Boekwerk van St. Antoniusschool over Beesd in WOII
Gemeente West Betuwe > Oorlogsjaren Beesd
Dit is een bijzonder waardevol document. Je hebt hier een compleet, door de St. Antoniusschool in Beesd samengesteld boekwerk uit 1990 over de Tweede Wereldoorlog in het dorp. Het is een unieke combinatie van een chronologisch overzicht (Deel A, door M.B.J. Hommelberg sr.) en persoonlijke getuigenissen van dorpsgenoten (Deel B).Hieronder vind je een gestructureerde samenvatting en analyse van de inhoud, opgedeeld in de belangrijkste thema's die in de tekst naar voren komen.
Overzicht en doel van het boekwerk
Aanleiding: Het boek is gemaakt ter gelegenheid van de 50-jarige herdenking van het begin van de WOII (1990). Leerlingen van de St. Antoniusschool wilden meer weten over de oorlog in hun eigen dorp.
Doel: De herinneringen vastleggen voor de kinderen en latere generaties. De nadruk ligt op de lokale beleving.
Samenstelling: Het voorwoord en de coördinatie waren van A.C. van Balken, directeur van de school. Deel A is het algemene verhaal van de heer Hommelberg. Deel B bevat persoonlijke verhalen van tien andere Beesdenaren over specifieke gebeurtenissen.
Samenvatting van Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
Dit deel leest als een chronologische vertelling van de oorlog in Beesd.
1. De Aanloop en de Meidagen van 1940
- Mobilisatie (1939): Soldaten worden in Beesd ingekwartierd. Paarden en auto's worden gevorderd. De spanning stijgt.
- 10 mei 1940: Duitse vliegtuigen (Stuka's) vliegen over Beesd. De strijd begint.
- Evacuatie van vee (12 mei): Ongeveer 5000 stuks vee wordt naar Lexmond gedreven om te voorkomen dat het verdrinkt bij de onderwaterzetting van de Betuwe.
- Evacuatie van de bevolking (13 mei): Op last van het Nederlandse leger moet heel Beesd weg. Het is een chaotische uittocht richting Gouda/Waddinxveen. Cato van Buuren komt hierbij om het leven door een Duitse kogel.
- Terugkeer (15 mei): Na de capitulatie keren de meeste inwoners terug. De spoorbrug is opgeblazen door Nederlandse soldaten.
2. Het Leven onder Bezetting (1940-1944)
- Distributie: Levensmiddelen en goederen zijn op de bon. Er ontstaat zwarte handel, waarvan de Duitsers profiteren door geld bij te drukken.
- Verduistering: Om geallieerde vliegtuigen geen oriëntatiepunten te geven, moet alles 's avonds donker zijn.
- Radio Oranje: Luisteren is verboden en radio's moeten worden ingeleverd. Toon van de Wiel, de postbode, verstopt zijn radio bij zijn varken en luistert stiekem met vrienden naar de Engelse zender.
- De Joden in Beesd: Een hartverscheurend hoofdstuk.
- De families Van Straten en Hecht zijn de Joodse inwoners. In 1942 duiken ze onder. Hr. Hommelberg helpt door de kostbare inventaris van de synagoge te verstoppen (eerst bij hem thuis, later op de zolder van de Hervormde Kerk).
- Niet iedereen overleeft het. Sam van Straten wordt verraden en vermoord. Harry van Straten wordt opgepakt en overlijdt. De familie Hecht overleeft de oorlog, evenals Sientje van Straten (dankzij Gerrit van Tussenbroek).
3. De Oorlog komt Dichterbij (1944-1945)
- Duitsers in Beesd: Vanaf september 1944 is Beesd gevuld met Duitse militairen.
- Eerst Einheit Buchta in de R.K. Pastorie.
- Later de rustigere Einheit Lowack. Zij slaan munitie op in de boomgaarden en hebben een verbindingscentrale in de oude openbare school. Ook zijn er Russische krijgsgevangenen in Beesd.
- Vliegtuigen en Bombardementen:
- In mei 1943 stort een Engelse Stirling-bommenwerper neer bij Beesd. Zes bemanningsleden (Nieuw-Zeelanders) komen om en liggen begraven op het kerkhof.
- V-1's ("vliegende bommen") worden veelvuldig waargenomen.
- Op Nieuwjaarsdag 1945 wordt de Lingebrug gebombardeerd, maar blijft gespaard. De huizen aan de Havendijk lopen zware schade op.
- De Hongerwinter (1944-1945):
- Beesd ziet stoeten van ondervoede mensen uit de steden (voedselzoekers) langskomen.
- Er wordt geruild en soms misbruik gemaakt van de nood (een jas voor waardeloos graan).
- Ook in Beesd wordt er gesurrogeerd: koffie van wortels, sigaretten van aardappelloof, stroop van suikerbieten.
- Evacués en Vluchtelingen:
- Beesd vangt geëvacueerden op uit Tiel (georganiseerd) en vluchtelingen van het Maasfront (ongeorganiseerd, uit o.a. Kerkdriel en Ammerzoden). Dit leidt tot spanningen met de burgemeester, die bang is voor te weinig ruimte voor Duitse soldaten.
4. Bevrijding (mei 1945)
- 5 mei: De overgave wordt bekend. Iedereen gaat de straat op. De Ortscommandant Lowack bewaart de rust en vraagt mensen naar huis te gaan.
- De Canadezen: Half mei komen de Canadese bevrijders.
- Ze zijn het tegenovergestelde van de Duitsers: rustig en gedisciplineerd.
- 's Avonds is er samenzijn bij een kampvuur, waar ze liedjes zingen, waaronder een spotlied op Hitler.
- Hr. Hommelberg raakt bevriend met de Canadees Howard Gray, die na de oorlog nog op bezoek komt vanuit Nijmegen en later via een veteranenorganisatie wordt teruggevonden door de familie.
Samenvatting van Deel B: Persoonlijke Verhalen
Dit deel geeft een emotionele en vaak nog rauwere inkijk in de oorlog. De belangrijkste verhalen op een rij:
- Veedrijven naar Lexmond (H.J. van Buuren): Een ooggetuigeverslag van de chaotische tocht met het vee op 1e Pinksterdag 1940.
- Met z'n allen naar Waddinxveen (H.J. van Buuren): Het verhaal van de evacuatie van de bevolking, waarbij zijn tante Cato van Buuren dodelijk wordt getroffen bij de oversteek over de Lek.
- Op avontuur in Duitsland (Th.J. van Beest): Johan van Beest vertelt over zijn "avontuur" in de Arbeitseinsatz. Hij ging vrijwillig uit plichtsbesef, maar kreeg al snel spijt. Hij werkte in een fabriek in Schwerte, kreeg slecht eten, maar mocht in het weekend het kamp uit. Na 7 maanden ging hij met verlof en dook onder in Beesd.
- Onderduiken in je eigen dorp Beesd (H.J. van Buuren): Henk van Buuren vertelt spannend over zijn onderduikavonturen om aan de Arbeitseinsatz te ontsnappen. Hij sliep o.a. in het lijkenhuisje op het kerkhof en in een kippenschuur.
- Twee jaar weg van huis (B. Krielen): Het zwaarste verhaal. Bertus Krielen zat bijna twee jaar in Schwerte. Hij vertelt over de erbarmelijke omstandigheden (honger, luizen, kou), het dagelijkse gevaar van bombardementen, het ruimen van puin na het bombardement op de stad, en de chaos en onderlinge wraakacties na de bevrijding, toen het gezag wegviel.
- Sientje van Straten (G.G. van Tussenbroek): Gerrit van Tussenbroek vertelt hoe hij Sientje, een Joodse vrouw, twee jaar lang verstopte op zijn zolder in de Wilhelminastraat.
- Een goede vijand (A.D. Zijderveld): Een bijzonder verhaal over een Duitse soldaat (een Rottenführer) die menselijk bleek en zelfs een foto van zijn gezin aan de schrijver liet zien.
Conclusie en Waarde van het Document
Dit boekwerk is een prachtig voorbeeld van "oral history" of "microgeschiedenis". In plaats van de grote gebeurtenissen, beschrijft het hoe een klein dorp als Beesd de Tweede Wereldoorlog heeft beleefd.
Waardevolle details: Het benoemt straten, families, boerderijen en lokale figuren (zoals juffrouw Boonstra met haar zangles voor de Canadezen), wat het zeer herkenbaar maakt voor (oud-)inwoners.
Een breed spectrum: Het behandelt niet alleen verzet en heldendom, maar ook de alledaagse beslommeringen (distributie, onderduiken), de angst (bombardementen, razzia's), maar ook momenten van menselijkheid (de Duitse soldaat Lowack, de hulp aan Joodse dorpsgenoten, de vriendschap met Howard Gray).
Persoonlijk en eerlijk: De verhalen zijn niet geschreven door professionele historici, maar door mensen die het hebben meegemaakt. Dat maakt ze direct en authentiek. De auteur geeft in het voorwoord ook eerlijk toe dat het niet volledig is, maar een poging een idee te geven.
Hieronder vind je de volledige, uitgeschreven tekst van het document "De oorlogsjaren 1940–1945 in Beesd".
Inhoud, Voorwoord 1
Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
- Mobilisatie
- 10 mei 1940
- Distributie
- Verduistering
- Werken in Duitsland
- Radio Oranje
- De Joden in Beesd
- Duitsers in Beesd
- De Evacuatie van Tiel
- Vluchtelingen van de Maaskant
- Vliegtuigen over Beesd
- De Hongerwinter
- Bevrijding
- De Canadezen
Deel B:
- Kapitien Venema in Beesd (A.F.A. Pieck)
- Veedrijven naar Lexmond (H.J. van Buuren)
- Met z'n allen naar Waddinxveen (H.J. van Buuren)
- Op avontuur in Duitsland (Th.J. van Beest)
- Onderduiken in je eigen dorp Beesd (H.J. van Buuren)
- Twee jaar weg van huis (B. Krielen)
- Een verschrikkelijke herinnering (C.v.d. Dungen)
- Sientje van Straten (G.G. van Tussenbroek)
- Duitsers in Beesd (L. Piek-Kok)
- Een goede vijand (A.D. Zijderveld)
- Van Ammerzoden naar Beesd (L. Kielenstijn-Verlouw)
- Op zoek naar woonruimte (H. Berkhout)
- Verzetsmensen in ons dorp (G. van Beekhuizen)
Voorwoord
Ieder jaar vertel je aan de kinderen in de klas rond april of begin mei over de Tweede Wereldoorlog. Dat gebeurt vooral in de hoogste groepen van het basisonderwijs. Zo ook op de St. Antoniusschool in Beesd. Ieder jaar vind je het weer jammer dat er zo weinig bekend is over die oorlog in je eigen dorp Beesd. Er is bijna niets over opgeschreven. Iedereen kent het verhaal over het neergestorte vliegtuig, maar verder komt men vaak niet. De kinderen willen eigenlijk veel meer weten.
Dit jaar was het 50 jaar geleden dat de oorlog begon. Dus een reden te meer om al die 'verborgen' informatie eens bij opa's en oma's boven water te halen. De Hr. M. Hommelberg uit de Voorstraat werd benaderd en met hem zijn we stukje bij beetje de geschiedenis van die Tweede Wereldoorlog gaan opschrijven. Dankzij het geweldig goede geheugen van de Hr. M. Hommelberg is het gelukt om de belangrijkste feiten uit die periode op te schrijven. Een en ander is zo opgeschreven dat kinderen van de hoogste groepen van de basisschool het redelijk goed kunnen begrijpen.
Het tweede gedeelte van dit boekwerk is geheel anders van opzet. Dit deel is samengesteld i.s.m. een tiental Beesdenaren, die de oorlog van zeer nabij hebben meegemaakt. Ieder van hen vertelt op een zeer persoonlijke wijze over een bepaalde periode uit die oorlog. Er is naar gestreefd om bij ieder hoofdstuk uit deel 1 iemand aan het woord te laten, die deze periode van zeer nabij heeft meegemaakt.
Ik dank al deze mensen voor hun medewerking. Dank ook aan de Beesdenaren, die op welke manier dan ook, mij informatie hebben bezorgd over deze nare periode in onze geschiedenis. Ik noem met name:
G. de Kruijff
F.I. Kielestein
Th. van Bremen
A.C. van Doorn-van Drenth
P.J. Kroezen
J.A. van Leeuwen
A.G. Gremie
F.M. Kroese-Nijsten
A.D. Zijderveld
H. Berkhout
L. de Haas
M.B.J. Hommelberg
A.F.A. Pieck
H.J. van Buuren
Th.J. van Beest
B. Krielen
C. v.d. Dungen
G.G. van Tussenbroek
L. Piek-Kok
L. Kielenstijn-Verlouw
G. van Beekhuizen
Dit boekwerk is in vrij korte tijd samengesteld. Het is dan ook zeker niet volledig. Hopelijk is het gelukt een idee te geven op welke wijze de mensen in Beesd de oorlog beleefd hebben. Het zal een ieder, na het lezen van met name deel 2 van dit boekwerk, duidelijk zijn, dat een aantal Beesdenaren veel hebben geleden in die Tweede Wereldoorlog. Ik denk dan met name aan de jonge mannen die in Duitsland moesten werken. Maar ook anderen hebben zeer nare herinneringen aan deze periode.
Mijn zoon van zeven jaar vroeg een dezer dagen aan mij, toen ik mijn drie kinderen vertelde over de mobilisatie en de militaire dienstplicht: 'Pap, als ik straks in dienst moet, wordt het dan weer oorlog?' 'Ik hoop van niet, jongen', antwoordde ik.
Laat dat dan de wens zijn bij dit boekje.
A.C. van Balken
Directeur St. Antoniusschool
te Beesd, 4 mei 1990
Deel A: Door de Hr. M.B.J. Hommelberg sr.
De mobilisatie
Het begon allemaal in 1939. Duitsland had al een aantal gebieden van buurlanden ingepikt, zoals van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. In augustus sloot Duitsland met Rusland een niet-aanvalsverdrag en ook Italië had niet genoeg aan zijn eigen land en was Albanië binnengevallen.
Nederland vond het verstandig al zijn soldaten op te roepen. Er dreigde immers een grote oorlog te ontstaan. Nu had men in die tijd geen televisie, en telefoon had slechts een enkele ling. Men riep de mensen dan ook op via allerlei aanplakbiljetten. Deze aanplakbiljetten hingen in een afleeskast.
Deze afleeskast hing aan mijn tuinmuur, Voorstraat 88. Je begrijpt, dat zo'n bericht iets heel bijzonders was. Het verspreidde zich dan ook als een lopend vuurtje. Ik herinner mij nog dat een inwoner uit Rhenoy zijn paard en kar stilzette om ook eens te komen kijken wat er te doen was. Na ernstige studie van het aanplakbiljet vroeg hij: 'Geldt dat ook voor Rhenoy?' Een Beesdenaar antwoordde toen, dat ze dat varkentje in Beesd wel alleen konden wassen en men daar de hulp van Rhenoy niet bij nodig had.
Er werden overigens niet alleen mensen opgeroepen. Er was ook een aanplakbiljet waarop stond, dat alle paarden en auto's werden gevorderd. Dat betekende, dat je dus je paard of auto aan het leger moest afstaan. Nu waren er in 1939 maar weinig auto's in Beesd, hooguit een stuk of tien. Of iedereen die bij het Nederlandse leger heeft ingeleverd, weet ik niet. Er zijn in ieder geval ook mensen geweest die hun kostbare bezit stiekem verborgen hebben. Na verloop van tijd werd ook een afdeling van het Nederlandse leger in Beesd gestationeerd. Dat betekende dat enkele honderden soldaten in Beesd moesten worden ondergebracht. Ze moesten bij de mensen in de huizen slapen. 'Inkwartieren' heet dat. De commandant – kapitein Deflard uit Hoorn – had zijn bureau met zijn staf in het huis, waar nu de familie Berkhout woont op de hoek van de Beukenstraat en de Voorstraat. Deze kapitein zorgde ervoor dat heel veel mensen in Beesd een of meer soldaten ingekwartierd kregen.
Natuurlijk moesten ook een aantal Beesdse jongemannen zich melden bij het leger ten gevolge van de mobilisatie van augustus 1939. Een aantal van hen moest naar de Grebbeberg in Rhenen. Weer anderen naar West-Brabant.
Door de oorlogsdreiging waren er te weinig levensmiddelen en ook andere spullen zoals textiel. Daarom kon je bepaalde goederen niet zo maar kopen. De distributie werd ingevoerd. Je kon nu alleen met bepaalde zegeltjes – bonnen – de schaars geworden artikelen kopen. Later vertel ik hier nog meer over.
De mobilisatie ging ondertussen door. En dat was maar goed ook. Op vrijdag 31 augustus 1939 rukten Duitse troepen Polen binnen. De Tweede Wereldoorlog was begonnen. Frankrijk en Engeland verklaarden Duitsland enkele dagen later de oorlog: 3 september. In Beesd kwamen steeds meer soldaten. De commandant was nu een groot-majoor.
10 mei 1940
In alle vroegte hadden de Duitsers ons land aangevallen. Om half vijf 's morgens vlogen de Duitse vliegtuigen richting Rotterdam. Ook boven Beesd was het een enorm geraas. Duitse bommenwerpers – Stuka's – vlogen in grote aantallen boven ons dorp. Via de radio werd omgeroepen dat de oorlog was uitgebroken. Ons leger probeerde onze grenzen zo goed mogelijk te verdedigen. Helaas waren we niet opgewassen tegen het Duitse geweld. Onze jongens uit Beesd vochten aan de Maas, de Grebbelinie en in Brabant.
Er werd besloten al het vee uit de weilanden te halen en ergens anders heen te brengen. Beesd lag immers midden in het gebied, dat onder water gezet kan worden. Het vee moest dus achter de Hollandse waterlinie gebracht worden. Dit gebeurde op zondag 12 mei (1e Pinksterdag). Het vee van Beesd ging naar Lexmond. Het betrof zo'n 5000 stuks.
Op Tweede Pinksterdag werd besloten dat ook alle inwoners van Beesd weg moesten, en wel direct! Deze evacuatie verliep natuurlijk alles behalve rustig. De inwoners van Beesd moesten richting Gouda en Waddinxveen. Nu kon het gebied onder water worden gezet, zodat de Duitsers niet verder konden oprukken. Helaas mislukte het onder water zetten van de weilanden volkomen. Waarschijnlijk kwam dit door verraad van de NSB'ers.
De uittocht van de Beesdenaren was overigens een chaos. Mensen die aangesteld waren om een ander goed te laten verlopen waren in geen velden of wegen te zien. Iedereen immers leefde in grote onzekerheid en zocht zelf een manier voor een veilig heenkomen.
Zelf zie ik me nog staan in de Abr. Kuyperweg (heette Platteweg). Ik stond daar met mijn vrouw en twee kinderen. Niemand keek naar ons om. Of… één man. Ja, één man, die ik daar nog steeds dankbaar voor ben: De Heer G. Kroezen. Hij was een van de weinigen, die over een auto beschikte. Hij zag ons staan, liet zijn zoon Jan stoppen en zei op zijn manier van spreken: 'Jan, neem die vrouw en kinderen mee. Ik zie wel hoe ik weg kom.' Ik denk hier nog vaak aan. Ik reed de kinderwagen aan de kant in een droge sloot. Later werd die in Waddinxveen door een vriend weer terugbezorgd.
Ik fietste met mijn overbuurman, dominee de Vos, richting Gouda. De dominee was pas kort in Beesd en vroeg of hij zich bij mij mocht aansluiten. Natuurlijk mocht dat en daar gingen wij. In Acquoy stond de Huigensteeg enigszins onder water. Dat was werkelijk alles, wat we van het onder water zetten (de inundatie) van de Betuwe hebben gemerkt. Doordat we over nogal wat dijken moesten rijden, waren we vrij kwetsbaar voor vliegtuigen. Iemand uit Beesd is dan ook tijdens de evacuatie dodelijk getroffen door een Duitse kogel. Ze heette Cato van Buuren.
Intussen moesten wij proberen de Lek over te komen. Dat moest bij het pontveer Nieuwpoort-Schoonhoven. Toen wij daar aankwamen was er plotseling groot alarm. Wij vluchten een huis binnen en kort daarop hoorden wij dreunende slagen. Twee Nederlandse kruitschapen, die vlak bij het pontveer aan de wal lagen, werden door Duitse bommenwerpers gebombardeerd. Beide schepen gingen volledig de lucht in.
Aan het eind van onze tocht naar Gouda was de chaos volkomen. Het waren echt onbeschrijflijke toestanden: families uit elkaar. Iedereen was op zoek naar iedereen: kinderen naar hun moeders en vaders naar hun gezin en daartussen ook nog eens schietende NSB'ers. Gelukkig is alles goed afgelopen. Je moet begrijpen dat de mensen in Gouda verplicht waren om ons op te nemen, of je dat nu leuk vond of niet. Ik werd met mijn gezin op een niet zo'n prettige plaats gehuisvest… Gelukkig kwam ik achter het adres van iemand, die meer ruimte voor ons had. Deze welgestelde familie had nog geen enkele geëvacueerde in huis. Dat kwam omdat ze dicht bij een brug woonde en iedereen was bang dat bij het bombarderen van die brug ook het huis zou worden geraakt. Vreemd genoeg was ik daar niet zo bang voor en ik kwam zo aan een prima plek voor mijn gezin.
Zoals bekend duurde onze strijd tegen de Duitsers maar kort. Na het bombardement van Rotterdam en het dreigement van Hitler om nog meer steden plat te gooien, gaf Nederland zich over. De strijd was voorbij en wij konden na ongeveer een week terug naar huis. Op 15 mei gingen wij naar Beesd terug. We werden thuis gebracht door de mensen bij wie we ingekwartierd waren.
Op de terugweg zagen we de eerste Duitsers. We zagen ze op de tegenwoordige snelweg Utrecht-Den Bosch. Dat was toen de éénbaans autoweg: Beesd-Vianen. Toen reden er op 15 mei Duitse pantservoertuigen.
Terug in Beesd vonden we alles nog in vrijwel ongeschonden staat. Wel moesten we direct op voedsel uit. Vooral voor de kinderen. In een huis aan de Voorstraat, waar nu de familie Hollinga woont, ontdekte ik melk.
Wat de evacuatie betreft vertel ik jullie nog een merkwaardigheid: Eén familie in Beesd vertikte het om het dorp te verlaten. Dat was de familie Van Maaswaal, van de boerderij 'De Gansheuvel'. Ze bleven waar ze waren en later bleek dat ze het bij het rechte eind hadden gehad.

Op 14 mei 1940 lieten de Nederlandse soldaten de spoorbrug in Beesd springen.Op de voorgrond een Duitse militair (Bron Oorlogsbronnen)
De distributie
Zoals ik al eerder schreef was er een tekort aan allerlei goederen. Nu Nederland bezet was werd dat natuurlijk alleen maar erger. Gelukkig betekende dit niet dat er in Beesd honger geleden moest worden. Nee hoor. In Beesd is eigenlijk nooit echt gebrek geweest aan de noodzakelijke levensbehoeften. Aardappelen, groenten, fruit en brood waren er gedurende de gehele bezettingstijd wel. Natuurlijk in veel mindere mate. Daarbij probeerden we in ons land en ook in Beesd er voor te zorgen dat de Duitsers zo min mogelijk profiteerden van onze voedselvoorraden.
Om er voor te zorgen dat het aanwezige voedsel zo eerlijk mogelijk werd verdeeld werd de distributie ingevoerd. Iedere inwoner van groot tot klein kreeg een bonkaart toegewezen. Aan die bonkaart zaten dan losse bonnetjes, waarop stond, wat je daarop kon krijgen. Er werd onderscheid gemaakt in leeftijd.
Zo kregen jonge kinderen bij de geboorte bonnen voor 26 pakken havermout extra. Bij ons werd in 1942 een tweeling geboren. We kregen dus bonnen voor 52 pakken havermout. Nu waren wij niet dol op havermout. Geen nood. Er waren genoeg mensen, die het graag wilden ruilen voor boter of kaas of eieren. Op zich was dit ruilen niet erg. Er waren echter ook mensen die zich zelf wilden verrijken. Ze probeerden werkelijk alles om bepaalde bonnen tegen zeer hoge prijzen te verkopen of op zeer onredelijke wijze voor andere bonnen te ruilen. We noemen dit 'de zwarte handel'.
Bij ontdekking van deze zwarte handel werd dit zwaar gestraft. Om wat zwarte prijzen te noemen: Wat zou je denken van 150 gulden voor een pondje boter? Of 650 gulden voor een pondje koffie?
Maar geen nood, want wie profiteerden tenslotte? De Duitsers natuurlijk. De drukpersen werkten bij wijze van spreken dag en nacht om steeds maar opnieuw geld te drukken. De Duitsers zwommen in het Hollandse geld en profiteerden zo het meeste van de zwarte markt. Bonkaarten werden eveneens tegen grof geld opgekocht en het daarop verstrekte artikel werd ook op de zwarte markt verkocht. Wie het meeste – waardeloze – geld had, kon het beste leven. Over dit alles is nog veel meer te vertellen. Als je nog meer wilt weten dan moet je dat maar eens aan mensen vragen, die de oorlog hebben meegemaakt.
Verduistering
Hoe langer de oorlog duurde, des te meer kwamen de Duitse legers in de verdrukking. Steeds sterker werden de geallieerden. Dat waren de vijanden van de Duitsers: Amerikanen, Engelsen, Canadezen. Dit had als gevolg dat de Duitsers steeds minder materiaal hadden voor het bouwen van vliegtuigen en andere oorlogstuig. Steeds meer drongen de geallieerden aan, vooral door hun overmacht in de lucht, (met name van de nachtvliegtuigen). Om nu de Engelsen geen aanwijzing te geven waar dorpen of steden waren, moest Nederland 's avonds geheel verduisterd zijn. Dat betekende dat er geen spatje licht uit de huizen mocht komen.
De straatverlichting mocht slechts branden met blauwe afscherming. Blauw licht is immers van bovenaf niet zichtbaar. Zelfs fietsers mochten alleen maar een koplamp op hun fiets hebben, die slechts een klein spleetje licht doorliet.
Het verduisteren werd een stuk gemakkelijker toen er geen elektriciteit meer was. Halverwege de oorlog moesten we het zonder elektra doen. Toen brandden er 's avonds in de huizen de oude olielampen.
Ondanks dit alles konden de Engelsen en Amerikanen toch hun werk doen. Vaak hoorden we 's avonds de vliegtuigen over Beesd heen gaan. De bommenwerpers werden voorafgegaan door Engelse jachtvliegtuigen. Die jachtvliegers wisten op bepaalde manieren te ontdekken, waar voorname plaatsen en vooral grote fabrieken van oorlogstuig lagen. Was eenmaal zo'n belangrijke fabriek ontdekt, dan werd met een speciale parachute een lichtkogel afgeworpen. Op deze manier wisten de bommenwerpers precies waar ze hun bommen moesten lossen.
En wij in Beesd in stilte maar juichen wanneer we 's avonds en 's nachts de duizenden bommenwerpers met hun dodelijke vracht hoorden overvliegen. Aan de duizenden onschuldige mensen, die het slachtoffer werden, dachten we niet! De oorlog moest gewonnen worden.
Werken in Duitsland
Naarmate de oorlog langer duurde werden er in Duitsland steeds meer Duitse mannen en jongens opgeroepen om dienst te nemen in het Duitse leger. Omdat er veel soldaten sneuvelden, werden er steeds meer oudere mannen en jongeren opgeroepen om dienst te doen aan het front. Daardoor ontstond er een steeds groter gebrek aan arbeidskrachten. Er waren geen Duitse mannen meer, die in de fabrieken konden werken. Ook in de landbouw waren geen arbeiders meer.
De Duitsers probeerden dit tekort aan te vullen met werkkrachten uit de bezette gebieden, zoals Nederland, Polen, Frankrijk en België. Eerst trachtte men de mensen met mooie beloften naar Duitsland te krijgen. Men beloofde hoge lonen, goed eten en zelfs extra geld voor het gezin, dat dan in Nederland achter bleef. Veel succes had dit niet. Maar weinig mensen gingen vrijwillig naar de Duitse fabrieken. Dan moest het maar onder dwang. Via de gemeenten werden mannen van een bepaalde leeftijd opgeroepen. Op bepaalde tijden en plaatsen moest je je dan melden voor arbeidsdienst in Duitsland. Ook dit werd een mislukking. De meeste jonge mensen doken massaal onder. Zo kon de Duitser ze niet vinden. Geen wonder dat weinig mensen er zin in hadden. Ik vertelde je al over de duizenden bommenwerpers, die richting Duitsland gingen om daar de fabrieken te bombarderen.
Toen grepen de Duitse bezetters op een andere manier in. De Duitse militaire politie en de veiligheidsdienst verschenen op onverwachte momenten overal in het land. Een hele wijk van een stad of een bepaald dorp werd dan afgesloten. Alle huizen werden doorzocht op de aanwezigheid van mensen, die konden gaan werken in Duitsland.
Ik schreef zojuist 'onverwacht'. Maar meestal wist men nog net op tijd dat er zo'n razzia aankwam. Het verzet was, wat dat betreft, goed georganiseerd. Als de Duitsers kwamen, waren onze Nederlandse jongens allang gewaarschuwd en onvindbaar.
In Beesd is nooit zo'n razzia geweest. Maar enkele mensen uit Beesd hebben toch in Duitsland moeten werken. Ik herinner mij Arie Kroeze en een jongen van Dronkelaar. Twee opmerkelijke gevallen, omdat de jonge Dronkelaar aan het eind van de oorlog op trieste wijze om het leven kwam. Hij werd doodgeschoten toen hij zich niet hield aan de avondklok. Hij ging 's avonds toch naar buiten met het fatale gevolg. (In oorlogstijd was de avondklok een gewoon voorschrift. Na een bepaald uur mocht niemand meer op straat komen!)
Wat Arie Kroeze betreft leeft alles nog duidelijk in mijn herinnering. In Duitsland, waar hij dus werkte, was hij behoorlijk zenuwachtig geworden van die bombardementen. Na de oorlog moest hij gekeurd worden voor de Nederlandse militaire dienst. Om uit dienst te blijven deed hij extra zenuwachtig, om zo afgekeurd te worden. Toen hij later echter wilde emigreren naar Canada kreeg hij geen toestemming om dat land binnen te komen. Wat moesten ze in Canada immers met een geestelijk gestoorde! Men had nl. het keuringsrapport van de militaire dienst opgevraagd. Nu is Arie een groot zakenman in Amerika.
Hier in Beesd waren overigens verschillende jonge mannen ondergedoken om zich te onttrekken aan het werk in Duitsland. Ouderen van ons zullen zich de namen van Van de Plas van de Molen uit Utrecht nog wel herinneren en de Wildemarsen uit Barneveld.
Radio Oranje
Het spreekt wel vanzelf dat wij goed wilden weten wat er allemaal in de wereld en vooral met onze vijand gebeurde. Televisie was er niet en degene die een radio had, was verplicht deze bij de Duitsers in te leveren. De bezetter wilde niet hebben dat wij naar de Engelse zender zouden luisteren.
Maar laat ik nu eerst vertellen wat radio Oranje nu eigenlijk was. In de meidagen van 1940 was onze Koninklijke familie met een deel van onze regering naar Engeland gevlucht. Koningin Wilhelmina bleef in Engeland en haar dochter Juliana met de prinsesjes gingen naar Canada. Prins Bernard bleef bij Koningin Wilhelmina. Na enige tijd besloot onze regering (in ballingschap) een organisatie op te richten, die op bepaalde uren op de radio de juiste berichten doorgaf aan het Nederlandse volk. Dit nu was Radio Oranje. Het was natuurlijk ten strengste verboden hiernaar te luisteren. Vandaar dat al heel snel het besluit kwam om alle radio's in te leveren. Maar ja, dat deed natuurlijk niet iedereen.
De Heer Toon van de Wiel sr. was directeur van het postkantoor aan de Voorstraat te Beesd. (Zijn jongste zoon heeft daar nu nog een motorenbedrijf.) Van de Wiel was een echte Brabanter en had in verband met de voedselvoorziening een varken, dat hij mestte. (Ook het houden van varkens was zonder goedkeuring van de Duitsers verboden!) Hij hield dus clandestien een varken. Maar Toon deed nog veel meer clandestien. Hij had zijn radiotoestel niet ingeleverd. Dat toestel had hij verstopt bij het varken. In de schuur bij het varken had hij een put gegraven, waar een luik op lag. In de put stond het toestel en op het luik lag altijd een grote stapel hooi of gras. Dat was voor de konijnen.
Sommige van zijn vertrouwde vrienden wisten hiervan en mochten mee komen luisteren als radio Oranje uitzond. Als ik mij goed herinner, was die uitzending rond half één. Dan werd het toestel voor de dag gehaald, afgesteld en de uitzending kon beginnen. Nu wilde dat varken nog wel eens danig knorren als er mensen in de schuur waren. En aangezien die radio maar zachtjes aan mocht staan, kreeg het beest regelmatig een paar ferme tikken met een stuk hout. Als dat niet hielp werd het naar buiten gejaagd.
En zo was er in die schuur vreugde bij elke Duitse nederlaag, die via Radio Oranje bekend werd gemaakt en verdriet bij elke tegenslag van de geallieerden.
Eén merkwaardig ding wil ik nog vertellen. Er werkte ook een Belg mee aan Radio Oranje. Hij noemde zich 'Jan Moedwil' en eindigde de uitzending steeds met: 'En zonder er op te stoffen; we zullen ze wel krijgen die moffen'.
En dat was Radio Oranje in Beesd.
De Joden in Beesd
Voordat ik ga vertellen over de lotgevallen van de Joden tijdens de oorlog wil ik eerst eens even kijken wie ze waren en waar ze woonden. In Beesd woonde in de Kerkstraat de familie Bouman. Zij hadden een slagerij. Bij het uitbreken van de oorlog woonden zij daar niet meer. Vervolgens woonde daar de familie Van Straten. Deze familie bestond uit moeder (vader was al lang overleden) en drie zoons: Salomon, Hartog en Harry. Verder was er nog een dochter genaamd Sientje. Toen de oorlog uitbrak was moeder reeds overleden en waren bovengenoemde kinderen al vrij oud (ong. 60 jaar). De familie van Straten woonde aan de Voorstraat, ongeveer tegenover de Hervormde Kerk. Ze hadden daar een slagerij en eerder ook een dranklokaal. Tevens was in dat pand ook een synagoge gevestigd. (Dat is een ruimte, die men als een kerk gebruikt.) Iedere zaterdag werd in de synagoge de Sabbath gevierd. Daarvoor kwamen ook de twee Joodse families uit Rumpt.
Tenslotte woonde in het reeds lang verdwenen oude huisje op de hoek Middenstraat-Torenhoek Sam van Straten. Hij had een handeltje in garen en band-sajet en aanverwante artikelen. In het huis waar nu de familie Berkhout woont, woonden toen ook nog twee Duitse Jodenfamilies: De familie Hecht.
Al deze Joden werden in 1942 opgeroepen om zich te verzamelen. Ze zouden worden afgevoerd naar het kamp Westerbork. Van daaruit zouden ze naar een vernietigingskamp gebracht worden in Duitsland. Op de avond voor de fatale datum kwam Hugo Hecht bij mij. Hij vertelde dat ze allemaal zouden onderduiken, zowel de mannen, als vrouwen als kinderen. Vooral de kinderen waren een probleem geweest, maar werden opgevangen door de familie van Verschuer van Mariënwaard.
Hugo Hecht kwam mij om een gunst vragen. Nu de mensen allemaal een onderduikadres hadden moest er nog één ding geregeld worden: de inventaris van de synagoge moest weg. 'Of ik daar voor zorgen kon?' Dat kon natuurlijk. Er waren o.a. zeer kostbare thorarollen bij. Ik heb alles keurig en veilig bewaard. In 1944 ging er echter bijna iets mis. Er kwamen Duitse soldaten in Beesd die bij mij werden ingekwartierd. Om te voorkomen dat zij de Joodse spullen zouden vinden heb ik ze samen met mijn buurman Huib Hoos op de zolder van de Hervormde Kerk opgeslagen. Daar heeft alles veilig gelegen en kon de gehele inventaris na de oorlog aan de mensen worden teruggegeven.
Helaas hebben niet alle ondergedoken Joden het er levend van afgebracht. De oude Sam had een onderduikadres gevonden aan de Paay nabij Rhenoy. Daar heeft hij slechts een nacht gezeten. 's Morgens in alle vroegte is hij op straat gezet, beroofd van al zijn eigendommen. Al dwalend door de polder is hij opgepakt en is nooit meer terug gezien. En zo gebeurde dit met meer Joden in ons land. In de haast een onderduikadres te vinden, kwamen ze soms bij Nederlanders terecht, die er financieel beter van wilde worden.
Harry zat elders ondergedoken. Door een ongelukkig toeval kwam er huiszoeking op zijn onderduikadres. Harry werd opgepakt en naar het kamp Westerbork overgebracht. Niemand heeft ooit nog iets van Harry vernomen. Salomon en Hartog, die in Hagestein zaten ondergedoken, kwamen na de oorlog wel in Beesd terug.
De familie Hecht heeft het er gelukkig wel goed van afgebracht. Na de oorlog zijn ze in Amsterdam met een schortenfabriekje begonnen.
Sientje van Straten heeft het dankzij Gerrit van Tussenbroek ook overleefd. Vanaf 1942 heeft Sientje verstopt gezeten op de zolder van Gerrit in de Wilhelminastraat. Het verhaal over Sientje kun je elders in dit boekje vinden.

Vanaf de dam bij het huis van de Joodse familie van Straten een gezicht op de Toren. Links was de slagerij en het woonhuis van Sientje van Straten. In het huis rechts woont nu de loodgieter Hans Kroezen.
Duitsers in Beesd
Jullie weten natuurlijk allemaal dat in juni 1944 een grote geallieerde invasie was op de kust van Normandië in Frankrijk: 'D-Day' werd deze 6e juni genoemd. De Duitsers moesten door het oprukken van de geallieerde legers in Frankrijk steeds verder terugtrekken. In september 1944 zagen we de eerste Duitse legereenheden in Beesd. Op een gegeven dag zagen we op diverse hoeken van straten grote witte pijlen op de muren gekalkt, die allemaal richting Voorstraat wezen. Onder die pijlen stond dan: 'Einheit Buchta'. 'Buchta' was een kapitein van het Duitse leger. Een zgn. Ortscommandant. Dat wil zeggen de plaatselijke bevelhebber. Buchta had zich met zijn mensen gevestigd in de R.K. Pastorie aan de Voorstraat. Dat was natuurlijk best veilig, want kerken werden toen niet snel gebombardeerd.
Veel is er over deze eenheid van het Duitse leger niet te vertellen. Ze is maar kort in Beesd geweest. Ze werd al gauw ingezet aan het front bij de Maas. Tevens kwamen in Beesd ook de Binnenlandse Strijdkrachten in actie. Deze zgn. B.S. waren opgeleid in Engeland en met de invasietroepen meegekomen.
Over Buchta nog het volgende: In een volgend hoofdstuk gaat het over het onderbrengen van Nederlandse vluchtelingen uit Tiel. Ik moest toen met Buchta onderhandelen over hoe we die mensen uit Tiel aan eten zouden helpen. Ik wist van vluchtelingen uit Kerkdriel en omgeving, dat er nog voorraden aardappels, uien en wortelen ergens lagen. Om deze voedselvoorraden naar Beesd te halen was de medewerking van Hauptman Buchta nodig. Hij wilde wel meewerken, maar dan moest hij voor zijn soldaten de helft van deze voedselvoorraad hebben. Je snapt dat ik al dat voedsel juist aan de mensen in Tiel wilde geven en niet aan de Duitsers. Met de smoes, dat het toch wel erg gevaarlijk was het voedsel op te halen, is het toen niet doorgegaan. Die Buchta kon overigens totaal niet samenwerken met de burgemeester van Beesd. Dit, omdat de burgemeester geen woord Duits sprak.
Beesdse hulp bij de evacuatie van Tiel
In het begin van het jaar 1945 rukten de geallieerden steeds verder op vanuit het zuiden naar het noorden. De plaats waar gevochten werd – het front – kwam daardoor steeds noordelijker te liggen. Zo kwamen plaatsen aan de rivier de Maas en later aan de rivier de Waal onder zwaar kanonvuur te liggen. Zo gebeurde dat ook met de plaats Tiel.
In Tiel werd grote schade aangericht en werd de toestand voor de burgers onhoudbaar. Iedereen, die de mogelijkheid had om te vluchten, deed dat. Niet iedereen was echter zo gelukkig een veilig heenkomen te vinden. Daarom werd besloten de overgebleven bewoners van Tiel te evacueren en ze naar veiliger oorden te brengen. Besloten werd de mensen voorlopig naar Leerdam te brengen. Beesd zou dan als tussenstation dienen. Dit betekende, dat de mensen uit Tiel gedurende minstens één nacht bij particulieren in Beesd ondergebracht moesten worden, tevens zou gezorgd moeten worden voor één warme maaltijd en één broodmaaltijd. Vanuit Leerdam zou gezorgd worden voor transport. Zo was tenminste de afspraak. Maar het was oorlog. Zo kon Leerdam niet zorgen voor transport en was het bijzonder moeilijk in Beesd onderdak voor de vele honderden mensen uit Tiel te vinden. De Duitse Ortscommandant maakte grote problemen, omdat immers de Duitse soldaten ook onderdak in Beesd nodig hadden: inkwartiering.
Er werd, om alles goed in Beesd te regelen, een evacuatie-commissie opgericht. Deze commissie kwam met een oplossing: de Duitsers beschikten nog over transportmiddelen, namelijk over wagens met paarden bespannen. Zou men die voor de evacuatie willen afstaan?
Ik ben samen met de andere leden van de commissie naar de Duitse commandant gegaan. Deze Ortscommandant was de reeds genoemde kapitein Lowack. Met deze man viel best te praten. Ik heb hem in mijn beste Duits verteld wat de problemen waren. Natuurlijk hebben we ook gepraat over het Duitse probleem van de inkwartiering. Uiteindelijk was Lowack bereid mee te werken aan het vervoeren van de evacués. De commandant zou 25 bespannen wagens met koetsiers ter beschikking stellen om de mensen, die hiervoor in aanmerking kwamen, naar Leerdam te brengen. Hij stelde daarbij echter twee voorwaarden. Er mocht niet overdag gereden worden. Immers de Amerikaanse en Engelse jachtvliegtuigen zouden denken dat het om een Duitse militaire kolonne ging. Ze zouden de stoet bij ontdekking zeker aanvallen.
De tweede voorwaarde was, dat de commandant eiste, dat ik de wagens zou begeleiden naar de adressen waar de mensen uit Tiel waren ondergebracht en dat ik ze vervolgens op de weg naar Leerdam zou brengen. Dit alles was natuurlijk akkoord. En dankzij de Duitse medewerking verliep de gehele operatie uitstekend.
De Duitse wagenvoerders waren zeer goed voor de mensen. Vooral de bejaarden werden vol zorg behandeld. Ze kregen de beste plaatsen op de wagens, kregen dekens tegen de kou, enz.
Vluchtelingen van de Maaskant
Door het opdringen van Amerikanen, Canadezen en Polen naar het noorden kwam het front steeds dichterbij. Je begrijpt dat de mensen in de dorpen langs de rivier de Maas het steeds moeilijker kregen. Het werd daar tenslotte zo onhoudbaar dat de mensen massaal op de vlucht sloegen. Het waren bijvoorbeeld de dorpen Ammerzoden, Hedel, Kerkdriel, Alem. Deze evacuatie was niet te vergelijken met die van Tiel. De evacuatie van Tiel liep immers redelijk georganiseerd. Maar de mensen uit bovengenoemde plaatsen moesten echt vluchten. Het was echt 'sauve qui peut' oftewel: Wie zich redden kan, redde zich maar. Veel mensen zochten hun heil in Beesd. Maar hier in Beesd was steeds minder plaats. Men moest dus genoegen nemen met de kleinste plekjes. Zo zocht men zelfs zijn toevlucht in de kassen van de kwekers. Gelukkig hadden veel gevluchten voldoende etenswaren meegenomen, zodat dit geen groot probleem was.
De toestand werd pas kritiek toen de burgemeester besloot de evacuatie-commissie bij elkaar te roepen. De burgemeester was van plan de vluchtelingen van de Maaskant op te sporen en deze mensen 's nachts op te halen en dan over de rivier de Lek te brengen. Waarom dit vreemde plan? De oorzaak hiervan was angst voor de Duitse bezetter. Men was bang dat de Duitsers het op een gegeven moment niet meer zouden nemen, wanneer zoveel woonruimte in Beesd zou worden ingenomen door de vluchtelingen, dat er geen plaats meer zou zijn voor de Duitse soldaten. Maar vreemd genoeg had onze commissie nog niets hierover vernomen van de Duitsers. De burgemeester en zijn getrouwen wilden het plan toch doorzetten. Het kwam toen tot een heftige discussie en zelfs slaande ruzie tussen de burgemeester en de Heer Kokkedee, toenmalig employé bij de Nederlandse Spoorwegen, en ondergetekende. Het kwam zelfs zover dat wij beiden de vergadering verlieten en de boodschap meekregen, dat wij voortaan geen lid meer waren van genoemde commissie. En daar stonden de Heer Kokkedee en ik elkaar onderaan de trap van het gemeentehuis aan te kijken. Wat nu? Omdat wij vrij nauwkeurig wisten waar de vluchtelingen zich ophielden, besloten wij de mensen te gaan waarschuwen. We vertelden ze, dat ze zich niet moesten vertonen en zich zo goed mogelijk moesten verbergen. En zo mislukte het hele plannetje van de burgemeester. Maar daarmee was de zaak nog niet ten einde. De strijd was nog niet gestreden, want prompt dezelfde avond nog kreeg ik een oproep in de bus om niet ontplofte zware bommen bij de Lingebrug met de Duitsers te gaan opgraven. Ondanks 'Sperzeit' (Je mocht 's avonds na zes uur niet meer naar buiten), heb ik met de burgemeester een stevig onderhoud gehad. Over de inhoud ervan kan ik helaas nu niets vertellen, maar de burgemeester was zo verstandig om zijn oproep in te trekken.
Bij de vluchtelingen was ook een pastoor Bernard Verhoeven meegekomen en ook Deken Maassen. Ze kwamen uit Empel. De pastoor is tijdens zijn verblijf in Beesd overleden en begraven. Na de oorlog is hij naar zijn eigen parochie overgebracht.
Je moet begrijpen dat Beesd eind 1944 helemaal 'vol' was met inwoning van allerlei verschillende mensen. Allereerst waren er een paar honderd Duitsers die overal en nergens waren ingekwartierd. Bij sommige families sliepen wel zes soldaten. Dan waren er de geëvacueerden uit Tiel. Sommigen van hen bleven hier of hadden al veel eerder hier een onderkomen gevonden. En dan had je de vluchtelingen van het Maasfront. Sommige vluchtelingen zijn na de oorlog hier blijven wonen.
Vliegtuigen over Beesd
Bommenwerpers en jachtvliegtuigen speelden in de laatste periode van de oorlog een steeds grotere rol. Dat kwam vooral omdat de Duitse vliegtuigfabrieken door de bombardementen van de geallieerden en gebrek aan grondstoffen zo goed als uitgeschakeld waren.
Op D-Day – 6 juni 1944 – was reeds gebleken over welke een enorme luchtmacht Amerika, Canada en Engeland beschikten. Duizenden bommenwerpers maakten van de Bretonse kust in Frankrijk een groot kraterveld, waar de Duitsers niets tegenover konden stellen. Ik hoor de Engelse Premier Winston Churchill na het bombardement van de Engelse stad Coventry in zijn rede over de radio nog zeggen: 'Wij hebben nog een lange lijst van Duitse steden, die voor algehele vernietiging in aanmerking komen'. (In Coventry sneuvelden toen ruim 800 burgers). En zijn bedreiging werd werkelijkheid.
's Avonds als het donker werd, stonden wij hier in Beesd al ademloos te luisteren en dan plotseling: 'Jongens, daar komen ze aan'. En dan begon een enorme stroom van honderden zware Lancaster- en Lockheed-bommenwerpers met een enorm gedreun over ons dorp te trekken. Het gedreun klonk ons als muziek in de oren. In de nacht van 23 op 24 mei 1943 was er ook zo'n bombardementsvlucht. De Engelse luchtmacht zette 826 vliegtuigen in om de plaats Munster te bombarderen. Om de Duitse luchtmacht in verwarring te brengen had men als afleidingsdoel bij deze operatie de stad Dortmund. Door vuur van een Duitse nachtjager viel een Engelse Sterling-bommenwerper vlakbij Beesd neer. Het vliegtuig behoorde tot het 75e eskader van de RAF en was afkomstig van de basis Newmarket. Van de zeven bemanningsleden vonden er helaas zes de dood. De staartschutter, Sgt. R.L. Vale overleefde het neerkomen. Hij had namelijk het geluk, dat de staart van het neerstortende vliegtuig afbrak en in een griend bij de rijksweg Zaltbommel-Vianen terecht kwam. Dokter W.J. van der Hooft uit Beesd verleende toen medische hulp. Zover ik weet is hij toen via België weer terug naar Engeland gegaan. Maar er zijn ook mensen die zeggen dat hij door de Duitsers is opgepakt. Zoals iedereen weet ligt de omgekomen Nieuw-Zeelandse bemanning begraven op het kerkhof aan de Veerweg te Beesd.
Dan had je ook nog de 'V-1'. Dit was een soort vliegende bom met 1000 kilo springstof geladen. Ik herinner mij nog dat rond Kerstmis 1944 zo'n gierende bom over ons huis vloog. Het leek net een klein vliegtuig met een lange vlammende staart. Pas veel later hoorden wij dat dit nu een 'V-1' was. Toen de geallieerden in het zuiden oprukten en o.a. Antwerpen veroverden, werden er door de Duitsers veel vliegende bommen afgevuurd. Zo werd ook Zeeland flink bestookt met deze bommen. Blijkbaar liep de vliegroute over Beesd, want we zagen hier veel van die verschrikkelijke bommen gaan. Door hun onbetrouwbaarheid waren die dingen levensgevaarlijk. In Beesd viel er precies een bij de overweg aan de St. Janssteeg. In Gellicum viel er een precies op een boerderij in de polder. Het was de boerderij van de Familie de Bruin. Alleen grootvader is toen gewond geraakt. Hij werd overgebracht naar het grote huis van de Familie van Verschuer in Beesd. In dit zogenaamde gravenhuis was het Tielse ziekenhuis Bethesda zolang ondergebracht.
In 1944 werden de aanvallen van de Engelse jachtvliegtuigen steeds heftiger. Ze schoten op alles wat bewoog: treinen, Duitse kolonnes enz. Praktisch geen vervoermiddel vertoonde zich bij daglicht over de weg. Ze werden onherroepelijk onder vuur genomen. Vanaf de Appeldijk zag ik een eskader jachtvliegtuigen een serie aanvallen op een doel in Beesd uitvoeren. Doel was een Duitse kolonne op de Parkweg. Volop schietend uit al hun boordkanonnen doken ze in angstaanjagende snelheid naar beneden. Gefascineerd bleef ik kijken. Het was een angstaanjagend gezicht, dat mij nog steeds duidelijk voor ogen staat. Een keer zoiets meemaken is meer dan genoeg! (In het tweede deel van dit boekje vertelt Mevr. Piek-Kok over deze beschieting op de Parkweg).
Op Nieuwjaarsdag 1945 vond er een bomaanval plaats van de Engelsen op de Lingebrug. Om 12.00 uur 's middags kwamen er ongeveer zes toestellen van de R.A.F. aangieren. Er zeilde een regen van bommen aan weerszijden van de brug. Zware bommen explodeerden links en rechts van de brug en in de Linge, doch de brug bleef heel. De huizen langs de Havendijk moesten het flink ontgelden. Geen ruit bleef heel. Ik weet nog dat met allerlei voorwerpen de vensters weer werden hersteld. De meest gedupeerde man in Beesd was waarschijnlijk wijlen de oude Hr. W. Voet. Hij had vlakbij de brug een flinke voorraad ingekuilde aardappels. Men vertelde dat hij nooit een pieper meer had teruggezien. De Duitsers waren blijkbaar bang voor herhaling, want nog geen week later werd er bij de Steiger een afweergeschut geplaatst.
Belevenissen uit de hongerwinter
Het was een triest gezicht. Staande op de spoorlijn waar we wacht moesten lopen, zagen we hele kolonnes van mensen naar Beesd komen. Het was de winter van 1944/45: De Hongerwinter.
De mensen kwamen meestal op oude verroeste fietsen met harde banden, gesneden uit de zijkanten van oude autobanden. Die banden waren op de meest vreemde manieren vastgemaakt. Moeizaam trokken ze voort. Vaak ondervoed en aan het eind van hun krachten, op fietsen die bijna niet vooruit te krijgen waren. Ze hadden ook nog bagage bij zich. Ja, bagage. Vaak hun laatste kostbaarheden: voorwerpen waaraan ze gehecht waren. Dat alles wilden ze niet graag missen. Maar ja, wat wil je? Geld had weinig waarde. Wilde je nog iets bemachtigen, dan moest je ruilen. En dat deed je dan met spullen die voor jou vaak waardevol en of dierbaar waren.
Helaas is daar door veel mensen in Nederland misbruik van gemaakt. Ook op het platteland. Men moet weten dat er een grote rivaliteit was tussen de plattelanders en de stadsmensen. De laatsten, dat was bekend, keken altijd wat vernederend neer op die hufters – de boeren – van het platteland. Maar die boeren stonden nu boven aan. Zij beschikten over de meest noodzakelijke levensbehoeften. Nu hadden zij het heft in handen en daar is van geprofiteerd. En helaas ook menigmaal op een ongeoorloofde manier. Om een voorbeeld te noemen:
(Dit verhaal is niet afkomstig van de Hr. Hommelberg, doch van een andere Beesdenaar.)
Op een dag kwam een vrouw in Beesd eten halen. Bij een boer ruilde ze haar warme mooie jas voor een aantal kilo's tarwe. Vol trots liet ze bovenstaande Beesdenaar haar ruil zien. Deze constateerde dat het graan in het geheel geen tarwe was. Het was een rommeltje van allerlei granen door elkaar met daarbij een heleboel vezels. De Beesdenaar adviseerde de vrouw terug te gaan en desnoods de plaatselijke politieagent erbij te halen. Dat gebeurde. De vrouw kwam enige tijd later terug zonder het waardeloze graan, maar wel met haar warme mooie jas.
Maar laten we niet de indruk maken alsof iedere Beesdenaar de voedselzoekers probeerde af te zetten. Oh nee, dankzij de hulp van veel mensen uit ons dorp zijn heel wat mensen van de hongerdood gered in deze hongerwinter. Een merkwaardige bijzonderheid was wel, dat deze voedselzoekers over het algemeen door de Duitsers met rust werden gelaten. Helaas was er een andere categorie van mensen die wel probeerden de met moeite veroverde en duur betaalde voedselpakketjes te bemachtigen. Dat waren de landwachters, meelopers in de N.S.B. Dat was de Nationaal Socialistische Beweging van Mussert. Mussert was leider van de N.S.B. en heulde met de Duitsers en was zeer gehaat. De her en der verspreide plakkaten en opschriften op muren en schuttingen zeiden over Mussert: 'Wie een nieuwe Staat wil bouwen, moet niet met zijn tante trouwen.'
Die landwachters waren dus N.S.B.'ers die hand- en spandiensten verrichtten voor de Duitsers. Ze werden bewapend en gebruikt voor de bewaking van wegen, bruggen en kruispunten. Ze hadden dus volop de kans om terugkerende voedselzoekers aan het einde van hun hongertochten te beroven. Dat deden ze dan ook prompt. Gelukkig hadden we hier in Beesd nauwelijks last van landwachters. In de buurt van de grotere steden echter wel.
Vaak zagen die voedselzoekers geen kans meer om op dezelfde dag weer terug te keren. 's Avonds na 6 uur mocht je immers niet meer buiten komen. Dan trachtte men een onderkomen te vinden voor de nacht. Vaak in hooibergen, schuren en stallen. Soms bij particulieren die medelijden hadden met die half verhongerde mensen. Jongeren trachten voorgoed in Beesd te blijven. Wanneer men een goed vak verstond of een werkkracht was, lukte dit nogal eens. Er was in het dorp en op het land voldoende werk en niemand controleerde of je nu wel of niet in het dorp thuishoorde.
Aan het eind van de oorlog begonnen ook de inwoners van Beesd gebrek te krijgen aan diverse artikelen. Men ging bijvoorbeeld uit suikerbieten zoetstof halen door er stroop van te koken. Dit was een vrij langdurig proces. De suikerbieten werden gewassen en in stukjes gesneden. Daarna werd het in grote weekketels uitgekoopt. Wanneer alles goed was uitgekoopt werd het uitgeperst. Het restant werd uitgedampt tot het een dikke stroop was. Dit hele proces vond plaats op de met hout gestookte formuiskachel. Probeer het maar eens. Op vrij grote schaal werden tabaksplanten gekweekt. Anderen rookten gedroogd aardappelloof. Van gedroogde wortelsnippers werd thee gezet en als ik mij goed herinner gebruikten sommigen die snippers om sigaretten van te draaien. Vloeitjes? Wel nee, een stukje krantenpapier was goed genoeg.
De bevrijding
5 mei 1945. De overgave van de Duitse legers werd tegen de avond bekend. Hoe? Dat weet ik niet meer, alleen weet ik dat op een gegeven moment iedereen de straat op ging: Lachend en juichend. De spanning was voorbij; de vijand was verslagen en iedereen verheugde zich uitermate. Geen avondklok meer. Geen angst voor de vliegende bommen of beschietingen. We waren weer vrij!
Het enige incident, dat ik mij nog herinnerde van die dag is het reeds eerder vermelde geval voor het toenmalige gemeentehuis, waarbij de Heer W. Bouman sr. een Duitse soldaat zijn mitrailleur probeerde af te nemen. De Ortscommandant kon toen gelukkig erger voorkomen door tussen beide te komen en de mensen vriendelijk te verzoeken nu maar naar huis te gaan en te gaan slapen. De andere dag kon er dan verder gefeest worden. Hier in Beesd is niet zo uitbundig feest gevierd als in de grote steden. Hier kwamen op 5 mei geen geallieerde tanks of ander legermateriaal de straten in. Dat de Duitsers zich hadden overgegeven, was dus nergens in Beesd te merken. Tafeleren zoals in grotere steden waar de bevolking juichend langs de kant stond om de soldaten toe te zwaaien hebben zich in Beesd niet voorgegaan. Natuurlijk hingen mensen die nog een vlag hadden deze uit. 's Avonds werd er die week in een zaaltje feestelijk gedanst. Ik dien nog even te vermelden dat er in die tijd ook voedseldroppings waren van Zweedse vliegtuigen. Zweden was niet in oorlog met Duitsland. Het land was neutraal en kreeg van de Duitse autoriteiten toestemming om deze droppings te houden voor met name de mensen in de grote steden. Beesd heeft in bescheiden mate hiervan ook geprofiteerd. In de Beesdse polders werden ook een aantal pakketten afgeworpen. Deze werden verzameld en verdeeld onder de Beesdenaren, die dat het hardst nodig hadden.
Na de bevrijding werd geprobeerd om zoveel mogelijk mensen die door de oorlog gedupeerd waren te helpen. Daarvoor werd de H.A.R.K. opgericht. Ook in Beesd kwam een comité. Dit comité besloot een grote inzameling te houden van de meest noodzakelijke huishoudelijke voorwerpen. Nu was dat niet zo eenvoudig als het misschien wel lijkt. Door de oorlogsjaren waren de meeste mensen niet in staat geweest hun huishouding te vernieuwen of aan te vullen. Niemand had dus iets wat echt de moeite waard was voor de mensen die alles kwijt waren geraakt in de oorlog. Het resultaat van de inzamelactie was dan ook slechts een waardeloze hoop rommel op een stapel.
Toen bekend werd dat er een afdeling Canadese soldaten in Beesd zou komen en ingekwartierd zou worden, gebeurde er nog iets merkwaardigs.
We beschikten hier in Beesd over een juffrouw Boonstra. En wat voor een juffrouw Boonstra. Ze was onderwijzeres en had wat de volksmond zegt 'de broek aan en haar op de tanden'. Juffrouw Boonstra vond dat de hele bevolking de Canadezen in het Engels moest begroeten. Dit zou dan moeten gebeuren met het liedje 'My bonnie is over the ocean, my bonnie is over the sea.' De repetitie was in het dorpshuis. Het resultaat was niet geweldig. In het dorpshuis was het een hoop lol maar van het liedje kwam ondanks de broek en het haar van juffrouw Boonstra weinig terecht.
De Canadezen in Beesd
Op welke dag en welke datum de Canadezen in Beesd kwamen weet ik niet precies meer.
Het moet ongeveer half mei geweest zijn.
Het moet ongeveer half mei geweest zijn.
Plotseling was daar een vrij groot aantal legervrachtauto's. Bij de inwoners was al kwartier gemaakt voor de bevrijders. Dat was geen probleem natuurlijk. Er was voldoende ruimte en een ieder wilde die jongens wel in huis hebben. Wat opviel bij dit legeronderdeel was de grote tegenstelling met het Duitse leger. Geen geschreeuw, geen keiharde commando's. Alles verliep in alle rust en geheel ordelijk. De voorraden die voor de ongeveer 200 Canadezen werden aangevoerd, werden hoofdzakelijk opgeslagen op de plaats waar nu het cafetaria bij het Dorpsplein is en waar de kantoren zijn van de Fa. Kroezen.
De lege vrachtwagens werden keurig in het gelid tussen de lindebomen aan de Voorstraat geparkeerd behalve bij het zgn. koetshuis (de tegenwoordige garage van dokter Venkamp). Daar werden drie legerwagens zo opgesteld dat ze met de garage een vierkant vormden. Dat vierkant was 's avonds een plaats van samenkomst en gezelligheid. In het midden werd een vuur gemaakt. Er stond daarbij een grote zak thee en een grote zak suiker.
Opmerkelijk was de manier van thee zetten. De thee werd namelijk gekookt en was gietzwart. Grote scheppen suiker gingen in de mokken, waarop dan de zwart gekookte thee werd geschonken. Daarna klommen de manschappen op de wagens en gingen gehurkt op de grond zitten. De ukeleles (een soort klein gitaartje) werden voor de dag gehaald en er werd gezongen. Uiteraard was er een groot aantal mensen op de been om dit mee te maken. Een van de liedjes was een spotlied op Hitler, de führer. Dat werd steeds herhaald tot groot vermaak van het publiek. Het was wel Engels, maar iedereen begreep de bedoeling.
Wij hadden ook inkwartiering. Eentje bleef slechts twee dagen, maar een ander, Howard Gray, bleef tot het eind van hun verblijf. Ik vroeg hem om de tekst van het Hitler-lied. Hij zou het zelf uittypen. Het was een zeer gebrekkige aftandse schrijfmachine op de administratie van de Canadezen op Voorstraat 103, de woning van Mej. H. Pieck, die er thans nog woont.
Dit is de oorspronkelijk uitgetypte tekst:
In The Führer's Face
When the Führer says we are the master race,
We heil, heil, right in the Führer's face.
Not to love the Führer is a great disgrace,
So we heil, heil, right in the Führer's face.
We heil, heil, right in the Führer's face.
Not to love the Führer is a great disgrace,
So we heil, heil, right in the Führer's face.
For we are not the super men,
Himmel, Himmel, super men,
So we are the super men,
Super, duper, super men.
Himmel, Himmel, super men,
So we are the super men,
Super, duper, super men.
Hitler calls this world to order,
Every alien race will love the Führer's face
When he calls this world to order.
Every alien race will love the Führer's face
When he calls this world to order.
When the Führer says we are the master race,
We heil, heil, right in the Führer's face.
We heil, heil, right in the Führer's face.
Have we not got many friends,
Any friend, alien friends?
In the way of our friends,
Mussolini is our friend,
But we will get them in the end.
Any friend, alien friends?
In the way of our friends,
Mussolini is our friend,
But we will get them in the end.
When Herr Goebbels says we own the world and space,
We heil, heil, right in Herr Goebbels' face.
When Herr Göring says they will not bomb this place,
We heil, heil, right in Herr Göring's face.
We heil, heil, right in Herr Goebbels' face.
When Herr Göring says they will not bomb this place,
We heil, heil, right in Herr Göring's face.
Enkele opmerkelijke dingen van deze Canadezen wil ik nog even vertellen. Ze beschikten naast de auto's ook nog over zware motoren, Harley Davidson's als ik mij niet vergis. Het viel mij op, dat men zo royaal met de benzine omspringt. Ze maakten zelfs hun motoren met benzine schoon. Nu zouden wij graag naar familie in Amersfoort gaan, die dringend verlegen zaten om wat aardappelen en groenten. Wij beschikten wel over een oude auto, maar hadden uiteraard geen benzine. Logisch dacht ik, dat wanneer die soldaten zo royaal met brandstof omspringen, er toch ook wel een paar litertjes voor mij af konden. Howard Gray gevraagd! En wat denk je? Niets! Die benzine was van het leger en daar bleef hij mooi af. Wel wilde hij de commandant vragen om voor dit speciale geval wat benzine te geven. En ja hoor, hij kwam met een keurig briefje getekend door de commandant terug, dat hij voor ons in dit speciale geval twee jerrycans benzine mocht halen. Discipline, hè!
Ik moet er nog wel iets anders bij vertellen. De veldkeuken was achter bij mijn huis ingericht. Heel sober van wat gestapelde stenen, daar bovenop een paar ijzeren platen, daaronder een vuur en klaar was de veldkeuken. Maar wat er op klaargemaakt werd, was van uitstekende kwaliteit.
M.B.J. Hommelberg
Deel B:
Kapitein Venema in Beesd
Zoals reeds in het begin van het eerste deel verteld, werden de Nederlandse soldaten in augustus 1939 opgeroepen: De mobilisatie. Beesd lag in de Hollandse Waterlinie dus ook hier werden soldaten geleverd en wel het 25e regiment infanterie. Het waren ongeveer 1000 soldaten en ze werden in allerlei huizen in Beesd ingekwartierd. Zo ook bij de familie Pieck op huize 'De Stoep' kwam zelfs het regimentsbureau. Hoofd van het bureau was kapitein Venema. Een andere belangrijke soldaat was sergeant-majoor Boeleman. Het bureau had ook een regimentsbewaker. Dat was soldaat Bernard Smit uit Emmen. Deze soldaat had een hond bij zich als extra bewakingshulp. Deze hond heette Ras Kassa.
Dit alles staat nog steeds in het geweldige geheugen gegrift van Guus Pieck, de zoon van Cornelis Pieck. Met de heer A. Pieck, die toen pas dertien jaar was, praatte ik over die mobilisatie-tijd.
'Kapitein Venema was altijd gekleed in een buitenmodels uniform. Iedere morgen stond hij bij ons op de stoep aan het Linge-eind om zijn instructies te geven aan zijn sergeants en korporaals. In alle vroegte om half zes had een soldaat "reveille" geblazen. Op bijna iedere hoek van Beesd werd dan het bekende deuntje geblazen. De soldaten moesten dan opstaan op hun inkwartieradres en om 7.00 uur op appel staan in de Voorstraat. Na het appel moesten alle secties langs kapitein Venema afmarcheren.'
De heer Pieck pakt vervolgens een soort trompet van de kast af en vertelt dat dit nu die hoorn is waar 's morgens op geblazen werd. Bij het plotselinge vertrek van het regiment in verband met de Duitse inval hadden ze in alle haast deze reveille-hoorn vergeten.
'In onze tuin werden ook nog twee toiletten in elkaar getimmerd. Dat deed timmerman Vermeulen. Het toeval wil dat de soldaat die werd aangesteld om de "poepdozen" netjes te houden luisterde naar de toepasselijke naam: Soldaat Poepjes! Deze soldaat was visser van beroep en kwam uit Friesland. De meeste soldaten van het 25e R.I. kwamen trouwens uit de noordelijke provincies. De soldaten die hier waren, maakten gebruik van paarden. Dat waren van die grote Belgische paarden: Belgen. Een aantal van die paarden stond gestald aan de overkant van ons huis, bij G. Kroezen. De paarden werden verzorgd door soldaat Jan Boels. Een paar huizen verder, waar Louis van Iersel woonde, daar functioneerde de kelder als een soort gevangenis. Soldaten die tegen de regels hadden gezondigd moesten daar hun straf uitzitten. Ik herinner mij nog dat daar soldaat Wolters zat. Met de kinderen uit de buurt brachten wij hem vaak snoepjes en dropjes. Wij reikten hem dat aan door het kelderraam.'
Het K.K.-gebouw werd ingericht als kantine. Speciaal voor de soldaten waren er een tweetal biljarten en een grote sjoelbak. Onder de soldaten was soldaat Tonds. Dat was een komiek. Hij maakte allerlei liedjes, die door de soldaten en ons dapper werden meegezongen. Op het dorpsplein bij de boerderij van Kees van den Heuvel stond de keukenwagen. Het voedsel van de soldaten bestond uit 's morgens een kuch. Dat was een broodje van ongeveer 8 ons. Vaak was er erwtensoep. De erwten van de soep zaten nog in de dop als ze in de soep gingen. Het eten was over het algemeen zeer goed. Ik heb er regelmatig van meegegeten. Op de avond van de 9e mei 1940 was er enigszins spanning onder de soldaten. Het was alsof men vermoedde dat er iets komende was. Ik herinner mij dat sergeant-majoor Boeleman op Paasverlof was op 22 maart 1940. Terug op 26 maart.
Namen van Nederlandse soldaten die tijdens de mobilisatie in Beesd waren ingekwartierd in maart 1940.
Paasverlof op 22 maart 1940. Terug op 26 maart met de trein aangegeven achter de naam:
- Kuiper G. - 10.16 v. Assen
- Detz F. - 10.16 v. Assen
- Bekhof D. - 9.59 v. Wpolvega
- Krol J. - 10.16 v. Assen
- T. Oenen G. - 8.56 v. Amsterdam
- Oostindjer H. - 8.66 v. Amsterdam
- Bos H.J. - 9.59 v. Wolvega
- Polling J.K. - 9.24 v. Groningen
- Vd. Kruijs J. - 10.11 v. Helmond.
- Eling W. – 10.16 v. Assen
- Herlings J. – 10.15 v. Assen
- Jongsma D. – 9.24 v. Groningen
- Niemeier J. – 10.16 v. Assen
- Oldeburger J. – 10.16 v. Assen
- De Haan W. – 9.46 v. Heerenveen
- Iorgnan H.N. – 8.15 v. Winschoten
- Ovinga, E.
Paasverlof op 24 maart 1940. Terug op 28 maart met de trein aangegeven achter de naam:
- Wonnink B.J. - 11.37 v. Doetinchem
- T. Tuinhout A. - 10.16 v. Assen
- Poepjes H. - 9.46 v. Heerenveen
- Kamer H. - 9.39 v. Wolvega
- de Groot - 9.59 v. Wolvega
- Adams A. - 8.15 v. Winschoten
- Konig H. - 10.16 v. Assen
- Bleeker B.H. - 10.16 v. Assen
- Kranen H.J. - 9.36 v. Blerick
- Tubben R. - 9.10 v. Coevorden
- La Heij J.K. - 10.16 v. Assen
- Stryker C. - 8.44 v. Emmen
- Werkman J. - 3.31 v. Winsem
Veedrijven naar Lexmond
Op vrijdag 10 mei was de oorlog uitgebroken. Henk van Buuren uit Beesd herinnert het zich nog prima. ‘Zoals iedere morgen zat ik met oom Henk de koeien te melken aan de Busterweg. Het was altijd stil. Je hoorde de vogels fluiten en genoot al melkend – met de hand – van de natuur om je heen. Die stilte werd op een gegeven moment verbroken door hele drommen laag overvliegende vliegtuigen. Niet wetende wat dat betekende, gingen wij rustig door met ons werk. Toen wij klaar waren met melken, gingen we terug naar het dorp en hoorden wij het nieuws dat de Duitsers ons land waren binnengevallen.’
Om de Duitsers te beletten grote delen van ons land te veroveren was er een plan om een groot deel van ons land onder water te zetten. Dat zou dan vooral hier in de Betuwe moeten gebeuren. Op zaterdag 11 mei werd dan ook gestart met het onder water zetten: De inundatie. Om te voorkomen dat al het vee in de weilanden zou verzuipen, moest al het vee naar elders gebracht worden. Bij de watersnoodramp in 1953 in Zeeland is dat ook gebeurd. Toen werd al het vee van Zeeland naar o.a. de Betuwe gebracht. ‘Ik herinner mij nog’, vertelt Henk van Buuren, ‘dat wij een stuk of tien koeien er toen op de boerderij bijkregen.’
Maar nu was het 1940. Er waren nauwelijks veewagens. Het meeste vee uit Beesd moest al drijvend naar hogere gronden gebracht worden achter de Hollandse Waterlinie. Bepaald was dat het vee van Beesd naar Lexmond moest gaan. Henk vertelt hoe dat allemaal ging:
‘Op zaterdag kwam Bart van de Heuvel om al het vee te merken. Ze kregen dan in hun oor een plaatje geponst: een merkteken. Zo werd dat met al het melkvee en jong vee in Beesd gedaan. De volgende dag – 1e Pinksterdag – gingen we ’s middags op pad. ’s Morgens waren we nog naar de kerk gegaan. Het was immers Pinksteren. Wij hadden ongeveer 40 stuks vee. Dat waren voor de helft melkkoeien en de rest wat kalveren en paarden. Schapen gingen niet mee, die moesten zich maar zien te redden. Al dat vee werd het weiland uitgedreven en op de weg gezet. Wij waren met ons vijven om ons vee op te drijven. We hadden onze fiets meegenomen. Het was een drukte van jewelste op al die landweggetjes. Al het vee van iedereen liep door elkaar. Met elkaar zorgde je voor elkaars vee. Dat was niet altijd even makkelijk. Vooral het jong vee – de kalveren – waren lastig. Het is ook niet gelukt om die allemaal mee te drijven. En natuurlijk geraakte er zo nu en dan een koe in de sloot. Er was te weinig tijd om dat allemaal op te lossen. Dus die koeien moesten dan maar achter blijven. Tegen het donker kwamen we eindelijk in Lexmond aan. Mensen stuurden ons naar de Lekdijk. Al het vee van Beesd werd daar de uiterwaarden ingedreven. Toen dat gebeurd was hebben we de hekken gesloten en zijn we op de fiets naar huis gegaan. Ons vee zou nu verzorgd worden door de boeren uit Lexmond. Ze zouden ons vee ook melken. Daar hadden we alle vertrouwen in. ’s Nachts om twee uur waren we eindelijk weer thuis. Daar hoorden we dat we zelf ook moesten evacueren. Het was dus goed om even snel een dutje te doen.’
Met z’n allen naar Waddinxveen
Zoals in het eerste deel van dit boekje reeds is beschreven door de Hr. Hommelberg, moest de bevolking op 2e Pinksterdag evacueren naar plaatsen achter de Hollandse waterlinie. De families van Buuren uit de Hoogstraat en Middenstraat gingen net als alle Beesdenaren op weg naar plaatsen, die door hogerhand waren aangewezen om ons op te vangen. Dit alles met de reden om de Betuwe onder water te kunnen zetten. De jonge Henk van Buuren die op de terugweg was van het veedrijven naar Lexmond, kreeg op de weg tussen Leerdam en Acquoy al natte voeten op de fiets. Dus evacuatie was geen overbodige luxe.
Of je nu wilde of niet, je moest het dorp verlaten. Zieken en bejaarden werden zoveel mogelijk met auto’s vervoerd. De enige twee veewagens die Beesd bezat werden ook ingezet. Een dag eerder waren die nog gebruikt bij het vervoer van het vee naar Lexmond. Zo haalde de veewagen van Huib Hoos de oma van Henk van Buuren op. Dochter Cato ging als verzorgster van moeder mee. Het kleine vee zoals konijnen en kippen, kon natuurlijk niet meegenomen worden. Ook de varkens bleven achter. Voor vertrek zorgde men ervoor dat ze ruim voldoende voedsel hadden voor een aantal dagen.
'Wij gingen op de fiets’, vertelt Henk. ‘Mijn ouders en de buren gingen met onze paard en wagen. Daarin was ook nog plaats voor een broer van mij en mijn jongere zus. We gingen via Leerdam naar Loosdorp, Leerbroek, Meerkerk, Ameide, Tienhoven naar Nieuwpoort. Bij Nieuwpoort moesten we met het veer de Lek over naar Schoonhoven. Het was me een drukte van jewelste daar bij het veer. Heel Beesd stond daar zo’n beetje te wachten voordat het kon worden overgezet. Toen ik met de fiets aankwam, zag ik ook de wagen van Huib Hoos, waarin mijn oma en mijn tante Cato zaten. Wij waren dus met de fiets bijna net zo snel als zij met de veewagen. Plotseling werden wij opgeschrikt door overvliegende vliegtuigen. Ik zocht met mijn vrienden dekking tegen de Lekdijk. De Duitse vliegtuigen namen blijkbaar een schip onder vuur. Na de beschieting konden wij eindelijk ook naar de overkant. Pas bij aankomst in Waddinxveen bleek dat bij de beschieting door het Duitse vliegtuig mijn tante Cato geraakt is door een scherf. Ze was door de veewagen direct naar het ziekenhuis in Gouda vervoerd. Ze is daar nog acht weken zo goed mogelijk verzorgd, maar uiteindelijk toch overleden aan haar verwondingen. Ze stierf op 7 juli 1940.
‘De volgende dag, dinsdag 14 mei, bleek dat wij van de waterlinie in de vuurlinie waren terechtgekomen. Op die dag werd Rotterdam gebombardeerd. Vanaf Waddinxveen kon je Rotterdam zien branden. Die dag zijn 25.000 gezinnen dakloos geworden en ruim 1000 mensen gesneuveld. Verschrikkelijk gewoon.’
Op woensdag 15 mei gaf Nederland zich aan de Duitsers over en moesten wij vijf jaar naar hun pijpen dansen. Donderdag 16 mei had ik de gelegenheid om met een vrachtauto weer naar huis te gaan. Thuis was alles leeg en verlaten. Hongerige varkens en kippen, die weer verzorgd moesten worden. Sommige huizen waren geplunderd en vervuild. Maar ondanks alles waren de mensen toch weer blij dat zij gezond en wel weer thuis waren.’
Op avontuur in Duitsland
In het eerste deel van dit boekje is reeds het een en ander verteld over 'werken in Duitsland'. Een van die jongemannen die in Duitsland is gaan werken was Johan van Beest. Johan leeft gelukkig nog steeds en ik ben hem eens gaan opzoeken en ik heb hem eens naar zijn herinneringen gevraagd over het werken in Duitsland.
Johan, die nu in de Middenstraat te Beesd woont, ging op 9 juni 1943 naar Duitsland. Johan was toen 19 jaar en de Duitsers eisten dat deze jonge mannen in Duitsland gingen werken. Aan onderduiken dacht Johan niet. Zijn vader was zeer plichtsgetrouw en hield zich aan alle verordeningen van de Duitsers. 'Mijn vader gaf in de oorlog de aardappelen bijna voor niets weg aan de mensen die eten kwamen kopen', zegt de heer van Beest. 'Te veel geld vragen voor voedsel was immers verboden. Dus deed mijn vader dat niet. Voor nog geen twintig gulden verkocht hij een mud aardappelen. En zo kan ik nog wel vele andere voorbeelden opnoemen. En zo vond mijn vader dat ik ook maar gehoor moest geven aan de oproep van de Arbeitseinsatz.'
Johan van Beest was niet de enige Beesdenaar die in juni 1943 op de trein stapte naar Arnhem. Met hem waren ook Kees Salari, Arie Kroeze, Bertus Krielen en Cornelis van Ballegooy. Zij zijn allen bijna twee jaar in Duitsland geweest. Johan zelf heeft er 'maar' zeven maanden gezeten.
'Och, ik vond het helemaal niet zo erg om naar Duitsland te gaan. Het leek mij eigenlijk best leuk', zegt Johan van Beest. 'Maar toen we daar een aantal weken waren, dachten we daar toch wel heel anders over. Naar huis gaan, was toen onze enige wens', vervolgt Johan. 'Via Arnhem gingen we met de trein naar Soest in Duitsland. Daar hebben we de nacht doorgebracht. Toen gingen we verder naar Schwerte-Ruhr. In die stad was een fabriek die o.a. locomotieven repareerde. Een soort werkspoor, zoals je dat ook in Utrecht had. Bij die fabriek waren houten barakken neergezet. Dat waren de gebouwen waar wij moesten verblijven. Wij zaten in Lager-Ost. In onze barak was ruimte voor ongeveer 10 man. Er stonden stapelbedden in en wat tafels. Ik herinner mij dat wij daar met nog een aantal jongens zaten uit Haaften, Herwijnen en ook Bommel.'
We werkten op de fabriek in ploegendienst. De dagdienst was van 's morgens 7.00 uur tot 's avonds 6.00 uur. Er werkten wel duizend man op de fabriek. Dat waren mannen uit allerlei landen: Rusland, België, Frankrijk en natuurlijk ook Duitsers. Die Duitsers waren hoofdzakelijk oudere mannen en ook vrouwen. Er waren trouwens ook bij de Russen vrouwen. Met die Russen moesten wij samenwerken. Dat waren sympathieke mensen. Ik herinner mij nog dat die Russen onder elkaar wat onenigheid kregen toen een van hen mij uitschold omdat ik bad voor het eten.
Het eten was de eerste paar dagen wel redelijk. Maar daarna werd het alsmaar slechter. Het was brood en als avondeten enkel en alleen koolsoep. Het eten was echt afschuwelijk.
Wij kregen voor het werk dat wij deden wat geld. Dat geld gaven wij in het weekend vaak uit. We waren namelijk niet verplicht in het 'Lager' te blijven. Na het werk mocht je het kamp verlaten. Als je je maar meldde wanneer je wegging en terugkwam, was alles in orde. In een klein hotelletje genaamd 'In de Stademan' in de buurt van het kamp kon je in het weekend heerlijk eten. Ik herinner mij nog heel goed een heerlijk bord eten met rode kool en aardappels en vlees.
Gelukkig kregen we zo af en toe een pakketje van thuis opgestuurd. Dat was soms wel één keer per maand. Daarin zat dan meel, boter en jam. Van dat meel kon je bij de bakker in het dorp je eigen brood laten bakken. Niet iedereen kreeg een pakketje. De een kreeg het ook veel eerder dan de ander. Met elkaar spraken we dan ook af, dat wie het eerst het pakketje kreeg, dat verdeelde. Dat is altijd zo gebleven.
De Russen waren helaas niet zo vrij als wij. Zij mochten het kamp niet uit en kregen nog slechter te eten. Ik meen dat de reden hiervoor was, dat zij krijgsgevangenen waren. Maar zeker weten doe ik dat niet.
Die voedselpakketten moest je overigens zelf afhalen op het station. Ik weet nog dat er een bericht kwam, dat er weer een pakje voor ons was. Vreemd eigenlijk, want nog maar kort geleden hadden wij al een zending ontvangen. Maar goed, wij naar het station. Daar bleek het een voedselpakket voor een Duitse soldaat te zijn, want er stond op: Liebe Heinrich. Ik weet dat het niet goed was, maar wij hebben met elkaar dat luxe pakket heerlijk opgemaakt. Er zaten o.a. zalige bonbons in.
Soms mocht je met verlof naar huis. Dat verlof duurde maar kort: drie dagen. In 1943 was dat twee of drie keer per jaar. Ik kwam voor het eerst aan de beurt in januari 1944. Eigenlijk was ik heel niet in orde. Ik had altijd al last van mijn maag, maar door het slechte eten was het nog erger geworden. Ik wilde mij echter niet ziek melden, omdat ik bang was dat dan mijn verlof zou worden ingetrokken. Na 7 maanden mocht ik dus voor drie dagen naar huis.
Ik weet nog dat de treinen in Nederland barstens vol zaten. Er was natuurlijk enkel openbaar vervoer. Toen ik thuis kwam, hebben mijn ouders mij direct naar dokter van der Hooft gestuurd. Ik was ondervoed en de dokter adviseerde mij in de ziektewet te gaan en niet terug te gaan naar Duitsland. Heel wat papieren moesten toen worden ingevuld. Want als je weg bleef, kon dat gevolgen hebben voor de andere Nederlandse jongens op de fabriek. Als ik zonder goede reden niet zou terugkomen, zou het verlof van hen worden ingetrokken. Ze lieten ons namelijk niet tegelijk met verlof gaan. Ik heb dat ziekteverlof tot 11 april 1944 kunnen rekken. Toen moest ik eigenlijk terug naar Duitsland. Je snapt dat ik nu wel heel anders dacht over werken in Duitsland dan in juni 1943. Ik had ook al vernomen dat er niemand meer met verlof werd gestuurd. Er waren te weinig arbeiders en de situatie in de oorlog veranderde met de dag.
Ik ben toen naar onderduikadressen gaan zoeken. Zo kon ik alle avonden slapen bij van Bommel, de smid. Het is mij gelukt tot de bevrijding uit handen van de Duitsers te blijven. En daar ben ik iedereen, die mij toen geholpen heeft, nu nog dankbaar voor.
Onderduiken in je eigen dorp Beesd
In het vorige verhaal kon men lezen hoe het Johan van Beest en zijn vrienden verging in Duitsland. Johan heeft zeven maanden in Duitsland gewerkt en is toen na zijn verlof niet meer naar de fabriek in Duitsland teruggekeerd. Hij is toen ondergedoken bij vrienden en familie in Beesd. Zo verging het ook vele anderen. Een van hen was Henk van Buuren. We schreven al eerder over hem bij de evacuatie van Beesd naar Waddinxveen.
Henk was bij het uitbreken van de oorlog 18 jaren jong en werd in 1943 opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Nu waren er verschillende manieren om daar onderuit te komen. Je kon via het arbeidsbureau in Tiel of Nijmegen verschillende vrijstellingsbrieven krijgen. Je moest dan aantonen dat je thuis in het bedrijf onmisbaar was of dat het werk dat je deed van groot belang was. Henk van Buuren werkte op een boerderij bij zijn grootouders in de Middenstraat. Het lukte hem om steeds maar weer 'een ausweis' (een document waarop stond dat je vrijstelling had om niet in Duitsland te gaan werken) te versieren. Dat lukte tot 20 maart 1944. Toen kreeg hij bericht dat hij moest vertrekken naar Duitsland. Hij kreeg allerlei papieren en het bekende blauwe paspoort. Via Nijmegen zou er naar Essen gegaan worden. De leeftijdsgenoten van Henk, die regelmatig samen naar de keuring voor de Arbeitseinsatz waren geweest, hadden al afgesproken dat ze niet naar Duitsland zouden gaan. Ze zouden met elkaar gaan onderduiken.
Nu betekende dat onderduiken niet dat je de gehele dag in een soort kelder zat: 'Oh nee, ik werkte gewoon alle dagen op de boerderij van mijn grootouders, maar zo af en toe kregen wij bericht dat er Duitsers onderweg waren om ons op te zoeken: Een soort razzia. Je moest dan zo snel mogelijk een veilig heenkomen zoeken.' En Henk vertelt verder:
'Eens op een zaterdag was het ook zover dat we te horen kregen dat er Duitsers onderweg waren. Met nog acht mensen waren wij onderweg om uit te wijken naar Rumpst. In de Veersteeg aangekomen besloten wij onderdak te zoeken in het lijkenhuisje op het kerkhof. Zittend en liggend op de draagbaar werd daar de gehele avond doorgebracht. Het was buiten zeer slecht weer. Storm en regen. Wij zaten gelukkig droog, maar het was wel erg koud. Laat in de avond durfden we pas weer te voorschijn te komen. Ik herinner mij nog dat we om beurten in het donker de Veersteeg over renden.
Een andere keer was het weer onveilig. Dat was op een zondag. Ik verdween tegen de avond in mijn eentje en ging de grote schuur in bij het Hoog Huis. Daar waren toen nog veestallen. Ik heb daar best lekker geslapen. Wel weet ik dat de ratten overal en nergens om mij heen kropen. 's Morgens in alle vroegte kwam de knecht de schuur binnen. Het was Peter Piek. Hij schrok zich een hoedje van mij. Blijkbaar was de kust nog niet veilig, want ik werd door een broer van mijn vader opgehaald om een andere plek te zoeken waar ik verder ondergedoken bleef. Nu kwam ik terecht in een kippenschuur, midden in een weiland in de Ridderslag. Daar zat ik dus weer alleen. En dat is heel wat enger dan met elkaar, zoals in het lijkenhuisje aan de Veersteeg.
Na een uurtje zag ik vanaf de Barrebrugge nog iemand mijn schuilplaats naderen. Ik was ontzettend bang, want ik wist echt niet wie dat was. Een Duitser? Toen hij dichterbij kwam zag ik door een spleet dat het René Seij was. Dat was een onderduiker uit Zeeland, die hier later ook in Beesd gebleven is. Voor het trouwens negen uur was, zaten wij met vijf man bij elkaar. De meesten waren klasgenoten van mij. Later kwam een jongere broer van een van ons wat brood brengen. We vroegen hem ook een spel kaarten te brengen en wat tabak. We hebben toen de dag volgemaakt met kaarten. 's Avonds keerden wij gelukkig weer huiswaarts.'
En zo lukte het Henk en vele andere jonge mannen in Beesd om niet naar Duitsland te gaan. Het was een spannende tijd. Een tijd om nooit te vergeten.
Twee jaar weg van huis
Drie Beesdenaren in Schwerte v.l.n.r: Johan van Beest, Cornelis van Ballegooy en Arie Kroeze
Drie Beesdenaren in Schwerte v.l.n.r: Johan van Beest, Cornelis van Ballegooy en Arie KroezeEen andere Beesdenaar die ook naar Duitsland moest, was Bertus Krielen. Samen met Johan van Beest en nog enkele andere leeftijdgenoten uit Beesd vertrokken zij op 9 juni 1943 met de trein naar Duitsland. Zij gingen naar het plaatsje Schwerte aan de Ruhr. Deze plaats ligt in het Ruhrgebied bij Dortmund. Ik ben naar de Heer Krielen gegaan omdat ik eens wilde weten hoe hij de bevrijding daar heeft meegemaakt. Johan van Beest was immers na 7 maanden met verlof naar Nederland gegaan en daarna ondergedoken. Bertus heeft tot de overgave van de Duitse troepen in Schwerte-Ost gezeten: bijna twee jaar dus.
Bertus was 24 jaar en rozenkweker van beroep. In de fabriek te Schwerte moest hij meehelpen om kapotgeschoten lokomotieven weer rijdend te krijgen. Hij stond op de afdeling waar de ketel van de lokomotief gerepareerd moest worden. Bij een luchtaanval was zo’n ketel vaak doorboord. Overal zaten gaten in. Van rozenkweker werd hij in korte tijd met harde hand 'omgeschoold' tot ketelsmid. Het was zeer hard werken onder zware omstandigheden. Elf uur per dag en dat zes dagen per week.
'In de barak waarin we sliepen, was het een kale boel. Een strozak was alles wat we hadden. Drie of vier keer per jaar mochten we het stro verversen. In het laatste oorlogsjaar werd het nog nauwelijks ververst. Toen was alles een grote vieze boel. Zeep was er toen ook niet meer. Na het werk rende je zo snel mogelijk naar een soort douche. Je had dan in ieder geval nog een beetje warm water. Dan werd je tenminste nog een beetje schoon. Je kleding was helemaal niets. In het begin toen Johan er nog was, kreeg je af en toe nog wel eens een nieuwe overall of ondergoed. Dat was er in 1944 niet meer bij. Ondergoed had ik trouwens de laatste maanden niet eens. Je had een overall en dat was alles. Je voelde je dan ook ontzettend smeig. Het wemelde ook van het ongedierte in onze barak. De strobedden werden op het laatst van vliezigheid weggedaan. Ikzelf zat ook onder de luizen. We werden dan bespoten met D.D.T. De kamer zag dan wit van het stuiven van de witte poeder. De luizen gingen er in ieder geval dood van. De laatste maanden moesten we van de Duitsers steeds harder werken. Steeds meer treinen werden door de geallieerden beschoten. We konden het werk gewoon niet aan. En die Duitsers maar schreeuwen. De een na de ander werd dan ook ziek. Vooral T.B. (tuberculose) kwam voor. Er was een speciale barak voor de zieken. In de laatste maanden waren er iedere dag wel een aantal arbeiders die aan T.B. bezweken. Maar dat was niet het enige. De fabrieken in het Ruhrgebied werden bijna dagelijks gebombardeerd. Wonder boven wonder werd onze fabriek gespaard, maar het stadje Schwerte werd plat gebombardeerd. Wij moesten dan van de Duitsers meehelpen bij het puin ruimen en het opzoeken van de gesneuvelden. Dat was iets verschrikkelijks.
In april hadden de Amerikanen het Ruhrgebied omsingeld en waren een aantal steden al door het 9e Amerikaanse leger veroverd. De Duitsers vluchtten massaal. Toen brak er een verschrikkelijke tijd aan. De directeur van onze fabriek had zich op 13 april 1945 aan de Amerikaan overgegeven. De Amerikanen rukten verder op en lieten de fabriek voor wat hij was. Kees Salari en Arie Kroeze uit Beesd zijn toen gevlucht en waren al snel in Holland terug. Ons lukte dat niet. Wij moesten op de fabriek blijven en dat was verschrikkelijk. Dat klinkt gek, als je net bevrijd bent, maar op de fabriek was totaal geen orde meer. De Duitsers waren weg. Niemand was dus meer de baas. Twee jaar lang hadden de Duitsers de dienst uitgemaakt en ons tot de gekste dingen gedwongen. Voor een beetje eten hadden sommigen hun beste kameraden verraden. Omdat je honger had, pikte je het kleine beetje eten van je compagnon. Om in een goed blaadje bij de Duitsers te komen, was je bereid tot veel. Want je wilde toch blijven leven. Vooral bij de Russische arbeiders was dat zo. Toen de bevrijding er was, wilden velen zich wreken op hun mede-arbeiders. Waartoe mensen dan in staat zijn, dat houd je niet voor mogelijk. Men ging elkaar en dan vooral 's nachts te lijf met van alles en nog wat. Zoiets hoop ik nooit meer mee te maken. Gelukkig waren wij Nederlanders sympathieker voor elkaar.
Via allerlei doorvoerkampen lukte het ons om via Enschede en Arnhem in Den Bosch te komen. Met 20 man zijn we toen in een bestelauto naar de pont van Hedel gegaan. Inmiddels was het al half juni. In die drie maanden na de bevrijding heb ik natuurlijk wel goed kunnen eten. Alles wat maar eetbaar was, at ik op. Ik geloof wel dat ik mag zeggen dat ik toen niet gegeten heb, maar gevreten. Bij Hedel is het mij en Cornelis van Ballegooy en Wim de Jong uit Rhenoy gelukt om met een vrachtauto mee te gaan van de soldaten van de Prinses Irene Brigade. Zij brachten ons naar huis. Je snapt, dat dat een onvergetelijk welkom was. Arie Kroeze en Kees Salari die al in april thuis waren, konden wel zeggen, dat wij toen nog leefden, maar men wist niet zeker, of wij nu nog leefden. In de maand april en mei is immers nog zeer veel gebombardeerd. In Rhenoy had men dan ook op de thuiskomst van Wim totaal niet gerekend. Maar gelukkig waren wij er wel. Een vreselijke tijd was voorbij. Ik hoop zo iets nooit meer mee te maken.
Een verschrikkelijke herinnering
Een zwager van Bertus Krielen is Jan van den Dungen. Jan was bij het uitbreken van de oorlog 19 jaar en woonde in Amsterdam. Nu woont de Hr. van den Dungen in Beesd. Hij woont aan de Groenzoom, dicht bij andere familie. Jan van den Dungen ging net als Bertus in juni 1943 naar Duitsland. Eigenlijk was dat niet de bedoeling. De bedoeling was via een list te ontsnappen en onder te duiken. Jan was een jongen uit een groot gezin. Ook hij had bericht van de Duitsers gekregen om zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Als hij zich niet meldde, bestond de kans, dat zijn ouders werden opgepakt. Dat wilde natuurlijk niemand, dus bedacht Jan een plan om op een bepaald station uit de trein te springen en met een andere trein weer terug te gaan. Blijkbaar hadden meerdere jongemannen dit al eerder gedaan, want de Duitsers stonden bij iedere deuropening, als de trein bij een station kwam. Vluchten lukte dus niet. En zo belandde Jan via Bentheim in Berlijn. Daar werkte hij op de fabriek van het grote concern AEG.
'Het was een ongelofelijk grote fabriek. Er werkten vele duizenden mensen. Ik werkte op de fabriek, die gloeilampen maakte. Ik was eigenlijk tuinman, maar nu moest ik opeens met wolfram werken en glaslampen blazen. Ik had een machine waar het zeer heet bij was. Om daar uren achter te zitten was iets verschrikkelijks. Op een keer was ik zo moe, dat ik met mijn hoofd even rustte op de voorkant van de stalen machine. Een Duitser heeft toen met een grote voorhamer een ongelofelijke klap op het ijzer van de machine gegeven. Die dreun, die er toen door mijn hoofd ging, vergeet ik nooit meer.'
En zo vertelt de Hr. van den Dungen het ene verhaal na het andere. In de fabriek werkten dwangarbeiders uit allerlei landen.

Eventjes "vrij" op de A.E.G.fabriek in Berlijn. Rechts: Jan van den Dungen.
'Het ergste waren de bombardementen. Bijna iedere dag was er wel luchtalarm. Vooral 's nachts was dat het geval. Je deed soms geen oog dicht. Maar de volgende dag moest je toch weer fit zijn. En als je niet goed werkte, werd je door die Duitsers op een verschrikkelijke manier behandeld. Ik vertel daar liever niet over.'
En het werd als maar erger. Je was je leven totaal niet zeker. Iedere dag gebeurde er wel iets verschrikkelijks. Op het laatst reageerde je daar niet meer op. We raakten er aan gewend dat op nog geen honderd meter afstand een barak door een bom werd platgegooid. Dat medearbeiders daarbij om het leven kwamen, deed je op het laatst niets meer. Vandaag waren zij het en morgen misschien wij. En zo bleef het al die maanden. Het was jij of ik. Op 23 april 1944 werden we door de Russen bevrijjd. Maar denk nu niet dat alle angst en problemen voorbij waren. Toen begon wederom een verschrikkelijke tijd. Niemand vertrouwde elkaar nog. Je wist niet wie iemand was. Er waren zoveel nationaliteiten. Iedereen kon zich verkleden als een geallieerde. Vaak verstond je elkaar niet. Er waren immers Russen en Polen en Duitsers en Fransen en Hollanders. Bijna had ik de oorlog niet overleefd, toen ik door een Rus werd aangehouden. Hij dacht dat ik een gevluchte Duitser was. Dankzij een schreeuw van een Russische compagnon werd ik gered en schoot men mij niet dood. Zo heb ik in een paar maanden tijd vier maal oog in oog gestaan met de dood. Je werd in die chaos overal heen gestuurd en je moest maar zien hoe je overleefde. Ik heb toen gezien hoe mensen in beesten kunnen veranderen. Het was werkelijk verschrikkelijk. Een mensenleven betekende in die dagen helemaal niets. In die maanden heeft mijn geloof mij nog enigszins op de been gehouden. Maar ik heb menigmaal in die tijd gedacht: "Bestaat er eigenlijk wel een God".
Uiteindelijk is het mij gelukt al lopende en met behulp van de trein bij de Elbe aan te komen. In een goederenwagen ben ik toen naar Holland gereden. Wij reden de ene kant op en we zagen langs de spoorlijn de vele Duitse gewonde soldaten terugkeren. Het was in ieder geval heerlijk om weer thuis te zijn.'
De Hr. van den Dungen vertelde mij nog veel meer over zijn tijd in Berlijn. Lang niet alles hiervan heb ik nu opgeschreven. Mij is echter wel duidelijk, na tamelijk veel gesprekken met allerlei mensen uit Beesd, die op de een of andere wijze de oorlog hebben meegemaakt, dat wij er geen idee van hebben, op welke verschrikkelijke wijze onze jonge Nederlanders in de werkkampen in Duitsland geleden hebben. Meerdere malen in gesprekken met vooral de Hr. van den Dungen en de Hr. Krielen, kon ik gewoon niet geloven dat dat allemaal gebeurd was. Ook voor hen is niet alles voorbij. De gedachten en herinneringen aan die tijd doen vaak veel pijn. Ik hoop, dat door deze verhalen, wij beseffen, wat die mensen toen hebben meegemaakt.
Sientje van Straten
Al eerder in dit boekje schreven we over de Joden van Beesd. Sientje woonde met haar drie broers in de Voorstraat. Het huis stond tegenover de Hervormde kerk. Nu woont op de plaats waar vroeger de slagerij stond, de Familie Van Tussenbroek.
Het toeval wil, dat juist de Heer en Mevrouw van Tussenbroek een hele belangrijke rol hebben gespeeld voor een aantal Joden hier in Beesd tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De drie broers Van Straten hadden aan de Voorstraat een slagerij en een boerderij. De slagerij was een heel goede slagerij. Deze slagerij werd gerund door Salomon en Harry. Hartog was degene die voor de boerderij zorgde. De drie broers en Sientje waren al aardig op leeftijd, ongeveer zestig jaar oud.
Salomon was degene die vooral in de slagerij werkte en het vee slachtte. Hij was een van de beste slachters in de verre omtrek. Harry was vaak op pad met zijn hittekar om het vlees bij allerlei mensen te brengen: bij welgestelde mensen, want Harry had kwalitatief goed en dus duur vlees. Harry had zijn klanten in de verre omtrek. Zelfs tot in Hagestein en Meerkerk. Dankzij de goede contacten met al zijn klanten kon hij in 1942 aan een onderduikadres komen in Hagestein bij boer van Diesel. Dankzij een andere welgestelde Joodse familie in Beesd, de familie Hecht, hadden de drie broers vernomen dat ze moesten onderduiken. Hartog en Salomon konden terecht bij van Diesel. Harry zelf vond een adres in een dorp in de omgeving van Beesd. Zoals reeds eerder geschreven, trof Harry het bijzonder slecht en werd hij op zijn onderduikadres uitgebuit. Het was zelfs zo, dat Harry het in het geheel niet erg vond daar na vier maanden te worden ontdekt. Hij kon echter niet weten, welke verschrikkelijke gevolgen dat zou hebben.
Maar hoe verging het Sientje?
Sientje ging naar Gerrit van Tussenbroek, die in de Wilhelminastraat woonde op nr. 17. Gerrit werkte vaak samen met zijn oom Drikus op de boerderij van de van Stratens. Vooral in oogsttijd was er voor de jonge Gerrit volop werk. Gerrit was getrouwd en kon goed opschieten met de familie van Straten. Toen bekend werd, dat de Joden in Beesd moesten vluchten, kwamen zowel Sientje als Salomon bij Gerrit om te vragen, waar ze konden onderduiken. Gerrit woonde echter in een kleine arbeiderswoning en had onvoldoende ruimte voor Sientje en Salomon. Voor Sientje was er plaats op de zolder. Gelukkig kon Salomon toch nog een plaats vinden bij van Diesel.
'Ik herinner mij nog', vertelt Gerrit, dat ze hier in de Voorstraat van elkaar afscheid namen. Een afscheid, dat ik niet snel vergeet. Ze gingen allemaal op een avond naar hun onderduikadres toe. Ik zou voor Sientje zorgen.'
En zo gebeurde het. Gerrit kwam 's avonds met een kruiwagen naar de Voorstraat om Sientje op te halen. Sientje was een heel klein vrouwtje en kon met niet al te veel moeite zich goed in de kruiwagen verstoppen. 'Ik legde er een paar aardappelzakken overheen, zodat niemand iets kon zien', vertelt Gerrit. 'Na een poosje dacht ik dat ik achtervolgd werd. Voor alle zekerheid ben ik toen bij de smid in de Achterstraat de hof opgegaan en heb ik daar de kruiwagen neergezet. Tegen Sientje fluisterde ik, dat ze rustig moest blijven zitten. Ik zou zo wel terug komen.'
En inderdaad werd Gerrit door een nog onbekend persoon achtervolgd. Na een klein kwartiertje was het gevaar geweken en haalde hij de kruiwagen met Sientje erin weer op en liep verder ongemoeid naar de Wilhelminastraat. Daar werd op de zolder een kamer ingericht voor de Jodin. Er was daarboven natuurlijk geen stromend water en elektriciteit. Er was een bed en de welbekende lampetkan en een olielampje aan de muur. Daar op die zolder heeft Sientje ruim twee jaar ondergedoken gezeten. Ze wilde voor haar kost en inwoning gewoon betalen: f. 20,- per week. (Tegen het eind van de oorlog moest er voor een pond boter f. 80,- betaald worden).
Geen enkele keer durfde ze naar buiten te gaan om even een frisse neus te halen. 'Ik stelde nog wel eens voor om 's avonds even naar achter te lopen', vertelt Gerrit, 'maar daar wilde zij niets van weten. Ze was veel te bang ons in gevaar te brengen.'
Men moet weten dat op het verbergen van Joden de doodstraf stond. En dat wisten Gerrit en zijn vrouw. Men wilde dan ook alle risico vermijden. Men vertelde niemand in Beesd, dat Sientje bij hen zat ondergedoken. De buren en familie wisten er allemaal niets van. Pas aan het eind van de oorlog vertelde Gerrit het aan zijn eigen vader. 'Dat kwam zo', zegt Gerrit. 'Ik kwam mijn vader op de Appeldijk tegen en ook hij had in het dorp gehoord dat ze Sientje ergens gezien hadden. Dat kon natuurlijk nooit, want Sientje zat bij mij. Maar ik kon mijn eigen vader toch wel vertrouwen?' dacht Gerrit. En op die dag vertelde Gerrit zijn geheim. Er was overigens nog een persoon in Beesd, die wist van de moedige daad van de familie van Tussenbroek. Dat was dokter van der Hooft. Deze Beesdse dokter was actief in het verzet. Dankzij deze huisarts kwam Gerrit aan voldoende broodbomen voor Sientje. De dokter kwam ook wanneer Sientje ziek was. 'Sientje is een keer verschrikkelijk ziek geworden', herinnert Gerrit zich opeens. 'Ze was zo ziek, dat ik echt dacht dat ze dood zou gaan. Ze rilde van koorts en was kortademig. Ik maakte mij toen erge zorgen, want wat moest ik doen wanneer Sientje echt dood zou gaan? Zou men mij geloven dat Sientje een natuurlijke dood was gestorven? Ik besprak dit probleem met dokter van der Hooft en hij stelde mij gelukkig gerust', aldus Gerrit.
Sientje is toen weer beter geworden dankzij de goede zorgen van de vrouw van Gerrit. Ze kreeg extra groenten en veel vlees. Sientje moest altijd in haar eentje eten. Mevrouw van Tussenbroek bracht iedere avond het eten boven. Het dochtertje van de familie van Tussenbroek – ze was toen drie jaar – vroeg zich af waarom moeder toch eten boven bracht. 'Mamma brengt het muisje eten', vertelde moeder dan. 'Op zolder woont een muisje en dat moet toch ook eten.' En zo geloofde het dochtertje, dat moeder iedere avond naar boven ging om 'het muisje' eten te geven. Natuurlijk was Sientje niet altijd stil boven op zolder. Wanneer er toevallig toch wat lawaai kwam van de houten zolder, dan was dat natuurlijk 'het muisje' dat lawaai maakte. En zo werd het mogelijk de Jodin zolang heimelijk te verbergen.
's Avonds kwam Sientje wel naar beneden. Immers na 6 uur mocht niemand meer op straat komen. Dan was het dus redelijk veilig om beneden met Sientje gezellig te kletsen. 'Een enkele maal in al die jaren werden we 's avonds plotseling door vrienden of familie toch gestoord', vertelt Gerrit, 'Sientje moest dan snel naar boven. Dat leidde dan wel tot wat gehaast aan de achterdeur, maar daar zit ik niet zo mee. Slechts een keer hadden we geen tijd meer om Sientje naar boven te krijgen. Toen kwam mijn moeder op bezoek. Die wist van het verblijf van Sientje niets af! In alle haast hebben we toen het dressoir naar voren geschoven. Daar heeft Sientje toen minstens anderhalf uur doodstil achtergezeten.'
De familie Van Tussenbroek deed 's avonds uit voorzorg wel de luiken dicht en op het fornuis liet men de gehele avond een ketel water stomen. De ruiten van het venster aan de achterzijde, waar geen luiken voor zaten, besloegen dan flink. Niemand kon dan zien dat Sientje beneden zat.
Voor de rest zat Sientje altijd boven. Boven was wel een raam. Op bijgaande copie van een foto van het huis is dat raam goed te zien. Daar zat Sientje dan stiekem achter een gordijn naar buiten te gluren.
Duitsers in Beesd
In september 1944 zagen we eigenlijk voor het eerst Duitsers in Beesd. Door het oprukken van de geallieerde legers in het zuiden van ons land werden er honderden Duitse soldaten in Beesd ingekwartierd. Iedere boerderij aan de Parkweg kreeg wel inkwartiering van een stuk of tien Duitsers.
Zo ook de familie Piek. Een van de zoons heette Dirk. Hij trouwde later met Lies Kok uit Wassenaar.
'Ik was toen twintig jaar', vertelt mevr. Piek-Kok. 'Ik herinner mij die oorlog nog heel goed. Wel dertien keer ben ik met de fiets van Wassenaar naar Beesd gereden. Wat ik toen onderweg allemaal heb meegemaakt is nauwelijks met een pen te beschrijven. Vooral bij het Veer van Culemborg heb ik angstige uren doorgemaakt.'
Van de vele verhalen van Mevr. Piek bleef één verhaal mij in het bijzonder bij. Het is het verhaal van Adriaan.
'Bij Piek hadden ze Duitse inkwartiering en iedere morgen gingen de Duitse soldaten op pad naar de kookwagen. Deze stond bij Bouman aan de Parkweg. Iedere ochtend was er ook in de kerk een kindermis. De meeste katholieke kinderen gingen dan ook 's morgens op pad om naar de kerk te gaan. Adriaan, de jongere broer van Dirk ging ook. Op een gegeven moment kwamen er vliegtuigen over, die laag over de Parkweg heen kwamen en aanvallen uitvoerden op een aantal rijdende Duitse militaire auto's. Er was natuurlijk paniek en iedereen dook de greppel in. De kinderen wisten in het geheel niet wat er allemaal gebeurde. Adriaan liep toen op de Parkweg, waar nu de fam. v.d. Heuvel woont; even voorbij de huidige begraafplaats. Een Duitse soldaat die bij ons ingekwartierd was en reeds een veilig heenkomen had gezocht, is toen de geheel overstuur zijnde Adriaan van de weg af gaan halen. Bij deze actie werd de soldaat echter geraakt en is even later aan zijn verwonding bezweken. Wij kenden deze soldaat, omdat hij bij ons was ingekwartierd. Hij was smid van beroep. Ik weet nog dat hij een foto liet zien waarop hij stond met een aantal knechten. Hij vertelde toen, dat al die knechten in de oorlog al waren omgekomen.'
Een goede vijand
Het verre Nederlands-Oost-Indië, dat nu Indonesië heet, is in de Tweede Wereldoorlog, net als Nederland, óók bezet geweest. Niet door de Duitsers, maar door de Japanners. Mijn vader, die dienstplichtig soldaat was, is aan het begin van de bezetting krijgsgevangen gemaakt. Mijn moeder is met haar vier kinderen eerst nog vrij gebleven, maar een klein jaar later belandden wij allemaal in een burger interneringskamp. Alle Nederlanders werden namelijk door de Japanners gevangen genomen en in zogenaamde 'beschermingskampen' opgesloten.
Eerst was het hele gezin, behalve mijn vader, nog bij elkaar maar al gauw werden alle jongens van 14 jaar en ouder overgebracht naar aparte mannenkampen. Ik was 14 jaar, dus werd ik ook naar zo'n mannenkamp gestuurd. Wat erger was, nog een half jaar later werden ook de jongens van 10 jaar en ouder bij hun moeders weg gehaald en in deze mannenkampen gestopt. Dat betekende, dat je je moeder niet meer kon zien, niet meer kon spreken en zelfs niet meer kon schrijven! Ik heb die jongetjes in ons kamp huilend zien binnen komen, heel erg.
Op een kwade dag werd één van deze kleine jongens heel erg ziek; hersenvliesontsteking. En dat, terwijl de goede medicijnen daarvoor er gewoon niet waren. Hij verkeerde dus in groot levensgevaar.
Nu werden die kampen bewaakt door Indonesische soldaten in Japanse dienst met twee Japanners aan het hoofd, een commandant en een onder-commandant. In ons kamp in Ambarawa waren dat Takata als commandant en Tsujama als onder-commandant. Omdat dat jongetje zo heel erg ziek was, is onze Nederlandse kampdokter toen naar de Japanse commandant, Takata, gegaan om te vragen of de moeder van dat jongetje, dat vrijwel zeker dood zou gaan, op bezoek zou mogen komen. Het toeval wilde, dat deze moeder in een vrouwenkamp in precies dezelfde staat leefde, ongeveer 800 meter verder weg. 'Nee', zei Takata, 'pas als die jongen dood is, mag de moeder komen, niet eerder'. De onder-commandant Tsujama stond daar bij en zei niets.
's Avonds ging Takata uit, zijn mooiste uniform aan en zijn beste samoeraizwaard aan zijn zijde hangend. Tot onze grote verbazing kwam een half uurtje later Tsujama met de moeder van het zieke jongetje het kamp binnen lopen en toen mocht de moeder een half uurtje bij haar zieke zoontje zijn.
Helaas is dat verraden, door wie weten wij niet, waarschijnlijk door een Indonesische soldaat. In ieder geval kwam Takata er achter en Tsujama verdween van het toneel. Pas twee weken later kwam hij terug. Aan de sterretjes op zijn kraag zagen wij, dat hij een lagere rang had gekregen, dus gedegradeerd was en zijn hals zat vol grote blauwe plekken van de slagen, die hem waren toegediend. Wij spraken hem aan en vroegen wat er met hem gebeurd was. Hij zei dat de militaire politie hem had gezegd, dat als er nog eens zoiets zou gebeuren, hij onthoofd zou worden. Toen vroeg hij of het jongetje nog leefde. Wij zeiden hem, dat dat zo was, maar dat hij nog steeds heel erg ziek was.
Wat niemand verwachtte, gebeurde toch. Op een avond ging Takata weer uit en kwam even later Tsujama met de moeder van de zieke jongen het kamp in. Gelukkig voor hem is Takata er toen niet achter gekomen. Na een lang ziekbed is het jongetje wonder boven wonder toch weer beter geworden en hij heeft de oorlog overleefd.
Het spreekt vanzelf, dat wij allemaal een diep respect hadden gekregen voor de moed van Tsujama. Maar wat misschien nog wel het belangrijkste is geweest, is, dat wij midden in die nare oorlog, het inzicht kregen, dat er óók onder je vijanden goede mensen bestaan. De les, die wij geleerd hebben is, dat er in die oorlog niet alleen slechte Duitsers en slechte Japanners waren en dat wij nooit een volk of een bevolkingsgroep over één kam mogen scheren.
A.D. Zijderveld
Van Ammerzoden naar Beesd
In mei 1940 moesten de inwoners van Beesd evacueren naar Gouda en Waddinxveen. Deze evacuatie duurde gelukkig maar even. Na een week kon men weer huiswaarts gaan. Anders was dit met de vele mensen uit de dorpen langs de Maas. Zij lagen met hun huizen in de frontlinie. De Duitsers verplichtten hen hun huizen te verlaten en elders woonruimte te zoeken. En zo kwam ook de familie Verlouw en de familie van Wordragen in Beesd. Mevr. Verlouw is na de bevrijding in Beesd blijven wonen en woont nu samen met haar man op de Homburg. Ik ging haar eens vragen wat zij nog van die evacuatie weet.
Het was december 1944. We woonden vlakbij het Slot Well. Dat is een klein kasteeltje in de buurt van Ammerzoden. De inwoners van Ammerzoden waren in september reeds geëvacueerd. Wij wilden toen niet weg. Op 8 december kwamen de Duitsers bij ons ook aan de deur en of we wilden of niet, we moesten ons huis uit. Het was de bedoeling dat we naar Friesland gingen. Daar was bijna iedereen naar toe gegaan. Wij hadden echter familie in Gameren wonen en samen met nog een andere familie zijn we naar het dorp Gameren bij de stad Zaltbommel gegaan. Wij hadden geen vervoer, maar de van Wordragen hadden een paard en wagen. Daar werden o.a. de matrassen opgelegd en andere noodzakelijke spullen. In Gameren konden we echter niet lang blijven. De geallieerde legers rukten steeds verder op en eind januari lag ook Gameren in de vuurlinie. Opnieuw moesten we onze spullen pakken en een veiliger heenkomen zoeken. We kenden iemand in Beesd en al lopend kwamen we bij de familie van Bremen aan de Veerweg. Daar mochten we in een oude kolenschuur verblijven. Erg veel ruimte hadden we daar niet voor ons twaalven. Maar goed, we waren blij dat we woonruimte hadden. Al gauw kregen we kennis aan Hendrik van Ballegooy. Dat was een geweldige man. Hij zorgde ervoor dat we betere woonruimte kregen en wel op het dorpsplein bij Kees van den Heuvel. Dat was een heel grote boerderij. Wij mochten op de korenzolder vertoeven. Tot het eind van de oorlog zijn we daar gebleven.
En zo verging het veel mensen. Een probleem was nog wel hoe je aan voldoende eten kwam voor het gehele gezin. Natuurlijk had je stamkaarten en kreeg je je bonnen. Maar je moest toch ook geld hebben om alles te kunnen kopen. De kinderen Verlouw gingen dus in het dorp werk zoeken. Zo ook Lies Verlouw. Als meisje van 22 jaar kon ze, net als haar moeder, uitstekend naaien.
Ik ging gewoon langs de deuren en vroeg of ze naaiwerk voor mij hadden. En zo kwam ik aan mijn klanten. Ik kreeg alleen geen geld voor het naaiwerk, maar eten. Ik deed het naaiwerk ook bij de mensen thuis, want op de korenzolder was natuurlijk niet voldoende plaats. Al snel had ik mijn vaste klanten. Mijn broer vond werk bij een boer. En zo kwamen wij aan wat eten. Al dat eten werd klaargemaakt op de potkachel op de zolder. Het viel niet mee om al die maanden de goede moed er in te houden. Veel steun hebben we toen gehad aan Hendrik van Ballegooy. Vaak kwam hij op bezoek en als hij dan weg ging, zei hij altijd maar weer: 'Deze week is de oorlog voorbij'. Ja, dat was een zeer optimistisch man, vervolgt Lies Verlouw. Na de bevrijding is Lies in Beesd gebleven. Ze leerde Gerard Kielenstijn kennen en trouwde met hem. Samen wonen ze nu nog steeds op de Homburg in Beesd.
Op zoek naar woonruimte
De evacués kwamen niet alleen uit het zuiden. In 1942 al besloten de Duitsers dat er langs onze Nederlandse kust ook steden en dorpen ontruimd moesten worden. Zo gebeurde dat ook in Zandvoort. Alle huizen die vanuit zee zichtbaar waren, moesten niet alleen worden ontruimd, maar ook gesloopt. De vijand mocht vanaf zee immers nergens bebouwing zien. Die sloop begon in november 1942. Maar liefst 650 panden werden met de grond gelijk gemaakt. In Zandvoort woonden toen een 9800 mensen. Slechts 1800 personen mochten blijven in Zandvoort. De rest werd, wanneer zij niet elders in Nederland bij familie of kennissen konden worden ondergebracht, richting Friesland en Groningen gestuurd. En zo moest het ook gaan met de familie Berkhout. Ook zij moesten evacueren. Maar het gezin Berkhout was een groot gezin. Er waren nog tien kinderen thuis. Moeder moest daar alleen voor zorgen, want vader was vorig jaar overleden. Men verdiende de kost met een aannemersbedrijf. Het zou dus niet simpel zijn een goed evacuatieadres te vinden. Ze wilden eigenlijk naar Medemblik. Daar hadden ze familie wonen, maar het noorden van Holland was verboden gebied. In Friesland en Groningen kende men echter niemand. Gelukkig wist een neef een oplossing. Hij had familie in Beesd wonen: De familie Kroezen in de Voorstraat. Hij stelde voor om daar maar eens naar toe te gaan. Henk Berkhout, een van de zoons, ging daarom samen met zijn broer Dirk met de trein op weg naar Beesd. In Beesd gingen ze met de dochter van Piet Kroezen op zoek naar geschikte woonruimte.
'En dat viel niet mee', vertelt de Hr. Berkhout. 'Nergens vonden we een plek waar wij met z'n allen konden verblijven. Uiteindelijk kwamen we bij het Hoog Huis in de Achterstraat. Daar konden we twee kamers huren. Een broer van Piet Kroezen woonde in café "De Noteboom". Daar mochten we een zaaltje als woonruimte gaan gebruiken. We hebben met wat schotten toen alles in orde gemaakt. Toen het klaar was, hebben we moeder met de kinderen laten komen. In het café gingen we wonen, maar er was te weinig slaapruimte voor iedereen. De meeste kinderen moesten daarom 's avonds gaan slapen in het Hoog Huis. De jongens boven en de meisjes beneden. We hebben toen ook nog de gehele inventaris van ons aannemersbedrijf laten overkomen. We konden een schuur huren in de Middenstraat en daarin hebben we het bedrijf gevestigd. Met een goederenwagen hebben we alles naar Beesd laten overkomen. Dat kon in 1942 nog. Alles is redelijk goed gegaan tot september 1944. Toen kwamen er voor het eerst Duitsers in Beesd.
De Duitsers zochten overal en nergens onderdak voor de soldaten. Zo eisten ze ook, dat het gehele café De Noteboom ontruimd werd. Ook Everard Kroezen en zijn gezin moest eruit. Ik ben toen naar de nonnen gegaan. De nonnen woonden in het klooster aan de Voorstraat en zij zorgden voor de Meisjesschool die daar vlakbij stond. Gelukkig konden zij ons helpen. Er was nog een lokaal leeg en dat mochten wij als slaapruimte gebruiken. Ook over enkele chambrettes (slaapkamertjes van de zusters) op de zolder mochten we beschikken. We hadden nu zoveel ruimte, dat we de kamers in het Hoog Huis aan andere evacués konden geven. In die laatste maanden van de oorlog werd het eten wel een probleem. Gelukkig werkte mijn broer Paul bij een boer op Mariënwaerdt: Jan Smits. Deze boer heeft ons ontzettend geholpen. We kregen van hem aardappelen en koren. We mochten daar zelfs over een koe beschikken. Dat betekende, dat we zowel 's morgens als 's middags een emmer melk hadden.'
Van die melk karnden we vaak boter. Maar ondanks dit alles, werden er toch enkele broers en zusters van mij ziek. Het begon met Dirk, mijn oudste broer. Hij kreeg tuberculose: T.B. Gelukkig konden we voor hem een speciaal kamertje bij de nonnen krijgen. Daar kon hij goed verzorgd worden.
Dankzij de hulp van dokter van der Hooft konden wij aan een tuinhuisje komen, dat we in de tuin van de school konden plaatsen. Jan, die ook T.B. had, kon nu van de muffe zolder af en op krachten komen in de frisse lucht.
5 mei 1945. Eindelijk was het bevrijding. Een dag later was ik terug naar Zandvoort gegaan om eens te kijken hoe het met ons huis stond. Dat viel nogal tegen. Er was geen ruit meer heel en alles wat maar een beetje van waarde was, had men er uit gesloopt. Zelfs leidingen e.d. We hebben toen het huis zo goed als het ging opgeknapt en toen alles weer enigszins in orde was, heb ik mijn moeder met mijn broers en zussen weer naar Zandvoort laten brengen. Degenen die nog ziek waren, mochten in Zandvoort bij de zusters Franciscanessen komen en werden daar verzorgd.'
En zo kwam en ging de familie Berkhout van Beesd naar Zandvoort. In 1946 vroeg Everard Kroezen of Henk de schuur tegenover café 'De Noteboom' wilde verbouwen tot ontspanningscentrum. Dat gebeurde. Henk kwam naar Beesd, trouwde met de dochter van Everard en ging later wonen in de Voorstraat in Beesd. Daar woont hij nog steeds. Het aannemersvak zit deze familie trouwens wel in het bloed, want zijn zoon Piet Berkhout, die ook in Beesd woont, is een bekend aannemer.
Verzetsmensen in ons dorp
Zoals reeds eerder geschreven, was het tot september 1944 vrij rustig in Beesd. Tot die tijd waren er nauwelijks Duitsers in Beesd geweest. Maar gedurende die vier jaar en ook daarna natuurlijk is door een aantal mensen uit ons dorp zeer belangrijk werk gedaan.
Er waren immers in Beesd veel onderduikers. Al die mensen – en dat waren er vele tientallen – waren niet zomaar aan de onderduikadressen gekomen. En het eten? Voor onderduikers lagen er geen bonnen klaar! Dat zij toch de oorlog hebben overleefd, is voor een aanzienlijk gedeelte te danken aan een vijftal moedige mensen: dokter Van der Hooft, Gerrit van Beekhuizen, Mevr. W. van Verschuur- van Heemstra, De Freule Annemarie van Verschuer en wachtmeester Kokkeling.

Graag had ik met al deze mensen een gesprek gehad. De Hr. Kokkeling is helaas al overleden. Door tijdgebrek gelukte het alleen om met de molenaar Gerrit van Beekhuizen te praten over 'Het Verzet' in en rond Beesd.
'Het begon allemaal in 1941', vertelt de Hr. Van Beekhuizen. 'Op last van de overheid kwamen er in Beesd bordjes te staan met het opschrift "Verboden voor Joden". Deze bordjes stonden o.a. bij het zwembad. Wij haalden die bordjes weg. Zo begon zonder enige organisatie het verzet in Beesd. Op de een of andere manier is de Raad van Verzet in Amsterdam achter mijn naam gekomen en vroegen ze mij een geheime zender in Beesd te plaatsen. Deze zenders werden steeds van plaats verwisseld, om te voorkomen dat de Duitsers ze zouden opsporen. Via een koerier kwam die zender in 1942 aan. Gedurende drie weken heeft heeft hij hier afwisselend op de molen en in een boot op de Linge gestaan. Helaas werd de persoon met wie wij radio-contact hadden, in Utrecht opgepakt en zoals later bleek gefusilleerd. Later in de oorlog is er nog een aantal weken een zender hier op de molen geweest. Dat zal ik straks nog wel vertellen.'
En zo vertelt de Hr. van Beekhuizen in alle bescheidenheid wat er zoal in Beesd moest gebeuren. 'De freule van Mariënwaard, de zuster van de baron, heeft onnoemelijk veel in de oorlog gedaan', vertelt hij verder. Ook zijn vrouw beaamt dat. 'De freule heeft zich vooral ingezet voor de joden. Via de L.O.K.P., een landelijke stichting voor hulp aan onderduikers, werd gevraagd allerlei joden naar veilige adressen te brengen. De freule heeft daarin een zeer belangrijke rol gespeeld. Vooral kinderen werden via het huis van Mariënwaard naar Limburg en Zeeland gebracht. Mijn vrouw heeft zelf ook een keer een baby van slechts een paar maanden oud naar een onderduikadres in Beesd gebracht.' Zijn vrouw vervolgt: 'De baby werd in een hoge koffer gedaan en tussen dekentjes gelegd. In de koffer werden natuurlijk luchtgaatjes gemaakt. Toen de koffer achterop de fiets en lopen naar het onderduikadres. Die tocht vergeet ik nooit meer.'

'Gelukkig is de baby veilig aangekomen', vertelt Mevr. Van Beekhuizen. 'Nog veel angstiger vond ik de treinreis met een ander Joods onderduikertje. Dat Joodse meisje was nog maar een kleuter. Ze was een dochtertje van de Duits-Joodse familie Hecht in Beesd. De ouders hadden al een onderduikadres, maar de kinderen zouden door ons naar verschillende adressen gebracht worden. Ik moest het meisje met de trein naar het onderduikadres brengen. In de trein zaten ook Duitse soldaten. En je kent kinderen. Die snappen niet wat ze wel en niet mogen zeggen. Ik hield mijn hart vast toen het meisje vroeg: "Wo ist dann meine Mutti?" Gelukkig liep ook dit goed af.'
'Maar wat de freule al die jaren heeft gedaan, is geweldig', vertelt Mevr. Van Beekhuizen. 'Ik denk, dat ze wel vijftig tot zeventig Joodse kinderen aan een veilig onderduikadres heeft geholpen.' 'Ik weet nog', vertelt de Hr. Van Beekhuizen, 'dat ik een keer bij haar was op de Hoge Spijk. In het huis zaten ook een aantal onderduikers. Op een gegeven moment komen er Duitsers aan de deur. Snel wordt een luik in de kamer geopend en verdwijnen de onderduikers. Het kleed wordt over het luik gelegd en de moeder van de Freule – Mevr. Van Verschuer – gaat op het kleed aardappels schillen. Dit mandje met aardappels stond altijd klaar, wanneer er opeens dit soort dingen gebeurde. Zonder te kloppen kwamen er twee Duitsers binnen. "'Eruit!!"' riep Mevr. Van Verschuer tegen de Duitsers. "Eerst kloppen in dit huis". De Duitsers verdwenen en klopten keurig op de kamerdeur. Zo was zij!'
Een groot probleem waren ook de vele onderduikers in Beesd. Zij moesten aan bonnen en stamkaarten zien te komen. Van verschillende mensen kregen ze zo af en toe wel eens wat bonnen. Maar dat was lang niet genoeg. Nu lagen er op het gemeentehuis persoonskaarten. Met zo'n persoonskaart kon je weer aan een persoonsbewijs komen en aan de distributiekaarten. Het was dus belangrijk aan die kaarten te komen. Ja, en dat ging onder bedreiging. Want de meeste mensen in Beesd en de andere dorpen durfden maar bitter weinig. Pas als je dreigde met van alles en nog wat, dan deden ze iets voor je. Zo ook met die persoonskaarten. We gingen gewoon naar zo'n ambtenaar en eisten van hem dat hij iedere maand minstens vijf persoonskaarten voor ons achterover drukte. Wanneer dat niet gebeurde, dan kon hij op maatregelen rekenen. Op die manier kwamen wij aan de noodzakelijke spullen voor de onderduikers. Zo af en toe werd er ook iemand overvallen die bonnen bracht van het ene distributiekantoor naar het andere. Het kantoor van Beesd zat bij de Hervormde kerk. Louis de Haas die daar een tijdje heeft gezeten, heeft ons ook aan de nodige bonnen geholpen.
Dan had je nog de wapendroppings. Het verzet in de regio had wapens nodig. De wapens, maar ook andere spullen werden door vliegtuigen afgeworpen. Via een code-boodschap van Radio Oranje hoorde je wanneer er zo'n dropping was. Die waren natuurlijk altijd 's nachts. Zo'n dropping vereiste zeer veel voorbereiding. Er mocht natuurlijk niets fout gaan. Alle toevoerwegen moesten door verzetsmensen gecontroleerd worden. Op een bepaald weiland moesten lichtseinen gegeven worden. Zo gelukte een wapendropping in het Culemborgse veld. Een paar maanden later mislukte een dropping bij Mariënwaard volkomen. Via Radio Oranje hadden we 14 dagen lang geluisterd of onze code zou worden doorgegeven. Die code was weer enige weken eerder door een koerier aan ons medegedeeld. Helaas hadden wij bij deze dropping te weinig mankracht om alles veilig te laten verlopen. Toen het vliegtuig 's nachts overkwam moesten we met lichtseinen laten weten, dat droppen te onveilig was. Jammer, maar er mocht geen overbodig risico genomen worden. Wanneer je gesnapt werd, dan had je immers alle kans op de doodstraf.
Zo herinner ik mij ook nog, dat we enkele wapens uit Culemborg moesten halen en naar Beesd moesten vervoeren. In de molen waren op dat moment een aantal evacués uit Ophemert. Ik vroeg aan één van hen om mee te gaan naar Culemborg. Op zo'n ouderwetse transportfiets vertrokken wij. De jongen uit Ophemert voorop. In Culemborg haalde ik op een adres een meelzak met wapens op. De jongen ging daar bovenop zitten en wij reden weer terug naar Beesd. Thuisgekomen liet ik hem zien waar hij de gehele tijd op had gezeten. Ja, dat was een spannend fietstochtje.'
Weer iets anders was de sabotage aan de spoorlijn tussen Leerdam en Geldermalsen. Van de koerier had Gerrit doorgekregen dat alles gedaan moest worden om de treinen uit Rotterdam tegen te houden. Het was 1944 en de Duitsers hielden grote razzia's in de grote steden om aan voldoende mannen te komen voor het werk in Duitsland: De arbeidseinsatz. In Rotterdam werden dagelijks grote razzia's gehouden en al die jonge Nederlandse mannen zouden per trein naar Duitsland worden gebracht. Het Nederlandse verzet heeft toen alles gedaan om die treinen niet te laten vertrekken, door op heel veel plaatsen de spoorrails te vernielen. In ieder dorp kregen de verzetsmensen de opdracht stukken rails onklaar te maken. Zo ook gebeurde dat in Beesd.
'De Duitsers hadden lucht gekregen van de op handen zijnde sabotage en lieten de spoorlijnen door de bewoners zelf bewaken. Bijna iedereen in Beesd moest in november 1944 daarom wacht lopen langs de spoorlijn. Wij hadden dus de opdracht de rails onklaar te maken. Dat mocht natuurlijk niet ten koste gaan van de veiligheid van de Beesdenaren. Daarom werd een stuk rails opgezocht waar alleen Duitsers patrouilleerden. Bij het lukken van de actie zouden immers zij op hun donder krijgen, omdat zij niet goed hadden wachtgelopen. Dagen lang hebben we alle tijden opgeschreven van wachtlopen en aflossen. Het bedoelde traject lag voorbij Mariënwaerdt: Bij de Neust richting Tricht. De sabotage gelukte en niemand van Beesd werd er echt de dupe van.
In 1944 was er ook in ons land een grote spoorwegstaking. Deze staking had tot doel ervoor te zorgen dat er geen treinen met mannen voor de Arbeidseinsatz naar Duitsland konden vertrekken. Ook in Beesd woonden een aantal spoorwegmensen. Dokter van der Hooft en andere leden van de verzetsgroep hebben toen het geld opgebracht voor die stakende arbeiders. Op die manier droeg ook Beesd zijn steentje bij aan deze staking.'
Maar niet alleen Gerrit van Beekhuizen deed actief mee aan het verzet. Een zeer dapper man was ook dokter van der Hooft. Deze Beesdse arts leeft nog steeds en woont thans in Amersfoort. Via dokter Van der Hooft kon heel veel geregeld worden. Je kon hem 200% vertrouwen. Wanneer er iemand van de onderduikers ziek was, dan kon je zonder probleem dokter Van der Hooft halen. Dat was in andere dorpen wel anders. Hij hielp ook mee bij het rondbrengen van de bonkaarten en bonnen. Hij kon immers overal komen.
'Zo herinner ik mij nog een mooi verhaal van de dokter', vertelt de Hr. Van Beekhuizen. 'In 1944 werd Daan van den Heuvel door de Duitsers opgepakt. Hij had een geweer gestolen van de Duitsers. Daan werd naar Geldermalsen gebracht en vastgezet. De ouders van Daan waren natuurlijk geheel overstuur en vroegen dokter van der Hooft om hulp. De dokter ging vervolgens op een oude fiets, waar geen band omheen zat naar Geldermalsen. Daar aangekomen vertelde hij tegen de Duitse soldaten, dat die man uit Beesd nogal gevaarlijk was. De dokter vertelde, dat de man eigenlijk krankzinnig was en bij een aanval een gevaar voor zijn omgeving was. Toen de Duitsers dat hoorden, behoefden ze niet lang na te denken en gaven de man aan de dokter uit Beesd mee. Samen zijn ze toen op de fiets naar Beesd gegaan.'
Een andere verzetsvriend van de Hr. Van Beekhuizen in die tijd was wachtmeester Kokkeling. Iedereen in Beesd kende hem natuurlijk. Kokkeling kon als politieagent overal komen en was dus voor het verzet van onschatbare waarde. Dankzij hem kwam het verzet in Beesd aan allerlei belangrijke informatie. Hij wist vaak als eerste, wanneer de onderduikers zich echt schuil moesten houden. Hij gaf dat allemaal door aan de betrokkenen. Samen met Gerrit van Beekhuizen heeft hij menig angstig avontuur moeten beleven.
'Een hele gevaarlijke actie met Kokkeling was wel het saboteren van het opblazen van de Lingebrug', vertelt de Hr. Van Beekhuizen. 'Het was het voorjaar 1944. In januari hadden de Engelse vliegtuigen geprobeerd de Lingebrug te bombarderen. Middels het kapot schieten van de brug wilden de Engelsen de terugtocht van de Duitsers vertragen. Nu de Duitsers teruggetrokken waren tot over de Linge, was het belangrijk dat de bruggen heel bleven om straks geen oponthoud te bezorgen bij de opmars van de geallieerden. De Duitsers hadden echter dynamiet aangebracht onder de brug om bij het oprukken van de Amerikanen de brug te vernielen. Wij kregen van de koerier de opdracht de brug te behouden. Dat was geen gemakkelijke opdracht. Want wanneer de Duitsers sabotage zouden ontdekken, zouden er ongetwijfeld represailles genomen worden tegen de Beesdse bevolking. Daar waren al genoeg voorbeelden van in ons land. We kregen van dokter Van der Hooft een chemisch middeltje. Met een injectienaald moest je dat spul in de ontstekingsdraden spuiten. De draden gingen dan in zeer snelle tijd roesten en de verbinding naar het dynamiet kon niet gemaakt worden. Samen met Kokkeling ging ik 's nachts op pad. Ik had de afspraak met Kokkeling gemaakt, dat hij mij moest arresteren als er Duitsers aankwamen. Die nacht herinner ik mij nog uitstekend. Het is allemaal prima gelukt. De brug is inderdaad niet opgeblazen bij het vertrek van de Duitsers. Ik had voor wachtmeester Kokkeling zeer grote bewondering. Hij was vader van 7 kinderen en toch bereid om aan dergelijke acties mee te doen. Dan moet je een zeer dapper man zijn, want je speelde met je leven!'
'In 1944 heeft er hier op de molen ook nog een zender gestaan', vervolgt de Hr. Van Beekhuizen. 'Die zender heeft hier in 1944 zes weken gestaan. Het was een zender waarbij je al draaiend aan een slinger voor de stroomvoorziening moest zorgen. Je zond alles uit onder codenamen. Het was mijn taak om door te geven, waar al het afweergeschut hier in de Betuwe was opgesteld. Twee keer per dag moest er uitgezonden worden. Regelmatig kwam aan de molen ook de Engelse geheimagent onder codenaam "Piet". Via deze geheimagent werden er heel wat belangrijke berichten doorgegeven. Je kon natuurlijk ook weer niet alles doorgeven, want altijd dacht je ook aan de veiligheid van de bewoners van het dorp Beesd zelf. Zo is geen melding gemaakt van het grote munitie-depot aan de Platteweg. Die Engelse geheimagent is overigens in Wijk bij Duurstede opgepakt. Waarschijnlijk door verraad werd hij, toen hij bij de kapper was, aangehouden. In een uiterste vluchtpoging rende hij dwars door de winkelruit. Maar helaas mocht dit niet baten en werd hij opgebracht. We hebben nooit meer iets van hem vernomen.' Aldus de Hr. Van Beekhuizen.
'Hoe is het eigenlijk afgelopen met dat zevende bemanningslid, dat wonder boven wonder niet gedood werd bij het neerkomen van dat RAF vliegtuig in mei 1943?' vroeg ik. 'Ja, die sergeant Vale had ondanks alles veel geluk. Het staartstuk van dat vliegtuig ging eigenlijk als een klein vliegtuigje naar beneden. De staartschutter kon niet meer bij zijn parachute komen. Het staartstuk kwam neer in een hoog griend. De val werd daardoor danig gebroken en sergeant Vale overleefde het. Wederom was het dokter Van der Hooft die hem verzorgde. De jachtopzichter Daam van Dijk, die in de verzetsgroep van Culemborg zat, heeft hem toen enige dagen onderdak geboden. Maar de Duitsers hebben direct na het neerkomen een grootscheepse zoekactie op touw gezet. Ze geloofden namelijk aanvankelijk dat alle bemanningsleden zich met de parachute in veiligheid hadden gebracht. Het vliegtuig brandde namelijk ontzettend. Er was niet te zien of de bemanningsleden waren omgekomen. Door de fanatieke zoekactie van de Duitsers werd de staartschutter alsnog ontdekt en naar een krijgsgevangenkamp in Duitsland gebracht. Na de capitulatie van de Duitsers is sergeant Vale vrijgekomen uit krijgsgevangenschap en terug naar huis gegaan', aldus de Hr. Van Beekhuizen.
En zo komt het ene verhaal na het andere. Eigenlijk te veel om allemaal op te schrijven. Zo stuurden de inwoners van Beesd veel mensen die langs de deur kwamen om eten, door naar de molen. Vooral in 1944 waren dat veel mensen. En al waren het er nog zo veel, iedereen kreeg bij de molen twee sneden brood. 'Ja', zegt Gerrit van Beekhuizen, 'want die mensen kwamen om van de honger. Ik heb ze even buiten het dorp zien staan, dat ze mee-aten uit de voerbak van de varkens. Als je dat gezien hebt, dan geef je de mensen wel brood. En wij konden dat enigszins. Bij het malen van het graan gaat er altijd een aantal kilo's meel verloren. Zo komt er uit 1000 kilo hooguit 980 kilo meel. De controledienst lette daar goed op, maar kneep ook nog wel eens een oogje dicht. En zo hield ik wat meel over en dat bakten wij voor de mensen die bij de molen kwamen voor eten. Vaak ook kwamen ze te laat in Beesd aan en konden ze niet meer naar huis. Na spertijd mocht je immers niet meer op straat komen. Die mensen werden ook altijd naar ons gestuurd. We hadden in het laatste oorlogsjaar dan ook altijd mensen hier om te slapen. In het voorhuis woonden ook nog eens een 12 mensen uit Ophemert, die naar hier geëvacueerd waren. Het was hier dus soms een aardige drukte.'
In mei 1945 was daar dan eindelijk de bevrijding. Op last van het militair gezag in Geldermalsen, moest de verzetsgroep in Beesd een aantal nare karweitjes opknappen. Zo werd in Acquoy iemand opgehaald die in de oorlog een actief N.S.B.'er was.
Wachtmeester Kokkeling, Gerrit van Beekhuizen, freule Annemarie van Verschuer en dokter Van der Hooft hebben in de Tweede Wereldoorlog veel voor de vrijheid van ons land gedaan. Met gevaar voor eigen leven hebben zij zich ingezet voor het leven van anderen. Ieder van hen heeft daar na de oorlog maar met weinig mensen over gesproken. In alle bescheidenheid heeft de Hr. van Beekhuizen een aantal van zijn belevenissen aan mij verteld. In het gesprek dat ik met hem had, bleek vaak dat hij het in oorlogstijd zeer moeilijk had, wanneer het ging om de veiligheid van de Beesdenaren. Bij alle verzetsacties stond die veiligheid altijd voorop. Soms moest toch enig risico genomen worden.
Uit de vele gesprekken, die ik met verschillende Beesdenaren de afgelopen weken over de oorlogsjaren had, bleek dat niemand eigenlijk goed wist wat onze verzetsmensen in Beesd allemaal deden. Mij is in ieder geval duidelijk dat deze mensen veel gedaan hebben voor onze vrijheid. En nu is mij ook duidelijk waarom na de restauratie van de korenmolen in 1967 er een nieuwe naam kwam voor dit wonderschone bouwwerk: 'De vrijheid'.
