijk is het gelukt een idee te geven op welke wijze de mensen in Beesd de oorlog beleefd hebben. Het zal een ieder, na het lezen van met name deel 2 van dit boekwerk, duidelijk zijn, dat een aantal Beesdenaren veel hebben geleden in die Tweede Wereldoorlog. Ik denk dan met name aan de jonge mannen die in Duitsland moesten werken. Maar ook anderen hebben zeer nare herinneringen aan deze periode.
Mijn zoon van zeven jaar vroeg een dezer dagen aan mij, toen ik mijn drie kinderen vertelde over de mobilisatie en de militaire dienstplicht: 'Pap, als ik straks in dienst moet, wordt het dan weer oorlog?' 'Ik hoop van niet, jongen', antwoordde ik.
Laat dat dan de wens zijn bij dit boekje.
A.C. van Balken
Directeur St. Antoniusschool
te Beesd, 4 mei 1990
Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
De mobilisatie
Het begon allemaal in 1939. Duitsland had al een aantal gebieden van buurlanden ingepikt, zoals van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. In augustus sloot Duitsland met Rusland een niet-aanvalsverdrag en ook Italië had niet genoeg aan zijn eigen land en was Albanië binnengevallen.
Nederland vond het verstandig al zijn soldaten op te roepen. Er dreigde immers een grote oorlog te ontstaan. Nu had men in die tijd geen televisie, en telefoon had slechts een enkele ling. Men riep de mensen dan ook op via allerlei aanplakbiljetten. Deze aanplakbiljetten hingen in een afleeskast. Deze afleeskast hing aan mijn tuinmuur – Voorstraat 88 –. Je begrijpt, dat zo'n bericht iets heel bijzonders was. Het verspreidde zich dan ook als een lopend vuurtje. Ik herinner mij nog dat een inwoner uit Rhenoy zijn paard en kar stilzette om ook eens te komen kijken wat er te doen was. Na ernstige studie van het aanplakbiljet vroeg hij: 'Geldt dat ook voor Rhenoy?' Een Beesdenaar antwoordde toen, dat ze dat varkentje in Beesd wel alleen konden wassen en men daar de hulp van Rhenoy niet bij nodig had.
Er werden overigens niet alleen mensen opgeroepen. Er was ook een aanplakbiljet waarop stond, dat alle paarden en auto's werden gevorderd. Dat betekende, dat je dus je paard of auto aan het leger moest afstaan. Nu waren er in 1939 maar weinig auto's in Beesd, hooguit een stuk of tien. Of iedereen die bij het Nederlandse leger heeft ingeleverd, weet ik niet. Er zijn in ieder geval ook mensen geweest die hun kostbare bezit stiekem verborgen hebben. Na verloop van tijd werd ook een afdeling van het Nederlandse leger in Beesd gestationeerd. Dat betekende dat enkele honderden soldaten in Beesd moesten worden ondergebracht. Ze moesten bij de mensen in de huizen slapen. 'Inkwartieren' heet dat. De commandant – kapitein Deflard uit Hoorn – had zijn bureau met zijn staf in het huis, waar nu de familie Berkhout woont op de hoek van de Beukenstraat en de Voorstraat. Deze kapitein zorgde ervoor dat heel veel mensen in Beesd een of meer soldaten ingekwartierd kregen.
Natuurlijk moesten ook een aantal Beesdse jongemannen zich melden bij het leger ten gevolge van de mobilisatie van augustus 1939. Een aantal van hen moest naar de Grebbeberg in Rhenen. Weer anderen naar West-Brabant.
Door de oorlogsdreiging waren er te weinig levensmiddelen en ook andere spullen zoals textiel. Daarom kon je bepaalde goederen niet zo maar kopen. De distributie werd ingevoerd. Je kon nu alleen met bepaalde zegeltjes – bonnen – de schaars geworden artikelen kopen. Later vertel ik hier nog meer over.
De mobilisatie ging ondertussen door. En dat was maar goed ook. Op vrijdag 31 augustus 1939 rukten Duitse troepen Polen binnen. De Tweede Wereldoorlog was begonnen. Frankrijk en Engeland verklaarden Duitsland enkele dagen later de oorlog: 3 september. In Beesd kwamen steeds meer soldaten. De commandant was nu een groot-majoor.
10 mei 1940
In alle vroegte hadden de Duitsers ons land aangevallen. Om half vijf 's morgens vlogen de Duitse vliegtuigen richting Rotterdam. Ook boven Beesd was het een enorm geraas. Duitse bommenwerpers – Stuka's – vlogen in grote aantallen boven ons dorp. Via de radio werd omgeroepen dat de oorlog was uitgebroken. Ons leger probeerde onze grenzen zo goed mogelijk te verdedigen. Helaas waren we niet opgewassen tegen het Duitse geweld. Onze jongens uit Beesd vochten aan de Maas, de Grebbelinie en in Brabant.
Er werd besloten al het vee uit de weilanden te halen en ergens anders heen te brengen. Beesd lag immers midden in het gebied, dat onder water gezet kan worden. Het vee moest dus achter de Hollandse waterlinie gebracht worden. Dit gebeurde op zondag 12 mei (1e Pinksterdag). Het vee van Beesd ging naar Lexmond. Het betrof zo'n 5000 stuks.
Op Tweede Pinksterdag werd besloten dat ook alle inwoners van Beesd weg moesten, en wel direct! Deze evacuatie verliep natuurlijk alles behalve rustig. De inwoners van Beesd moesten richting Gouda en Waddinxveen. Nu kon het gebied onder water worden gezet, zodat de Duitsers niet verder konden oprukken. Helaas mislukte het onder water zetten van de weilanden volkomen. Waarschijnlijk kwam dit door verraad van de NSB'ers.
De uittocht van de Beesdenaren was overigens een chaos. Mensen die aangesteld waren om een ander goed te laten verlopen waren in geen velden of wegen te zien. Iedereen immers leefde in grote onzekerheid en zocht zelf een manier voor een veilig heenkomen.
Zelf zie ik me nog staan in de Abr. Kuyperweg (heette Tjatte Weg). Ik stond daar met mijn vrouw en twee kinderen. Niemand keek naar ons om. Of… één man. Ja, één man, die ik daar nog steeds dankbaar voor ben: De Heer G. Kroezen. Hij was een van de weinigen, die over een auto beschikte. Hij zag ons staan, liet zijn zoon Jan stoppen en zei op zijn manier van spreken: 'Jan, neem die vrouw en kinderen mee. Ik zie wel hoe ik weg kom.' Ik denk hier nog vaak aan. Ik reed de kinderwagen aan de kant in een droge sloot. Later werd die in Waddinxveen door een vriend weer terugbezorgd.
Ik fietste met mijn overbuurman – dominee de Vos – richting Gouda. De dominee was pas kort in Beesd en vroeg of hij zich bij mij mocht aansluiten. Natuurlijk mocht dat en daar gingen wij. In Acquoy stond de Huigensteeg enigszins onder water. Dat was werkelijk alles, wat we van het onder water zetten (de inundatie) van de Betuwe hebben gemerkt. Doordat we over nogal wat dijken moesten rijden, waren we vrij kwetsbaar voor vliegtuigen. Iemand uit Beesd is dan ook tijdens de evacuatie dodelijk getroffen door een Duitse kogel. Ze heette Cato van Buuren.
Intussen moesten wij proberen de Lek over te komen. Dat moest bij het pontveer Nieuwpoort-Schoonhoven. Toen wij daar aankwamen was er plotseling groot alarm. Wij vluchten een huis binnen en kort daarop hoorden wij dreunende slagen. Twee Nederlandse kruitschapen, die vlak bij het pontveer aan de wal lagen, werden door Duitse bommenwerpers gebombardeerd. Beide schepen gingen volledig de lucht in.
Aan het eind van onze tocht naar Gouda was de chaos volkomen. Het waren echt onbeschrijflijke toestanden: families uit elkaar. Iedereen was op zoek naar iedereen: kinderen naar hun moeders en vaders naar hun gezin en daartussen ook nog eens schietende NSB'ers. Gelukkig is alles goed afgelopen. Je moet begrijpen dat de mensen in Gouda verplicht waren om ons op te nemen, of je dat nu leuk vond of niet. Ik werd met mijn gezin op een niet zo'n prettige plaats gehuisvest… Gelukkig kwam ik achter het adres van iemand, die meer ruimte voor ons had. Deze welgestelde familie had nog geen enkele geëvacueerde in huis. Dat kwam omdat ze dicht bij een brug woonde en iedereen was bang dat bij het bombarderen van die brug ook het huis zou worden geraakt. Vreemd genoeg was ik daar niet zo bang voor en ik kwam zo aan een prima plek voor mijn gezin.
Zoals bekend duurde onze strijd tegen de Duitsers maar kort. Na het bombardement van Rotterdam en het dreigement van Hitler om nog meer steden plat te gooien, gaf Nederland zich over. De strijd was voorbij en wij konden na ongeveer een week terug naar huis. Op 15 mei gingen wij naar Beesd terug. We werden thuis gebracht door de mensen bij wie we ingekwartierd waren.
Op de terugweg zagen we de eerste Duitsers. We zagen ze op de tegenwoordige snelweg Utrecht-Den Bosch. Dat was toen de éénbaans autoweg: Beesd-Vianen. Toen reden er op 15 mei Duitse pantservoertuigen.
Terug in Beesd vonden we alles nog in vrijwel ongeschonden staat. Wel moesten we direct op voedsel uit. Vooral voor de kinderen. In een huis aan de Voorstraat, waar nu de familie Hollinga woont, ontdekte ik melk.
Wat de evacuatie betreft vertel ik jullie nog een merkwaardigheid: Een familie in Beesd vertikte het om het dorp te verlaten. Dat was de familie van Maaswaal, van de boerderij 'De Gansheuvel'. Ze bleven waar ze waren en later bleek dat ze het bij het rechte eind hadden gehad.
Op 14 mei 1940 lieten de Nederlandse soldaten de spoorbrug in Beesd springen.
De distributie
Zoals ik al eerder schreef was er een tekort aan allerlei goederen. Nu Nederland bezet was werd dat natuurlijk alleen maar erger. Gelukkig betekende dit niet dat er in Beesd honger geleden moest worden. Nee hoor. In Beesd is eigenlijk nooit echt gebrek geweest aan de noodzakelijke levensbehoeften. Aardappelen, groenten, fruit en brood waren er gedurende de gehele bezettingstijd wel. Natuurlijk in veel mindere mate. Daarbij probeerden we in ons land en ook in Beesd er voor te zorgen dat de Duitsers zo min mogelijk profiteerden van onze voedselvoorraden.
Om er voor te zorgen dat het aanwezige voedsel zo eerlijk mogelijk werd verdeeld werd de distributie ingevoerd. Iedere inwoner van groot tot klein kreeg een bonkaart toegewezen. Aan die bonkaart zaten dan losse bonnetjes, waarop stond, wat je daarop kon krijgen. Er werd onderscheid gemaakt in leeftijd.
Zo kregen jonge kinderen bij de geboorte bonnen voor 26 pakken havermout extra. Bij ons werd in 1942 een tweeling geboren. We kregen dus bonnen voor 52 pakken havermout. Nu waren wij niet dol op havermout. Geen nood. Er waren genoeg mensen, die het graag wilden ruilen voor boter of kaas of eieren. Op zich was dit ruilen niet erg. Er waren echter ook mensen die zich zelf wilden verrijken. Ze probeerden werkelijk alles om bepaalde bonnen tegen zeer hoge prijzen te verkopen of op zeer onredelijke wijze voor andere bonnen te ruilen. We noemen dit 'de zwarte handel'.
Bij ontdekking van deze zwarte handel werd dit zwaar gestraft. Om wat zwarte prijzen te noemen: Wat zou je denken van 150 gulden voor een pondje boter? Of 650 gulden voor een pondje koffie?
Maar geen nood, want wie profiteerden tenslotte? De Duitsers natuurlijk. De drukpersen werkten bij wijze van spreken dag en nacht om steeds maar opnieuw geld te drukken. De Duitsers zwommen in het Hollandse geld en profiteerden zo het meeste van de zwarte markt. Bonkaarten werden eveneens tegen grof geld opgekocht en het daarop verstrekte artikel werd ook op de zwarte markt verkocht. Wie het meeste – waardeloze – geld had, kon het beste leven. Over dit alles is nog veel meer te vertellen. Als je nog meer wilt weten dan moet je dat maar eens aan mensen vragen, die de oorlog hebben meegemaakt.
Verduistering
Hoe langer de oorlog duurde, des te meer kwamen de Duitse legers in de verdrukking. Steeds sterker werden de geallieerden. Dat waren de vijanden van de Duitsers: Amerikanen, Engelsen, Canadezen. Dit had als gevolg dat de Duitsers steeds minder materiaal hadden voor het bouwen van vliegtuigen en andere oorlogstuig. Steeds meer drongen de geallieerden aan, vooral door hun overmacht in de lucht, (met name van de nachtvliegtuigen). Om nu de Engelsen geen aanwijzing te geven waar dorpen of steden waren, moest Nederland 's avonds geheel verduisterd zijn. Dat betekende dat er geen spatje licht uit de huizen mocht komen.
De straatverlichting mocht slechts branden met blauwe afscherming. Blauw licht is immers van bovenaf niet zichtbaar. Zelfs fietsers mochten alleen maar een koplamp op hun fiets hebben, die slechts een klein spleetje licht doorliet.
Het verduisteren werd een stuk gemakkelijker toen er geen elektriciteit meer was. Halverwege de oorlog moesten we het zonder elektra doen. Toen brandden er 's avonds in de huizen de oude olielampen.
Ondanks dit alles konden de Engelsen en Amerikanen toch hun werk doen. Vaak hoorden we 's avonds de vliegtuigen over Beesd heen gaan. De bommenwerpers werden voorafgegaan door Engelse jachtvliegtuigen. Die jachtvliegers wisten op bepaalde manieren te ontdekken, waar voorname plaatsen en vooral grote fabrieken van oorlogstuig lagen. Was eenmaal zo'n belangrijke fabriek ontdekt, dan werd met een speciale parachute een lichtkogel afgeworpen. Op deze manier wisten de bommenwerpers precies waar ze hun bommen moesten lossen.
En wij in Beesd in stilte maar juichen wanneer we 's avonds en 's nachts de duizenden bommenwerpers met hun dodelijke vracht hoorden overvliegen. Aan de duizenden onschuldige mensen, die het slachtoffer werden, dachten we niet! De oorlog moest gewonnen worden.
Werken in Duitsland
Naarmate de oorlog langer duurde werden er in Duitsland steeds meer Duitse mannen en jongens opgeroepen om dienst te nemen in het Duitse leger. Omdat er veel soldaten sneuvelden, werden er steeds meer oudere mannen en jongeren opgeroepen om dienst te doen aan het front. Daardoor ontstond er een steeds groter gebrek aan arbeidskrachten. Er waren geen Duitse mannen meer, die in de fabrieken konden werken. Ook in de landbouw waren geen arbeiders meer.
De Duitsers probeerden dit tekort aan te vullen met werkkrachten uit de bezette gebieden, zoals Nederland, Polen, Frankrijk en België. Eerst trachtte men de mensen met mooie beloften naar Duitsland te krijgen. Men beloofde hoge lonen, goed eten en zelfs extra geld voor het gezin, dat dan in Nederland achter bleef. Veel succes had dit niet. Maar weinig mensen gingen vrijwillig naar de Duitse fabrieken. Dan moest het maar onder dwang. Via de gemeenten werden mannen van een bepaalde leeftijd opgeroepen. Op bepaalde tijden en plaatsen moest je je dan melden voor arbeidsdienst in Duitsland. Ook dit werd een mislukking. De meeste jonge mensen doken massaal onder. Zo kon de Duitser ze niet vinden. Geen wonder dat weinig mensen er zin in hadden. Ik vertelde je al over de duizenden bommenwerpers, die richting Duitsland gingen om daar de fabrieken te bombarderen.
Toen grepen de Duitse bezetters op een andere manier in. De Duitse militaire politie en de veiligheidsdienst verschenen op onverwachte momenten overal in het land. Een hele wijk van een stad of een bepaald dorp werd dan afgesloten. Alle huizen werden doorzocht op de aanwezigheid van mensen, die konden gaan werken in Duitsland.
Ik schreef zojuist 'onverwacht'. Maar meestal wist men nog net op tijd dat er zo'n razzia aankwam. Het verzet was, wat dat betreft, goed georganiseerd. Als de Duitsers kwamen, waren onze Nederlandse jongens allang gewaarschuwd en onvindbaar.
In Beesd is nooit zo'n razzia geweest. Maar enkele mensen uit Beesd hebben toch in Duitsland moeten werken. Ik herinner mij Arie Kroeze en een jongen van Dronkelaar. Twee opmerkelijke gevallen, omdat de jonge Dronkelaar aan het eind van de oorlog op trieste wijze om het leven kwam. Hij werd doodgeschoten toen hij zich niet hield aan de avondklok. Hij ging 's avonds toch naar buiten met het fatale gevolg. (In oorlogstijd was de avondklok een gewoon voorschrift. Na een bepaald uur mocht niemand meer op straat komen!)
Wat Arie Kroeze betreft leeft alles nog duidelijk in mijn herinnering. In Duitsland, waar hij dus werkte, was hij behoorlijk zenuwachtig geworden van die bombardementen. Na de oorlog moest hij gekeurd worden voor de Nederlandse militaire dienst. Om uit dienst te blijven deed hij extra zenuwachtig, om zo afgekeurd te worden. Toen hij later echter wilde emigreren naar Canada kreeg hij geen toestemming om dat land binnen te komen. Wat moesten ze in Canada immers met een geestelijk gestoorde! Men had nl. het keuringsrapport van de militaire dienst opgevraagd. Nu is Arie een groot zakenman in Amerika.
Hier in Beesd waren overigens verschillende jonge mannen ondergedoken om zich te onttrekken aan het werk in Duitsland. Ouderen van ons zullen zich de namen van Van de Plas van de Molen uit Utrecht nog wel herinneren en de Wildemarsen uit Barneveld.
Radio Oranje
Het spreekt wel vanzelf dat wij goed wilden weten wat er allemaal in de wereld en vooral met onze vijand gebeurde. Televisie was er niet en degene die een radio had was verplicht deze bij de Duitsers in te leveren. De bezetter wilde niet hebben dat wij naar de Engelse zender zouden luisteren.
Maar laat ik nu eerst vertellen wat radio Oranje nu eigenlijk was. In de meidagen van 1940 was onze Koninklijke familie met een deel van onze regering naar Engeland gevlucht. Koningin Wilhelmina bleef in Engeland en haar dochter Juliana met de prinsesjes gingen naar Canada. Prins Bernard bleef bij Koningin Wilhelmina. Na enige tijd besloot onze regering (in ballingschap) een organisatie op te richten, die op bepaalde uren op de radio de juiste berichten doorgaf aan het Nederlandse volk. Dit nu was Radio Oranje. Het was natuurlijk ten strengste verboden hiernaar te luisteren. Vandaar dat al heel snel het besluit kwam om alle radio's in te leveren. Maar ja, dat deed natuurlijk niet iedereen.
De Heer Toon van de Wiel sr. was directeur van het postkantoor aan de Voorstraat te Beesd. (Zijn jongste zoon heeft daar nu nog een motorenbedrijf.) Van de Wiel was een echte Brabanter en had in verband met de voedselvoorziening een varken, dat hij mestte. (Ook het houden van varkens was zonder goedkeuring van de Duitsers verboden!) Hij hield dus clandestien een varken. Maar Toon deed nog veel meer clandestien. Hij had zijn radiotoestel niet ingeleverd. Dat toestel had hij verstopt bij het varken. In de schuur bij het varken had hij een put gegraven, waar een luik op lag. In de put stond het toestel en op het luik lag altijd een grote stapel hooi of gras. Dat was voor de konijnen.
Sommige van zijn vertrouwde vrienden wisten hiervan en mochten mee komen luisteren als radio Oranje uitzond. Als ik mij goed herinner, was die uitzending rond half een. Dan werd het toestel voor de dag gehaald, afgesteld en de uitzending kon beginnen. Nu wilde dat varken nog wel eens danig knorren als er mensen in de schuur waren. En aangezien die radio maar zachtjes aan mocht staan, kreeg het beest regelmatig een paar ferme tikken met een stuk hout. Als dat niet hielp werd het naar buiten gejaagd.
En zo was er in die schuur vreugde bij elke Duitse nederlaag, die via Radio Oranje bekend werd gemaakt en verdriet bij elke tegenslag van de geallieerden.
Eén merkwaardig ding wil ik nog vertellen. Er werkte ook een Belg mee aan Radio Oranje. Hij noemde zich 'Jan Moedwil' en eindigde de uitzending steeds met: 'En zonder er op te stoffen; we zullen ze wel krijgen die moffen'.
En dat was Radio Oranje in Beesd.
De Joden in Beesd
Voordat ik ga vertellen over de lotgevallen van de Joden tijdens de oorlog wil ik eerst eens even kijken wie ze waren en waar ze woonden. In Beesd woonde in de Kerkstraat de familie Bouman. Zij hadden een slagerij. Bij het uitbreken van de oorlog woonden zij daar niet meer. Vervolgens woonde daar de familie van Straten. Deze familie bestond uit moeder (vader was al lang overleden) en drie zoons: Salomon, Hartog en Harry. Verder was er nog een dochter genaamd Sientje. Toen de oorlog uitbrak was moeder reeds overleden en waren bovengenoemde kinderen al vrij oud (ong. 60 jaar). De familie van Straten woonde aan de Voorstraat, ongeveer tegenover de Hervormde Kerk. Ze hadden daar een slagerij en eerder ook een dranklokaal. Tevens was in dat pand ook een synagoge gevestigd. (Dat is een ruimte, die men als een kerk gebruikt.) Iedere zaterdag werd in de synagoge de Sabbath gevierd. Daarvoor kwamen ook de twee Joodse families uit Rumpt.
Tenslotte woonde in het reeds lang verdwenen oude huisje op de hoek Middenstraat-Torenhoek Sam van Straten. Hij had een handeltje in garen en band-sajet en aanverwante artikelen. In het huis waar nu de familie Berkhout woont, woonden toen ook nog twee Duitse Jodenfamilies: De familie Hecht.
Al deze Joden werden in 1942 opgeroepen om zich te verzamelen. Ze zouden worden afgevoerd naar het kamp Westerbork. Van daaruit zouden ze naar een vernietigingskamp gebracht worden in Duitsland. Op de avond voor de fatale datum kwam Hugo Hecht bij mij. Hij vertelde dat ze allemaal zouden onderduiken, zowel de mannen, als vrouwen als kinderen. Vooral de kinderen waren een probleem geweest, maar werden opgevangen door de familie van Verschuer van Mariënwaard.
Hugo Hecht kwam mij om een gunst vragen. Nu de mensen allemaal een onderduikadres hadden moest er nog één ding geregeld worden: de inventaris van de synagoge moest weg. 'Of ik daar voor zorgen kon?' Dat kon natuurlijk. Er waren o.a. zeer kostbare thorarollen bij. Ik heb alles keurig en veilig bewaard. In 1944 ging er echter bijna iets mis. Er kwamen Duitse soldaten in Beesd die bij mij werden ingekwartierd. Om te voorkomen dat zij de Joodse spullen zouden vinden heb ik ze samen met mijn buurman Huib Hoos op de zolder van de Hervormde Kerk opgeslagen. Daar heeft alles veilig gelegen en kon de gehele inventaris na de oorlog aan de mensen worden teruggegeven.
Helaas hebben niet alle ondergedoken Joden het er levend van afgebracht. De oude Sam had een onderduikadres gevonden aan de Paay nabij Rhenoy. Daar heeft hij slechts een nacht gezeten. 's Morgens in alle vroegte is hij op straat gezet, beroofd van al zijn eigendommen. Al dwalend door de polder is hij opgepakt en is nooit meer terug gezien. En zo gebeurde dit met meer Joden in ons land. In de haast een onderduikadres te vinden, kwamen ze soms bij Nederlanders terecht, die er financieel beter van wilde worden.
Harry zat elders ondergedoken. Door een ongelukkig toeval kwam er huiszoeking op zijn onderduikadres. Harry werd opgepakt en naar het kamp Westerbork overgebracht. Niemand heeft ooit nog iets van Harry vernomen. Salomon en Hartog, die in Hagestein zaten ondergedoken, kwamen na de oorlog wel in Beesd terug.
De familie Hecht heeft het er gelukkig wel goed van afgebracht. Na de oorlog zijn ze in Amsterdam met een schortenfabriekje begonnen.
Sientje van Straten heeft het dankzij Gerrit van Tussenbroek ook overleefd. Vanaf 1942 heeft Sientje verstopt gezeten op de zolder van Gerrit in de Wilhelminastraat. Het verhaal over Sientje kun je elders in dit boekje vinden.
Vanaf de dam bij het huis van de Joodse familie van Straten een gezicht op de Toren. Links was de slagerij en het woonhuis van Sientje van Straten. In het huis rechts woont nu de loodgieter Hans Kroezen.
Duitsers in Beesd
Jullie weten natuurlijk allemaal dat in juni 1944 een grote geallieerde invasie was op de kust van Normandië in Frankrijk: 'D-Day' werd deze 6e juni genoemd. De Duitsers moesten door het oprukken van de geallieerde legers in Frankrijk steeds verder terugtrekken. In september 1944 zagen we de eerste Duitse legereenheden in Beesd. Op een gegeven dag zagen we op diverse hoeken van straten grote witte pijlen op de muren gekalkt, die allemaal richting Voorstraat wezen. Onder die pijlen stond dan: 'Einheit Buchta'. 'Buchta' was een kapitein van het Duitse leger. Een zgn. Ortscommandant. Dat wil zeggen de plaatselijke bevelhebber. Buchta had zich met zijn mensen gevestigd in de R.K. Pastorie aan de Voorstraat. Dat was natuurlijk best veilig, want kerken werden toen niet snel gebombardeerd.
Veel is er over deze eenheid van het Duitse leger niet te vertellen. Ze is maar kort in Beesd geweest. Ze werd al gauw ingezet aan het front bij de Maas. Tevens kwamen in Beesd ook de Binnenlandse Strijdkrachten in actie. Deze zgn. B.S. waren opgeleid in Engeland en met de invasietroepen meegekomen.
Over Buchta nog het volgende: In een volgend hoofdstuk gaat het over het onderbrengen van Nederlandse vluchtelingen uit Tiel. Ik moest toen met Buchta onderhandelen over hoe we die mensen uit Tiel aan eten zouden helpen. Ik wist van vluchtelingen uit Kerkdriel en omgeving, dat er nog voorraden aardappels, uien en wortelen ergens lagen. Om deze voedselvoorraden naar Beesd te halen was de medewerking van Hauptman Buchta nodig. Hij wilde wel meewerken, maar dan moest hij voor zijn soldaten de helft van deze voedselvoorraad hebben. Je snapt dat ik al dat voedsel juist aan de mensen in Tiel wilde geven en niet aan de Duitsers. Met de smoes, dat het toch wel erg gevaarlijk was het voedsel op te halen, is het toen niet doorgegaan. Die Buchta kon overigens totaal niet samenwerken met de burgemeester van Beesd. Dit, omdat de burgemeester geen woord Duits sprak.
Een verschrikkelijke herinnering
Een zwager van Bertus Krielen is Jan van den Dungen. Jan was bij het uitbreken van de oorlog 19 jaar en woonde in Amsterdam. Nu woont de Hr. van den Dungen in Beesd. Hij woont aan de Groenzoom, dicht bij andere familie. Jan van den Dungen ging net als Bertus in juni 1943 naar Duitsland. Eigenlijk was dat niet de bedoeling. De bedoeling was via een list te ontsnappen en onder te duiken. Jan was een jongen uit een groot gezin. Ook hij had bericht van de Duitsers gekregen om zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Als hij zich niet meldde, bestond de kans, dat zijn ouders werden opgepakt. Dat wilde natuurlijk niemand, dus bedacht Jan een plan om op een bepaald station uit de trein te springen en met een andere trein weer terug te gaan. Blijkbaar hadden meerdere jongemannen dit al eerder gedaan, want de Duitsers stonden bij iedere deuropening, als de trein bij een station kwam. Vluchten lukte dus niet. En zo belandde Jan via Bentheim in Berlijn. Daar werkte hij op de fabriek van het grote concern AEG.
'Het was een ongelofelijk grote fabriek. Er werkten vele duizenden mensen. Ik werkte op de fabriek, die gloeilampen maakte. Ik was eigenlijk tuinman, maar nu moest ik opeens met wolfram werken en glaslampen blazen. Ik had een machine waar het zeer heet bij was. Om daar uren achter te zitten was iets verschrikkelijks. Op een keer was ik zo moe, dat ik met mijn hoofd even rustte op de voorkant van de stalen machine. Een Duitser heeft toen met een grote voorhamer een ongelofelijke klap op het ijzer van de machine gegeven. Die dreun, die er toen door mijn hoofd ging, vergeet ik nooit meer.'
En zo vertelt de Hr. van den Dungen het ene verhaal na het andere. In de fabriek werkten dwangarbeiders uit allerlei landen.
'Het ergste waren de bombardementen. Bijna iedere dag was er wel luchtalarm. Vooral 's nachts was dat het geval. Je deed soms geen oog dicht. Maar de volgende dag moest je toch weer fit zijn. En als je niet goed werkte, werd je door die Duitsers op een verschrikkelijke manier behandeld. Ik vertel daar liever niet over.'
En het werd als maar erger. Je was je leven totaal niet zeker. Iedere dag gebeurde er wel iets verschrikkelijks. Op het laatst reageerde je daar niet meer op. We raakten er aan gewend dat op nog geen honderd meter afstand een barak door een bom werd platgegooid. Dat medearbeiders daarbij om het leven kwamen, deed je op het laatst niets meer. Vandaag waren zij het en morgen misschien wij. En zo bleef het al die maanden. Het was jij of ik. Op 23 april 1944 werden we door de Russen bevrijjd. Maar denk nu niet dat alle angst en problemen voorbij waren. Toen begon wederom een verschrikkelijke tijd. Niemand vertrouwde elkaar nog. Je wist niet wie iemand was. Er waren zoveel nationaliteiten. Iedereen kon zich verkleden als een geallieerde. Vaak verstond je elkaar niet. Er waren immers Russen en Polen en Duitsers en Fransen en Hollanders. Bijna had ik de oorlog niet overleefd, toen ik door een Rus werd aangehouden. Hij dacht dat ik een gevluchte Duitser was. Dankzij een schreeuw van een Russische compagnon werd ik gered en schoot men mij niet dood. Zo heb ik in een paar maanden tijd vier maal oog in oog gestaan met de dood. Je werd in die chaos overal heen gestuurd en je moest maar zien hoe je overleefde. Ik heb toen gezien hoe mensen in beesten kunnen veranderen. Het was werkelijk verschrikkelijk. Een mensenleven betekende in die dagen helemaal niets. In die maanden heeft mijn geloof mij nog enigszins op de been gehouden. Maar ik heb menigmaal in die tijd gedacht: "Bestaat er eigenlijk wel een God".
Uiteindelijk is het mij gelukt al lopende en met behulp van de trein bij de Elbe aan te komen. In een goederenwagen ben ik toen naar Holland gereden. Wij reden de ene kant op en we zagen langs de spoorlijn de vele Duitse gewonde soldaten terugkeren. Het was in ieder geval heerlijk om weer thuis te zijn.'
De Hr. van den Dungen vertelde mij nog veel meer over zijn tijd in Berlijn. Lang niet alles hiervan heb ik nu opgeschreven. Mij is echter wel duidelijk, na tamelijk veel gesprekken met allerlei mensen uit Beesd, die op de een of andere wijze de oorlog hebben meegemaakt, dat wij er geen idee van hebben, op welke verschrikkelijke wijze onze jonge Nederlanders in de werkkampen in Duitsland geleden hebben. Meerdere malen in gesprekken met vooral de Hr. van den Dungen en de Hr. Krielen, kon ik gewoon niet geloven dat dat allemaal gebeurd was. Ook voor hen is niet alles voorbij. De gedachten en herinneringen aan die tijd doen vaak veel pijn. Ik hoop, dat door deze verhalen, wij beseffen, wat die mensen toen hebben meegemaakt.
Eventjes "vrij" op de A.E.G.fabriek in Berlijn. Rechts: Jan van den Dungen.
Sientje van Straten
Al eerder in dit boekje schreven we over de Joden van Beesd. Sientje woonde met haar drie broers in de Voorstraat. Het huis stond tegenover de Hervormde kerk. Nu woont op de plaats waar vroeger de slagerij stond, de Familie van Tussenbroek.
Het toeval wil, dat juist de Heer en Mevrouw van Tussenbroek een hele belangrijke rol hebben gespeeld voor een aantal Joden hier in Beesd tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De drie broers van Straten hadden aan de Voorstraat een slagerij en een boerderij. De slagerij was een heel goede slagerij. Deze slagerij werd gerund door Salomon en Harry. Hartog was degene die voor de boerderij zorgde. De drie broers en Sientje waren al aardig op leeftijd, ongeveer zestig jaar oud.
Salomon was degene die vooral in de slagerij werkte en het vee slachtte. Hij was een van de beste slachters in de verre omtrek. Harry was vaak op pad met zijn hittekar om het vlees bij allerlei mensen te brengen: bij welgestelde mensen, want Harry had kwalitatief goed en dus duur vlees. Harry had zijn klanten in de verre omtrek. Zelfs tot in Hagestein en Meerkerk. Dankzij de goede contacten met al zijn klanten kon hij in 1942 aan een onderduikadres komen in Hagestein bij boer van Diesel. Dankzij een andere welgestelde Joodse familie in Beesd – de familie Hecht – hadden de drie broers vernomen dat ze moesten onderduiken. Hartog en Salomon konden terecht bij van Diesel. Harry zelf vond een adres in een dorp in de omgeving van Beesd. Zoals reeds eerder geschreven, trof Harry het bijzonder slecht en werd hij op zijn onderduikadres uitgebuit. Het was zelfs zo, dat Harry het in het geheel niet erg vond daar na vier maanden te worden ontdekt. Hij kon echter niet weten, welke verschrikkelijke gevolgen dat zou hebben.
Maar hoe verging het Sientje?
Sientje ging naar Gerrit van Tussenbroek, die in de Wilhelminastraat woonde op nr. 17. Gerrit werkte vaak samen met zijn oom Drikus op de boerderij van de van Stratens. Vooral in oogsttijd was er voor de jonge Gerrit volop werk. Gerrit was getrouwd en kon goed opschieten met de familie van Straten. Toen bekend werd, dat de Joden in Beesd moesten vluchten, kwamen zowel Sientje als Salomon bij Gerrit om te vragen, waar ze konden onderduiken. Gerrit woonde echter in een kleine arbeiderswoning en had onvoldoende ruimte voor Sientje en Salomon. Voor Sientje was er plaats op de zolder. Gelukkig kon Salomon toch nog een plaats vinden bij van Diesel.
'Ik herinner mij nog', vertelt Gerrit, dat ze hier in de Voorstraat van elkaar afscheid namen. Een afscheid, dat ik niet snel vergeet. Ze gingen allemaal op een avond naar hun onderduikadres toe. Ik zou voor Sientje zorgen.'
En zo gebeurde het. Gerrit kwam 's avonds met een kruiwagen naar de Voorstraat om Sientje op te halen. Sientje was een heel klein vrouwtje en kon met niet al te veel moeite zich goed in de kruiwagen verstoppen. 'Ik legde er een paar aardappelzakken overheen, zodat niemand iets kon zien', vertelt Gerrit. 'Na een poosje dacht ik dat ik achtervolgd werd. Voor alle zekerheid ben ik toen bij de smid in de Achterstraat de hof opgegaan en heb ik daar de kruiwagen neergezet. Tegen Sientje fluisterde ik, dat ze rustig moest blijven zitten. Ik zou zo wel terug komen.'
En inderdaad werd Gerrit door een nog onbekend persoon achtervolgd. Na een klein kwartiertje was het gevaar geweken en haalde hij de kruiwagen met Sientje erin weer op en liep verder ongemoeid naar de Wilhelminastraat. Daar werd op de zolder een kamer ingericht voor de Jodin. Er was daarboven natuurlijk geen stromend water en elektriciteit. Er was een bed en de welbekende lampetkan en een olielampje aan de muur. Daar op die zolder heeft Sientje ruim twee jaar ondergedoken gezeten. Ze wilde voor haar kost en inwoning gewoon betalen: f. 20,- per week. (Tegen het eind van de oorlog moest er voor een pond boter f. 80,- betaald worden).
Geen enkele keer durfde ze naar buiten te gaan om even een frisse neus te halen. 'Ik stelde nog wel eens voor om 's avonds even naar achter te lopen', vertelt Gerrit, 'maar daar wilde zij niets van weten. Ze was veel te bang ons in gevaar te brengen.'
Men moet weten dat op het verbergen van Joden de doodstraf stond. En dat wisten Gerrit en zijn vrouw. Men wilde dan ook alle risico vermijden. Men vertelde niemand in Beesd, dat Sientje bij hen zat ondergedoken. De buren en familie wisten er allemaal niets van. Pas aan het eind van de oorlog vertelde Gerrit het aan zijn eigen vader. 'Dat kwam zo', zegt Gerrit. 'Ik kwam mijn vader op de Appeldijk tegen en ook hij had in het dorp gehoord dat ze Sientje ergens gezien hadden. Dat kon natuurlijk nooit, want Sientje zat bij mij. Maar ik kon mijn eigen vader toch wel vertrouwen?' dacht Gerrit. En op die dag vertelde Gerrit zijn geheim. Er was overigens nog een persoon in Beesd, die wist van de moedige daad van de familie van Tussenbroek. Dat was dokter van der Hooft. Deze Beesdse dokter was actief in het verzet. Dankzij deze huisarts kwam Gerrit aan voldoende broodbomen voor Sientje. De dokter kwam ook wanneer Sientje ziek was. 'Sientje is een keer verschrikkelijk ziek geworden', herinnert Gerrit zich opeens. 'Ze was zo ziek, dat ik echt dacht dat ze dood zou gaan. Ze rilde van koorts en was kortademig. Ik maakte mij toen erge zorgen, want wat moest ik doen wanneer Sientje echt dood zou gaan? Zou men mij geloven dat Sientje een natuurlijke dood was gestorven? Ik besprak dit probleem met dokter van der Hooft en hij stelde mij gelukkig gerust', aldus Gerrit.
Sientje is toen weer beter geworden dankzij de goede zorgen van de vrouw van Gerrit. Ze kreeg extra groenten en veel vlees. Sientje moest altijd in haar eentje eten. Mevrouw van Tussenbroek bracht iedere avond het eten boven. Het dochtertje van de familie van Tussenbroek – ze was toen drie jaar – vroeg zich af waarom moeder toch eten boven bracht. 'Mamma brengt het muisje eten', vertelde moeder dan. 'Op zolder woont een muisje en dat moet toch ook eten.' En zo geloofde het dochtertje, dat moeder iedere avond naar boven ging om 'het muisje' eten te geven. Natuurlijk was Sientje niet altijd stil boven op zolder. Wanneer er toevallig toch wat lawaai kwam van de houten zolder, dan was dat natuurlijk 'het muisje' dat lawaai maakte. En zo werd het mogelijk de Jodin zolang heimelijk te verbergen.
's Avonds kwam Sientje wel naar beneden. Immers na 6 uur mocht niemand meer op straat komen. Dan was het dus redelijk veilig om beneden met Sientje gezellig te kletsen. 'Een enkele maal in al die jaren werden we 's avonds plotseling door vrienden of familie toch gestoord', vertelt Gerrit, 'Sientje moest dan snel naar boven. Dat leidde dan wel tot wat gehaast aan de achterdeur, maar daar zit ik niet zo mee. Slechts een keer hadden we geen tijd meer om Sientje naar boven te krijgen. Toen kwam mijn moeder op bezoek. Die wist van het verblijf van Sientje niets af! In alle haast hebben we toen het dressoir naar voren geschoven. Daar heeft Sientje toen minstens anderhalf uur doodstil achtergezeten.'
De familie van Tussenbroek deed 's avonds uit voorzorg wel de luiken dicht en op het fornuis liet men de gehele avond een ketel water stomen. De ruiten van het venster aan de achterzijde, waar geen luiken voor zaten, besloegen dan flink. Niemand kon dan zien dat Sientje beneden zat.
Voor de rest zat Sientje altijd boven. Boven was wel een raam. Op bijgaande copie van een foto van het huis is dat raam goed te zien. Daar zat Sientje dan stiekem achter een gordijn naar buiten te gluren.
Duitsers in Beesd
In september 1944 zagen we eigenlijk voor het eerst Duitsers in Beesd. Door het oprukken van de geallieerde legers in het zuiden van ons land werden er honderden Duitse soldaten in Beesd ingekwartierd. Iedere boerderij aan de Parkweg kreeg wel inkwartiering van een stuk of tien Duitsers.
Zo ook de familie Piek. Een van de zoons heette Dirk. Hij trouwde later met Lies Kok uit Wassenaar.
'Ik was toen twintig jaar', vertelt mevr. Piek-Kok. 'Ik herinner mij die oorlog nog heel goed. Wel dertien keer ben ik met de fiets van Wassenaar naar Beesd gereden. Wat ik toen onderweg allemaal heb meegemaakt is nauwelijks met een pen te beschrijven. Vooral bij het Veer van Culemborg heb ik angstige uren doorgemaakt.'
Van de vele verhalen van Mevr. Piek bleef één verhaal mij in het bijzonder bij. Het is het verhaal van Adriaantje.
'Bij Piek hadden ze Duitse inkwartiering en iedere morgen gingen de Duitse soldaten op pad naar de kookwagen. Deze stond bij Bouman aan de Parkweg. Iedere ochtend was er ook in de kerk een kindermis. De meeste katholieke kinderen gingen dan ook 's morgens op pad om naar de kerk te gaan. Adriaantje, de jongere broer van Dirk ging ook. Op een gegeven moment kwamen er vliegtuigen over, die laag over de Parkweg heen kwamen en aanvallen uitvoerden op een aantal rijdende Duitse militaire auto's. Er was natuurlijk paniek en iedereen dook de greppel in. De kinderen wisten in het geheel niet wat er allemaal gebeurde. Adriaan liep toen op de Parkweg, waar nu de fam. v.d. Heuvel woont; even voorbij de huidige begraafplaats. Een Duitse soldaat die bij ons ingekwartierd was en reeds een veilig heenkomen had gezocht, is toen de geheel overstuur zijnde Adriaan van de weg af gaan halen. Bij deze actie werd de soldaat echter geraakt en is even later aan zijn verwonding bezweken. Wij kenden deze soldaat omdat hij bij ons was ingekwartierd. Hij was smid van beroep. Ik weet nog dat hij een foto liet zien waarop hij stond met een aantal knechten. Hij vertelde toen, dat al die knechten in de oorlog al waren omgekomen.'
Een goede vijand
Het verre Nederlands-Oost-Indië, dat nu Indonesië heet, is in de Tweede Wereldoorlog, net als Nederland, óók bezet geweest. Niet door de Duitsers, maar door de Japanners. Mijn vader, die dienstplichtig soldaat was, is aan het begin van de bezetting krijgsgevangen gemaakt. Mijn moeder is met haar vier kinderen eerst nog vrij gebleven, maar een klein jaar later belandden wij allemaal in een burger interneringskamp. Alle Nederlanders werden namelijk door de Japanners gevangen genomen en in zogenaamde 'beschermingskampen' opgesloten.
Eerst was het hele gezin, behalve mijn vader, nog bij elkaar maar al gauw werden alle jongens van 14 jaar en ouder overgebracht naar aparte mannenkampen. Ik was 14 jaar, dus werd ik ook naar zo'n mannenkamp gestuurd. Wat erger was, nog een half jaar later werden ook de jongens van 10 jaar en ouder bij hun moeders weg gehaald en in deze mannenkampen gestopt. Dat betekende, dat je je moeder niet meer kon zien, niet meer kon spreken en zelfs niet meer kon schrijven! Ik heb die jongetjes in ons kamp huilend zien binnen komen, heel erg.
Op een kwade dag werd één van deze kleine jongens heel erg ziek; hersenvliesontsteking. En dat, terwijl de goede medicijnen daarvoor er gewoon niet waren. Hij verkeerde dus in groot levensgevaar.
Nu werden die kampen bewaakt door Indonesische soldaten in Japanse dienst met twee Japanners aan het hoofd, een commandant en een onder-commandant. In ons kamp in Ambarawa waren dat Takata als commandant en Tsujama als onder-commandant. Omdat dat jongetje zo heel erg ziek was, is onze Nederlandse kampdokter toen naar de Japanse commandant, Takata, gegaan om te vragen of de moeder van dat jongetje, dat vrijwel zeker dood zou gaan, op bezoek zou mogen komen. Het toeval wilde, dat deze moeder in een vrouwenkamp in precies dezelfde staat leefde, ongeveer 800 meter verder weg. 'Nee', zei Takata, 'pas als die jongen dood is, mag de moeder komen, niet eerder'. De onder-commandant Tsujama stond daar bij en zei niets.
's Avonds ging Takata uit, zijn mooiste uniform aan en zijn beste samoeraizwaard aan zijn zijde hangend. Tot onze grote verbazing kwam een half uurtje later Tsujama met de moeder van het zieke jongetje het kamp binnen lopen en toen mocht de moeder een half uurtje bij haar zieke zoontje zijn.
Helaas is dat verraden, door wie weten wij niet, waarschijnlijk door een Indonesische soldaat. In ieder geval kwam Takata er achter en Tsujama verdween van het toneel. Pas twee weken later kwam hij terug. Aan de sterretjes op zijn kraag zagen wij, dat hij een lagere rang had gekregen, dus gedegradeerd was en zijn hals zat vol grote blauwe plekken van de slagen, die hem waren toegediend. Wij spraken hem aan en vroegen wat er met hem gebeurd was. Hij zei dat de militaire politie hem had gezegd, dat als er nog eens zoiets zou gebeuren, hij onthoofd zou worden. Toen vroeg hij of het jongetje nog leefde. Wij zeiden hem, dat dat zo was, maar dat hij nog steeds heel erg ziek was.
Wat niemand verwachtte, gebeurde toch. Op een avond ging Takata weer uit en kwam even later Tsujama met de moeder van de zieke jongen het kamp in. Gelukkig voor hem is Takata er toen niet achter gekomen. Na een lang ziekbed is het jongetje wonder boven wonder toch weer beter geworden en hij heeft de oorlog overleefd.
Het spreekt vanzelf, dat wij allemaal een diep respect hadden gekregen voor de moed van Tsujama. Maar wat misschien nog wel het belangrijkste is geweest, is, dat wij midden in die nare oorlog, het inzicht kregen, dat er óók onder je vijanden goede mensen bestaan. De les, die wij geleerd hebben is, dat er in die oorlog niet alleen slechte Duitsers en slechte Japanners waren en dat wij nooit een volk of een bevolkingsgroep over één kam mogen scheren.
A.D. Zijderveld
Van Ammerzoden naar Beesd
In mei 1940 moesten de inwoners van Beesd evacueren naar Gouda en Waddinxveen. Deze evacuatie duurde gelukkig maar even. Na een week kon men weer huiswaarts gaan. Anders was dit met de vele mensen uit de dorpen langs de Maas. Zij lagen met hun huizen in de frontlinie. De Duitsers verplichtten hen hun huizen te verlaten en elders woonruimte te zoeken. En zo kwam ook de familie Verlouw en de familie van Wordragen in Beesd. Mevr. Verlouw is na de bevrijding in Beesd blijven wonen en woont nu samen met haar man op de Homburg. Ik ging haar eens vragen wat zij nog van die evacuatie weet.
Het was december 1944. We woonden vlakbij het Slot Well. Dat is een klein kasteeltje in de buurt van Ammerzoden. De inwoners van Ammerzoden waren in september reeds geëvacueerd. Wij wilden toen niet weg. Op 8 december kwamen de Duitsers bij ons ook aan de deur en of we wilden of niet, we moesten ons huis uit. Het was de bedoeling dat we naar Friesland gingen. Daar was bijna iedereen naar toe gegaan. Wij hadden echter familie in Gameren wonen en samen met nog een andere familie zijn we naar het dorp Gameren bij de stad Zaltbommel gegaan. Wij hadden geen vervoer, maar de van Wordragen hadden een paard en wagen. Daar werden o.a. de matrassen opgelegd en andere noodzakelijke spullen. In Gameren konden we echter niet lang blijven. De geallieerde legers rukten steeds verder op en eind januari lag ook Gameren in de vuurlinie. Opnieuw moesten we onze spullen pakken en een veiliger heenkomen zoeken. We kenden iemand in Beesd en al lopend kwamen we bij de familie van Bremen aan de Veerweg. Daar mochten we in een oude kolenschuur verblijven. Erg veel ruimte hadden we daar niet voor ons twaalven. Maar goed, we waren blij dat we woonruimte hadden. Al gauw kregen we kennis aan Hendrik van Ballegooy. Dat was een geweldige man. Hij zorgde ervoor dat we betere woonruimte kregen en wel op het dorpsplein bij Kees van den Heuvel. Dat was een heel grote boerderij. Wij mochten op de korenzolder vertoeven. Tot het eind van de oorlog zijn we daar gebleven.
En zo verging het veel mensen. Een probleem was nog wel hoe je aan voldoende eten kwam voor het gehele gezin. Natuurlijk had je stamkaarten en kreeg je je bonnen. Maar je moest toch ook geld hebben om alles te kunnen kopen. De kinderen Verlouw gingen dus in het dorp werk zoeken. Zo ook Lies Verlouw. Als meisje van 22 jaar kon ze, net als haar moeder, uitstekend naaien.
Ik ging gewoon langs de deuren en vroeg of ze naaiwerk voor mij hadden. En zo kwam ik aan mijn klanten. Ik kreeg alleen geen geld voor het naaiwerk, maar eten. Ik deed het naaiwerk ook bij de mensen thuis, want op de korenzolder was natuurlijk niet voldoende plaats. Al snel had ik mijn vaste klanten. Mijn broer vond werk bij een boer. En zo kwamen wij aan wat eten. Al dat eten werd klaargemaakt op de potkachel op de zolder. Het viel niet mee om al die maanden de goede moed er in te houden. Veel steun hebben we toen gehad aan Hendrik van Ballegooy. Vaak kwam hij op bezoek en als hij dan weg ging, zei hij altijd maar weer: 'Deze week is de oorlog voorbij'. Ja, dat was een zeer optimistisch man, vervolgt Lies Verlouw. Na de bevrijding is Lies in Beesd gebleven. Ze leerde Gerard Kielenstijn kennen en trouwde met hem. Samen wonen ze nu nog steeds op de Homburg in Beesd.
Op zoek naar woonruimte
De evacués kwamen niet alleen uit het zuiden. In 1942 al besloten de Duitsers dat er langs onze Nederlandse kust ook steden en dorpen ontruimd moesten worden. Zo gebeurde dat ook in Zandvoort. Alle huizen die vanuit zee zichtbaar waren, moesten niet alleen worden ontruimd, maar ook gesloopt. De vijand mocht vanaf zee immers nergens bebouwing zien. Die sloop begon in november 1942. Maar liefst 650 panden werden met de grond gelijk gemaakt. In Zandvoort woonden toen een 9800 mensen. Slechts 1800 personen mochten blijven in Zandvoort. De rest werd, wanneer zij niet elders in Nederland bij familie of kennissen konden worden ondergebracht, richting Friesland en Groningen gestuurd. En zo moest het ook gaan met de familie Berkhout. Ook zij moesten evacueren. Maar het gezin Berkhout was een groot gezin. Er waren nog tien kinderen thuis. Moeder moest daar alleen voor zorgen, want vader was vorig jaar overleden. Men verdiende de kost met een aannemersbedrijf. Het zou dus niet simpel zijn een goed evacuatieadres te vinden. Ze wilden eigenlijk naar Medemblik. Daar hadden ze familie wonen, maar het noorden van Holland was verboden gebied. In Friesland en Groningen kende men echter niemand. Gelukkig wist een neef een oplossing. Hij had familie in Beesd wonen: De familie Kroezen in de Voorstraat. Hij stelde voor om daar maar eens naar toe te gaan. Henk Berkhout, een van de zoons, ging daarom samen met zijn broer Dirk met de trein op weg naar Beesd. In Beesd gingen ze met de dochter van Piet Kroezen op zoek naar geschikte woonruimte.
'En dat viel niet mee', vertelt de Hr. Berkhout. 'Nergens vonden we een plek waar wij met z'n allen konden verblijven. Uiteindelijk kwamen we bij het Hoog Huis in de Achterstraat. Daar konden we twee kamers huren. Een broer van Piet Kroezen woonde in café "De Noteboom". Daar mochten we een zaaltje als woonruimte gaan gebruiken. We hebben met wat schotten toen alles in orde gemaakt. Toen het klaar was, hebben we moeder met de kinderen laten komen. In het café gingen we wonen, maar er was te weinig slaapruimte voor iedereen. De meeste kinderen moesten daarom 's avonds gaan slapen in het Hoog Huis. De jongens boven en de meisjes beneden. We hebben toen ook nog de gehele inventaris van ons aannemersbedrijf laten overkomen. We konden een schuur huren in de Middenstraat en daarin hebben we het bedrijf gevestigd. Met een goederenwagen hebben we alles naar Beesd laten overkomen. Dat kon in 1942 nog. Alles is redelijk goed gegaan tot september 1944. Toen kwamen er voor het eerst Duitsers in Beesd.
De Duitsers zochten overal en nergens onderdak voor de soldaten. Zo eisten ze ook, dat het gehele café De Noteboom ontruimd werd. Ook Everard Kroezen en zijn gezin moest eruit. Ik ben toen naar de nonnen gegaan. De nonnen woonden in het klooster aan de Voorstraat en zij zorgden voor de Meisjesschool die daar vlakbij stond. Gelukkig konden zij ons helpen. Er was nog een lokaal leeg en dat mochten wij als slaapruimte gebruiken. Ook over enkele chambrettes (slaapkamertjes van de zusters) op de zolder mochten we beschikken. We hadden nu zoveel ruimte, dat we de kamers in het Hoog Huis aan andere evacués konden geven. In die laatste maanden van de oorlog werd het eten wel een probleem. Gelukkig werkte mijn broer Paul bij een boer op Mariënwaerdt: Jan Smits. Deze boer heeft ons ontzettend geholpen. We kregen van hem aardappelen en koren. We mochten daar zelfs over een koe beschikken. Dat betekende, dat we zowel 's morgens als 's middags een emmer melk hadden.'
Van die melk karnden we vaak boter. Maar ondanks dit alles, werden er toch enkele broers en zusters van mij ziek. Het begon met Dirk, mijn oudste broer. Hij kreeg tuberculose: T.B. Gelukkig konden we voor hem een speciaal kamertje bij de nonnen krijgen. Daar kon hij goed verzorgd worden.
Dankzij de hulp van dokter van der Hooft konden wij aan een tuinhuisje komen, dat we in de tuin van de school konden plaatsen. Jan, die ook T.B. had, kon nu van de muffe zolder af en op krachten komen in de frisse lucht.
5 mei 1945. Eindelijk was het bevrijding. Een dag later was ik terug naar Zandvoort gegaan om eens te kijken hoe het met ons huis stond. Dat viel nogal tegen. Er was geen ruit meer heel en alles wat maar een beetje van waarde was, had men er uit gesloopt. Zelfs leidingen e.d. We hebben toen het huis zo goed als het ging opgeknapt en toen alles weer enigszins in orde was, heb ik mijn moeder met mijn broers en zussen weer naar Zandvoort laten brengen. Degenen die nog ziek waren, mochten in Zandvoort bij de zusters Franciscanessen komen en werden daar verzorgd.'
En zo kwam en ging de familie Berkhout van Beesd naar Zandvoort. In 1946 vroeg Everard Kroezen of Henk de schuur tegenover café 'De Noteboom' wilde verbouwen tot ontspanningscentrum. Dat gebeurde. Henk kwam naar Beesd, trouwde met de dochter van Everard en ging later wonen in de Voorstraat in Beesd. Daar woont hij nog steeds. Het aannemersvak zit deze familie trouwens wel in het bloed, want zijn zoon Piet Berkhout, die ook in Beesd woont, is een bekend aannemer.
Verzetsmensen in ons dorp
Zoals reeds eerder geschreven, was het tot september 1944 vrij rustig in Beesd. Tot die tijd waren er nauwelijks Duitsers in Beesd geweest. Maar gedurende die vier jaar en ook daarna natuurlijk is door een aantal mensen uit ons dorp zeer belangrijk werk gedaan.
Er waren immers in Beesd veel onderduikers. Al die mensen – en dat waren er vele tientallen – waren niet zomaar aan de onderduikadressen gekomen. En het eten? Voor onderduikers lagen er geen bonnen klaar! Dat zij toch de oorlog hebben overleefd, is voor een aanzienlijk gedeelte te danken aan een vijftal moedige mensen:
Dokter van der Hooft, Wachtmeester Kokkeling, Gerrit van Beekhuizen, De Freule Annemarie van Verschuer
Graag had ik met al deze mensen een gesprek gehad. De Hr. Kokkeling is helaas al overleden. Door tijdgebrek gelukte het alleen om met de molenaar van Beesd – Gerrit van Beekhuizen – te praten over 'Het Verzet' in en rond Beesd.
'Het begon allemaal in 1941', vertelt de Hr. van Beekhuizen. 'Op last van de overheid kwamen er in Beesd bordjes te staan met het opschrift "Verboden voor Joden". Deze bordjes stonden o.a. bij het zwembad. Wij haalden die bordjes weg. Zo begon zonder enige organisatie het verzet in Beesd. Op de een of andere manier is de Raad van Verzet in Amsterdam achter mijn naam gekomen en vroegen ze mij een geheime zender in Beesd te plaatsen. Deze zenders werden steeds van plaats verwisseld, om te voorkomen dat de Duitsers ze zouden opsporen. Via een koerier kwam die zender in 1942 aan. Gedurende drie weken heeft heeft hij hier afwisselend op de molen en in een boot op de Linge gestaan. Helaas werd de persoon met wie wij radio-contact hadden, in Utrecht opgepakt en zoals later bleek gefusilleerd. Later in de oorlog is er nog een aantal weken een zender hier op de molen geweest. Dat zal ik straks nog wel vertellen.'
En zo vertelt de Hr. van Beekhuizen in alle bescheidenheid wat er zoal in Beesd moest gebeuren. 'De freule van Mariënwaard, de zuster van de baron, heeft onnoemelijk veel in de oorlog gedaan', vertelt hij verder. Ook zijn vrouw beaamt dat. 'De freule heeft zich vooral ingezet voor de joden. Via de L.O.K.P., een landelijke stichting voor hulp aan onderduikers, werd gevraagd allerlei joden naar veilige adressen te brengen. De freule heeft daarin een zeer belangrijke rol gespeeld. Vooral kinderen werden via het huis van Mariënwaard naar Limburg en Zeeland gebracht. Mijn vrouw heeft zelf ook een keer een baby van slechts een paar maanden oud naar een onderduikadres in Beesd gebracht.' Zijn vrouw vervolgt: 'De baby werd in een hoge koffer gedaan en tussen dekentjes gelegd. In de koffer werden natuurlijk luchtgaatjes gemaakt. Toen de koffer achterop de fiets en lopen naar het onderduikadres. Die tocht vergeet ik nooit meer.'
'Gelukkig is de baby veilig aangekomen', vertelt Mevr. van Beekhuizen. 'Nog veel angstiger vond ik de treinreis met een ander Joods onderduikertje. Dat Joodse meisje was nog maar een kleuter. Ze was een dochtertje van de Duits-Joodse familie Hecht in Beesd. De ouders hadden al een onderduikadres, maar de kinderen zouden door ons naar verschillende adressen gebracht worden. Ik moest het meisje met de trein naar het onderduikadres brengen. In de trein zaten ook Duitse soldaten. En je kent kinderen. Die snappen niet wat ze wel en niet mogen zeggen. Ik hield mijn hart vast toen het meisje vroeg: "Wo ist dann meine Mutti?" Gelukkig liep ook dit goed af.'
'Maar wat de freule al die jaren heeft gedaan, is geweldig', vertelt Mevr. van Beekhuizen. 'Ik denk, dat ze wel vijftig tot zeventig Joodse kinderen aan een veilig onderduikadres heeft geholpen.' 'Ik weet nog', vertelt de Hr. van Beekhuizen, 'dat ik een keer bij haar was op de Hoge Spijk. In het huis zaten ook een aantal onderduikers. Op een gegeven moment komen er Duitsers aan de deur. Snel wordt een luik in de kamer geopend en verdwijnen de onderduikers. Het kleed wordt over het luik gelegd en de moeder van de Freule – Mevr. van Verschuer – gaat op het kleed aardappels schillen. Dit mandje met aardappels stond altijd klaar, wanneer er opeens dit soort dingen gebeurde. Zonder te kloppen kwamen er twee Duitsers binnen. "'Eruit!!"' riep Mevr. van Verschuer tegen de Duitsers. "Eerst kloppen in dit huis". De Duitsers verdwenen en klopten keurig op de kamerdeur. Zo was zij!'
Een groot probleem waren ook de vele onderduikers in Beesd. Zij moesten aan bonnen en stamkaarten zien te komen. Van verschillende mensen kregen ze zo af en toe wel eens wat bonnen. Maar dat was lang niet genoeg. Nu lagen er op het gemeentehuis persoonskaarten. Met zo'n persoonskaart kon je weer aan een persoonsbewijs komen en aan de distributiekaarten. Het was dus belangrijk aan die kaarten te komen. Ja, en dat ging onder bedreiging. Want de meeste mensen in Beesd en de andere dorpen durfden maar bitter weinig. Pas als je dreigde met van alles en nog wat, dan deden ze iets voor je. Zo ook met die persoonskaarten. We gingen gewoon naar zo'n ambtenaar en eisten van hem dat hij iedere maand minstens vijf persoonskaarten voor ons achterover drukte. Wanneer dat niet gebeurde, dan kon hij op maatregelen rekenen. Op die manier kwamen wij aan de noodzakelijke spullen voor de onderduikers. Zo af en toe werd er ook iemand overvallen die bonnen bracht van het ene distributiekantoor naar het andere. Het kantoor van Beesd zat bij de Hervormde kerk. Louis de Haas die daar een tijdje heeft gezeten, heeft ons ook aan de nodige bonnen geholpen.
Dan had je nog de wapendroppings. Het verzet in de regio had wapens nodig. De wapens, maar ook andere spullen werden door vliegtuigen afgeworpen. Via een code-boodschap van Radio Oranje hoorde je wanneer er zo'n dropping was. Die waren natuurlijk altijd 's nachts. Zo'n dropping vereiste zeer veel voorbereiding. Er mocht natuurlijk niets fout gaan. Alle toevoerwegen moesten door verzetsmensen gecontroleerd worden. Op een bepaald weiland moesten lichtseinen gegeven worden. Zo gelukte een wapendropping in het Culemborgse veld. Een paar maanden later mislukte een dropping bij Mariënwaard volkomen. Via Radio Oranje hadden we 14 dagen lang geluisterd of onze code zou worden doorgegeven. Die code was weer enige weken eerder door een koerier aan ons medegedeeld. Helaas hadden wij bij deze dropping te weinig mankracht om alles veilig te laten verlopen. Toen het vliegtuig 's nachts overkwam moesten we met lichtseinen laten weten, dat droppen te onveilig was. Jammer, maar er mocht geen overbodig risico genomen worden. Wanneer je gesnapt werd, dan had je immers alle kans op de doodstraf.
Zo herinner ik mij ook nog, dat we enkele wapens uit Culemborg moesten halen en naar Beesd moesten vervoeren. In de molen waren op dat moment een aantal evacués uit Ophemert. Ik vroeg aan één van hen om mee te gaan naar Culemborg. Op zo'n ouderwetse transportfiets vertrokken wij. De jongen uit Ophemert voorop. In Culemborg haalde ik op een adres een meelzak met wapens op. De jongen ging daar bovenop zitten en wij reden weer terug naar Beesd. Thuisgekomen liet ik hem zien waar hij de gehele tijd op had gezeten. Ja, dat was een spannend fietstochtje.'
Weer iets anders was de sabotage aan de spoorlijn tussen Leerdam en Geldermalsen. Van de koerier had Gerrit doorgekregen dat alles gedaan moest worden om de treinen uit Rotterdam tegen te houden. Het was 1944 en de Duitsers hielden grote razzia's in de grote steden om aan voldoende mannen te komen voor het werk in Duitsland: De arbeidseinsatz. In Rotterdam werden dagelijks grote razzia's gehouden en al die jonge Nederlandse mannen zouden per trein naar Duitsland worden gebracht. Het Nederlandse verzet heeft toen alles gedaan om die treinen niet te laten vertrekken, door op heel veel plaatsen de spoorrails te vernielen. In ieder dorp kregen de verzetsmensen de opdracht stukken rails onklaar te maken. Zo ook gebeurde dat in Beesd.
'De Duitsers hadden lucht gekregen van de op handen zijnde sabotage en lieten de spoorlijnen door de bewoners zelf bewaken. Bijna iedereen in Beesd moest in november 1944 daarom wacht lopen langs de spoorlijn. (Elders in dit boekje treft men een vordering voor de Hr. Bertels, die zich op bepaalde dagen moest melden voor deze bewaking.) Wij hadden dus de opdracht de rails onklaar te maken. Dat mocht natuurlijk niet ten koste gaan van de veiligheid van de Beesdenaren. Daarom werd een stuk rails opgezocht waar alleen Duitsers patrouilleerden. Bij het lukken van de actie zouden immers zij op hun donder krijgen, omdat zij niet goed hadden wachtgelopen. Dagen lang hebben we alle tijden opgeschreven van wachtlopen en aflossen. Het bedoelde traject lag voorbij Mariënwaerdt: Bij de Neust richting Tricht. De sabotage gelukte en niemand van Beesd werd er echt de dupe van.
In 1944 was er ook in ons land een grote spoorwegstaking. Deze staking had tot doel ervoor te zorgen dat er geen treinen met mannen voor de Arbeidseinsatz naar Duitsland konden vertrekken. Ook in Beesd woonden een aantal spoorwegmensen. Dokter van der Hooft en andere leden van de verzetsgroep hebben toen het geld opgebracht voor die stakende arbeiders. Op die manier droeg ook Beesd zijn steentje bij aan deze staking.'
Maar niet alleen Gerrit van Beekhuizen deed actief mee aan het verzet. Een zeer dapper man was ook dokter van der Hooft. Deze Beesdse arts leeft nog steeds en woont thans in Amersfoort. Via dokter van der Hooft kon heel veel geregeld worden. Je kon hem 200% vertrouwen. Wanneer er iemand van de onderduikers ziek was, dan kon je zonder probleem dokter van der Hooft halen. Dat was in andere dorpen wel anders. Hij hielp ook mee bij het rondbrengen van de bonkaarten en bonnen. Hij kon immers overal komen.
'Zo herinner ik mij nog een mooi verhaal van de dokter', vertelt de Hr. van Beekhuizen. 'In 1944 werd Daan van den Heuvel door de Duitsers opgepakt. Hij had een geweer gestolen van de Duitsers. Daan werd naar Geldermalsen gebracht en vastgezet. De ouders van Daan waren natuurlijk geheel overstuur en vroegen dokter van der Hooft om hulp. De dokter ging vervolgens op een oude fiets, waar geen band omheen zat naar Geldermalsen. Daar aangekomen vertelde hij tegen de Duitse soldaten, dat die man uit Beesd nogal gevaarlijk was. De dokter vertelde, dat de man eigenlijk krankzinnig was en bij een aanval een gevaar voor zijn omgeving was. Toen de Duitsers dat hoorden, behoefden ze niet lang na te denken en gaven de man aan de dokter uit Beesd mee. Samen zijn ze toen op de fiets naar Beesd gegaan.'
Een andere verzetsvriend van de Hr. van Beekhuizen in die tijd was wachtmeester Kokkeling. Iedereen in Beesd kende hem natuurlijk. Kokkeling kon als politieagent overal komen en was dus voor het verzet van onschatbare waarde. Dankzij hem kwam het verzet in Beesd aan allerlei belangrijke informatie. Hij wist vaak als eerste, wanneer de onderduikers zich echt schuil moesten houden. Hij gaf dat allemaal door aan de betrokkenen. Samen met Gerrit van Beekhuizen heeft hij menig angstig avontuur moeten beleven.
'Een hele gevaarlijke actie met Kokkeling was wel het saboteren van het opblazen van de Lingebrug', vertelt de Hr. van Beekhuizen. 'Het was het voorjaar 1944. In januari hadden de Engelse vliegtuigen geprobeerd de Lingebrug te bombarderen. Middels het kapot schieten van de brug wilden de Engelsen de terugtocht van de Duitsers vertragen. Nu de Duitsers teruggetrokken waren tot over de Linge, was het belangrijk dat de bruggen heel bleven om straks geen oponthoud te bezorgen bij de opmars van de geallieerden. De Duitsers hadden echter dynamiet aangebracht onder de brug om bij het oprukken van de Amerikanen de brug te vernielen. Wij kregen van de koerier de opdracht de brug te behouden. Dat was geen gemakkelijke opdracht. Want wanneer de Duitsers sabotage zouden ontdekken, zouden er ongetwijfeld represailles genomen worden tegen de Beesdse bevolking. Daar waren al genoeg voorbeelden van in ons land. We kregen van dokter van der Hooft een chemisch middeltje. Met een injectienaald moest je dat spul in de ontstekingsdraden spuiten. De draden gingen dan in zeer snelle tijd roesten en de verbinding naar het dynamiet kon niet gemaakt worden. Samen met Kokkeling ging ik 's nachts op pad. Ik had de afspraak met Kokkeling gemaakt, dat hij mij moest arresteren als er Duitsers aankwamen. Die nacht herinner ik mij nog uitstekend. Het is allemaal prima gelukt. De brug is inderdaad niet opgeblazen bij het vertrek van de Duitsers. Ik had voor wachtmeester Kokkeling zeer grote bewondering. Hij was vader van 7 kinderen en toch bereid om aan dergelijke acties mee te doen. Dan moet je een zeer dapper man zijn, want je speelde met je leven!'
'In 1944 heeft er hier op de molen ook nog een zender gestaan', vervolgt de Hr. van Beekhuizen. 'Die zender heeft hier in 1944 zes weken gestaan. Het was een zender waarbij je al draaiend aan een slinger voor de stroomvoorziening moest zorgen. Je zond alles uit onder codenamen. Het was mijn taak om door te geven, waar al het afweergeschut hier in de Betuwe was opgesteld. Twee keer per dag moest er uitgezonden worden. Regelmatig kwam aan de molen ook de Engelse geheimagent onder codenaam "Piet". Via deze geheimagent werden er heel wat belangrijke berichten doorgegeven. Je kon natuurlijk ook weer niet alles doorgeven, want altijd dacht je ook aan de veiligheid van de bewoners van het dorp Beesd zelf. Zo is geen melding gemaakt van het grote munitie-depot aan de Platte weg. Die Engelse geheimagent is overigens in Wijk bij Duurstede opgepakt. Waarschijnlijk door verraad werd hij, toen hij bij de kapper was, aangehouden. In een uiterste vluchtpoging rende hij dwars door de winkelruit. Maar helaas mocht dit niet baten en werd hij opgebracht. We hebben nooit meer iets van hem vernomen.' Aldus de Hr. van Beekhuizen.
'Hoe is het eigenlijk afgelopen met dat zevende bemanningslid, dat wonder boven wonder niet gedood werd bij het neerkomen van dat RAF vliegtuig in mei 1943?' vroeg ik. 'Ja, die sergeant Vale had ondanks alles veel geluk. Het staartstuk van dat vliegtuig ging eigenlijk als een klein vliegtuigje naar beneden. De staartschutter kon niet meer bij zijn parachute komen. Het staartstuk kwam neer in een hoog griend. De val werd daardoor danig gebroken en sergeant Vale overleefde het. Wederom was het dokter van der Hooft die hem verzorgde. De jachtopzichter Daam van Dijk, die in de verzetsgroep van Culemborg zat, heeft hem toen enige dagen onderdak geboden. Maar de Duitsers hebben direct na het neerkomen een grootscheepse zoekactie op touw gezet. Ze geloofden namelijk aanvankelijk dat alle bemanningsleden zich met de parachute in veiligheid hadden gebracht. Het vliegtuig brandde namelijk ontzettend. Er was niet te zien of de bemanningsleden waren omgekomen. Door de fanatieke zoekactie van de Duitsers werd de staartschutter alsnog ontdekt en naar een krijgsgevangenkamp in Duitsland gebracht. Na de capitulatie van de Duitsers is sergeant Vale vrijgekomen uit krijgsgevangenschap en terug naar huis gegaan', aldus de Hr. van Beekhuizen.
En zo komt het ene verhaal na het andere. Eigenlijk te veel om allemaal op te schrijven. Zo stuurden de inwoners van Beesd veel mensen die langs de deur kwamen om eten, door naar de molen. Vooral in 1944 waren dat veel mensen. En al waren het er nog zo veel, iedereen kreeg bij de molen twee sneden brood. 'Ja', zegt Gerrit van Beekhuizen, 'want die mensen kwamen om van de honger. Ik heb ze even buiten het dorp zien staan, dat ze mee-aten uit de voerbak van de varkens. Als je dat gezien hebt, dan geef je de mensen wel brood. En wij konden dat enigszins. Bij het malen van het graan gaat er altijd een aantal kilo's meel verloren. Zo komt er uit 1000 kilo hooguit 980 kilo meel. De controledienst lette daar goed op, maar kneep ook nog wel eens een oogje dicht. En zo hield ik wat meel over en dat bakten wij voor de mensen die bij de molen kwamen voor eten. Vaak ook kwamen ze te laat in Beesd aan en konden ze niet meer naar huis. Na spertijd mocht je immers niet meer op straat komen. Die mensen werden ook altijd naar ons gestuurd. We hadden in het laatste oorlogsjaar dan ook altijd mensen hier om te slapen. In het voorhuis woonden ook nog eens een 12 mensen uit Ophemert, die naar hier geëvacueerd waren. Het was hier dus soms een aardige drukte.'
In mei 1945 was daar dan eindelijk de bevrijding. Op last van het militair gezag in Geldermalsen, moest de verzetsgroep in Beesd een aantal nare karweitjes opknappen. Zo werd in Acquoy iemand opgehaald die in de oorlog een actief N.S.B.'er was.
Wachtmeester Kokkeling, Gerrit van Beekhuizen, freule Annemarie van Verschuer en dokter van der Hooft hebben in de Tweede Wereldoorlog veel voor de vrijheid van ons land gedaan. Met gevaar voor eigen leven hebben zij zich ingezet voor het leven van anderen. Ieder van hen heeft daar na de oorlog maar met weinig mensen over gesproken. In alle bescheidenheid heeft de Hr. van Beekhuizen een aantal van zijn belevenissen aan mij verteld. In het gesprek dat ik met hem had, bleek vaak dat hij het in oorlogstijd zeer moeilijk had, wanneer het ging om de veiligheid van de Beesdenaren. Bij alle verzetsacties stond die veiligheid altijd voorop. Soms moest toch enig risico genomen worden.
Uit de vele gesprekken, die ik met verschillende Beesdenaren de afgelopen weken over de oorlogsjaren had, bleek dat niemand eigenlijk goed wist wat onze verzetsmensen in Beesd allemaal deden. Mij is in ieder geval duidelijk dat deze mensen veel gedaan hebben voor onze vrijheid. En nu is mij ook duidelijk waarom na de restauratie van de korenmolen in 1967 er een nieuwe naam kwam voor dit wonderschone bouwwerk: 'De vrijheid'.
Sint Antoniusschool
mei 1990
Beesd