Duitsers in Beesd 1940-1945
Gemeente West Betuwe > Oorlogsjaren Beesd
Duitsers in Beesd (1940-1945)
Dit is het verhaal van Duitsers in Beesd, als bezetters, als onderhandelaars, als uitbuiters van dwangarbeiders, maar soms ook als mensen die, tegen de verwachting in, menselijkheid toonden.
Een chronologisch overzicht van de bezetting in een Betuws dorp
Meidagen 1940: De inval
10 mei 1940 – Om half vijf 's ochtends wordt de stilte boven Beesd verbrijzeld door het geraas van Duitse vliegtuigen. Stuka's, de beruchte duikbommenwerpers, vliegen in grote aantallen over ons dorp op weg naar Rotterdam. De oorlog is begonnen.
12 mei (1e Pinksterdag) – Al het vee uit Beesd – ongeveer 5000 stuks – wordt naar Lexmond gedreven. Het moet achter de Hollandse Waterlinie in veiligheid worden gebracht, want de bedoeling is de Betuwe onder water te zetten om de Duitse opmars te stuiten.
13 mei (2e Pinksterdag) – Ook de bevolking moet evacueren. De uittocht richting Gouda en Waddinxveen is chaotisch. Bij het veer Nieuwpoort-Schoonhoven vallen Duitse bommenwerpers twee Nederlandse kruitschepen aan; beide gaan volledig de lucht in. Cato van Buuren uit Beesd wordt tijdens de oversteek dodelijk getroffen door een Duitse kogel.
15 mei – Na de capitulatie keren de meeste Beesdenaren terug. Op de terugweg zien ze de eerste Duitse pantservoertuigen rijden op de éénbaans autoweg Beesd-Vianen.
1942: De eerste maatregelen
Op last van de Duitsers verschijnen er in Beesd bordjes met 'Verboden voor Joden', onder andere bij het zwembad. Verzetsmensen halen ze weg. Het is het begin van een lange, stille strijd.
De Joodse inwoners, de families Van Straten en Hecht, krijgen een oproep zich te melden voor transport naar Westerbork. De meesten duiken onder. Sam van Straten wordt verraden en nooit meer teruggezien. Harry van Straten wordt opgepakt bij een huiszoeking en overlijdt in een kamp. De Duits-Joodse familie Hecht overleeft de oorlog wel.
1943: Arbeitseinsatz en verzet
De Duitsers hebben steeds meer arbeiders nodig voor hun fabrieken. Jonge Nederlandse mannen worden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz.
9 juni 1943 – Johan van Beest (19), Kees Salari, Arie Kroeze, Bertus Krielen en Cornelis van Ballegooy vertrekken naar Schwerte aan de Ruhr. Ze moeten in een fabriek kapotgeschoten locomotieven repareren. Het werk is zwaar, het eten slecht. Soms krijgen ze pakketten van thuis, die ze onderling verdelen. Af en toe mogen ze met verlof – drie dagen per jaar.
Anderen, zoals Henk van Buuren, duiken onder om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Ze slapen in lijkenhuisjes, kippenschuren en achter dressoirs, altijd op hun hoede voor Duitse razzia's. Via via krijgen ze bericht wanneer de Duitsers in aantocht zijn.
Nacht van 23 op 24 mei 1943 – Een Engelse Stirling-bommenwerper wordt boven Beesd neergehaald door een Duitse nachtjager. Het toestel stort neer. Zes bemanningsleden komen om, de staartschutter overleeft. Ze worden begraven op het kerkhof aan de Veerweg.
1944: Duitsers in het dorp
September 1944 – Na de geallieerde invasie in Normandië trekken de Duitsers terug. De eerste Duitse legereenheden verschijnen in Beesd. Op muren verschijnen grote witte pijlen met 'Einheit Buchta'. De eenheid van kapitein Buchta vestigt zich in de R.K. Pastorie aan de Voorstraat.
Buchta is een lastige onderhandelaar. Wanneer Beesd voedsel wil halen voor uitgehongerde vluchtelingen uit Tiel en Kerkdriel, wil Buchta wel meewerken – maar alleen als zijn soldaten de helft krijgen. De actie gaat niet door.
Niet veel later vertrekt Einheit Buchta naar het front bij de Maas. Einheit Lowack neemt zijn plaats in. Kapitein Lowack is een rustig man die geen vervelende maatregelen tegen de bevolking neemt. Zijn eenheid bestaat grotendeels uit oudere mannen en later zelfs uit jongens van 16 en 17 jaar – een teken dat Duitsland geen jonge soldaten meer heeft.
Langs de Platte Weg wordt onder bomen grote hoeveelheden munitie opgeslagen, bestemd voor het Maasfront. Guus Pieck en Adri Meegdes moeten voor de Duitsers in het munitie-depot werken, met een gevorderd melkkarretje en een muilezel.
Eind oktober 1944 – De munitie wordt grotendeels afgevoerd via schepen bij de Steiger en café Havekes. Als de geallieerden dat hadden geweten, had heel Beesd kunnen ontploffen.
In de voormalige openbare school (het Salvatorigebouwtje) in de Middenstraat vestigen de Duitsers een verbindingscentrale, bewaakt door Feldgendarmerie. In het achterste deel van de school huisden ongeveer 50 Russische krijgsgevangenen. Met paard en wagen verzorgen ze transporten. Ze krijgen nauwelijks te eten en stelen alles wat los- en vastzit. Het zijn overwegend islamieten; elke avond liggen ze op de grond, het gezicht naar het oosten gericht, om te bidden.
22 oktober 1944 – Wijnen Drikus Pieck moet met zijn paard en wagen munitie vervoeren de Wageningsche Berg op. Zijn paard slaat op hol. Drikus raakt zwaargewond en blijft voor de rest van zijn leven invalide.
Bij de familie Piek aan de Parkweg zijn tien Duitse soldaten ingekwartierd. Eén van hen, een smid van beroep, redt het leven van de jonge Adriaan Piek. Wanneer geallieerde vliegtuigen een Duitse kolonne op de Parkweg beschieten, haalt de soldaat de overstuur rakende Adriaan van de weg. Hij wordt daarbij zelf geraakt en overlijdt even later. Hij had kort daarvoor nog een foto laten zien van zijn knechten, die allemaal al in de oorlog waren omgekomen.
December 1944 – De eerste vluchtelingen uit het Maasfront arriveren in Beesd: uit Ammerzoden, Hedel, Kerkdriel en Alem. Ze worden opgevangen in schuren en kassen. De Duitsers laten de voedselzoekers uit de steden meestal met rust, maar landwachters (NSB'ers) beroven hen soms van hun schaarse bezittingen.
1945: Evacuatie van Tiel en het einde
Begin 1945 – Tiel ligt onder zwaar kanonvuur. De stad moet worden geëvacueerd. Beesd fungeert als tussenstation. Kapitein Lowack werkt mee: hij stelt 25 bespannen wagens ter beschikking om de evacués naar Leerdam te brengen. Er mag alleen 's nachts worden gereden, uit angst voor geallieerde jachtvliegtuigen. De Duitse wagenvoerders behandelen de mensen goed; ouderen krijgen dekens en de beste plekken.
Nieuwjaarsdag 1945 – Engelse vliegtuigen voeren een bomaanval uit op de Lingebrug. Rond 12.00 uur vallen zes toestellen aan. De brug blijft heel, maar de huizen aan de Havendijk lopen zware schade op. De Duitsers plaatsen uit angst voor herhaling al snel afweergeschut bij de Steiger.
5 mei 1945 – Tegen de avond wordt de Duitse overgave bekend. Iedereen gaat de straat op. Bij het gemeentehuis probeert W. Bouman sr. een Duitse soldaat zijn mitrailleur af te nemen. Kapitein Lowack komt tussenbeide en voorkomt erger. Hij verzoekt de mensen vriendelijk naar huis te gaan en de volgende dag verder te feesten. 'De oorlog heeft al genoeg mensenlevens geëist,' zegt hij.
Enkele dagen later – Alle Duitsers in Beesd worden als krijgsgevangenen afgevoerd. Al zingend marcheren ze over de Lingedijk in Rumpt. Ook zij zijn blij met het einde van de oorlog.
Voorjaar 1945: Chaos in Duitsland
Bertus Krielen, die in juni 1943 naar Schwerte werd gestuurd, zit er tot de bevrijding. In april 1945 omsingelen de Amerikanen het Ruhrgebied. De Duitsers vluchten massaal. De fabrieksdirecteur geeft zich op 13 april over. Maar in plaats van bevrijding breekt er chaos uit. Zonder gezag vallen voormalige dwangarbeiders elkaar aan uit wraak. 'Een mensenleven betekende niets,' vertelt Krielen later. Via doorvoerkampen en met hulp van de Prinses Irene Brigade komt hij half juni eindelijk thuis.
Jan van den Dungen, die in Berlijn bij AEG werkt, wordt op 23 april 1944 door de Russen bevrijd. Ook hij maakt de chaos en het geweld tussen voormalige dwangarbeiders mee. Vier keer staat hij oog in oog met de dood. 'Ik heb gezien hoe mensen in beesten kunnen veranderen,' zegt hij. Uitgeput en lopend bereikt hij uiteindelijk de Elbe en keert terug naar Nederland.
Mei 1945: De bevrijders komen
Half mei 1945 – De Canadezen arriveren in Beesd. Ongeveer 200 man worden ingekwartierd bij gezinnen. Het contrast met de Duitsers is groot: geen geschreeuw, geen harde commando's, alles rustig en ordelijk. 's Avonds verzamelen ze zich bij kampvuren, spelen ukelele en zingen spotliederen op Hitler. De Beesdse bevolking komt massaal kijken.
M.B.J. Hommelberg raakt bevriend met de Canadees Howard Gray. Wanneer Hommelberg vraagt om wat benzine voor een rit naar familie in Amersfoort, weigert Gray – die benzine is van het leger. Maar hij vraagt toestemming aan zijn commandant en komt terug met een briefje voor twee jerrycans. Discipline, zegt Hommelberg.
Eind juni vertrekken de Canadezen naar Duitsland. Met Kerstmis staat Howard Gray onverwachts weer op de stoep in Beesd, met zijn auto vol cadeaus. Later, bij een bezoek aan Canada, zoekt Hommelbergs zoon contact met hem via een veteranenorganisatie. Gray herinnert zich vooral de avonden bij het kampvuur, waar het Hitler-lied werd gezongen.