Crash Wellington 26 juli 1943 - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Crash Wellington 26 juli 1943

Gemeente Culemborg > Gesn. geallieerde militairen
Crash Wellington bij Culemborg – 26 juli 1943


Wellington bommenwerper (Bron: Wikipedia)

In de avond van 25 juli 1943 om 22.39 uur steeg vanaf de vliegbasis East Moor in Yorkshire een Vickers Wellington-bommenwerper op. Het toestel, met serienummer HE803 en code AL-E, behoorde tot het 429 (Bison) Squadron van de Royal Canadian Air Force (RCAF).
De vlucht maakte deel uit van een grootschalige aanval op de Duitse industriestad Essen, waarbij circa 700 bommenwerpers werden ingezet onder leiding van de Amerikaanse brigadier-generaal Fred Anderson. Doel van de operatie was het uitschakelen van de zware industrie, waaronder de Krupp-fabrieken.
De aanval was effectief: tientallen fabrieksgebouwen en duizenden woningen werden vernietigd, met honderden dodelijke slachtoffers tot gevolg.

De bemanning
Aan boord van de Wellington bevonden zich vijf bemanningsleden:
  • Piloot - Keith McLean Johnston RCAF, uit Vancouver, Canada, servicenr. J/16067
  • Navigator - Sgt Howard William Clarke (1919-1998), RCAF, uit Talbot, Alberta, Canada, Servicenr. R/130684, Pow. nr. 83666, verbleef in Stalag Mühlberg (Elbe)
  • Bommenrichter - Sgt Frank William Robert Frost (1922-2017), RAF, Servicenr. 1320288, Pow. nr. 83665, verbleef in Stalag Mühlberg (Elbe)
  • Boordschutter - Ltn John Chapman Elliott (1922-2014), USAAF, Servicenr. O-885955
  • Radio /boordschutter- Sgt Joseph A. M. "Marcel" Lortie , RCAF, uit St. Agathe des Monts, Quebec, Canada. Servicenr. R/79144, Pow. nr. 83668, verbleef in Stalag Moosburg (Elbe)

De bemanning bestond uit een internationaal gezelschap van Canadese, Britse en Amerikaanse vliegers, wat kenmerkend was voor de geallieerde luchtmacht in deze fase van de oorlog.

De aanval en terugvlucht
De vlucht naar Essen verliep grotendeels zonder problemen. De bommen werden succesvol afgeworpen op het doel. Kort na het bombardement veranderde de situatie echter drastisch.
Tijdens de terugvlucht werd het toestel op ongeveer 5.500 meter hoogte aangevallen door een Duitse nachtjager van het type:
  • Heinkel He 219
    gevlogen door Hans-Dieter Frank, met boordradio-operator Erich Gotter.
De He 219 was op dat moment een nieuw en geavanceerd toestel, dat pas sinds juni 1943 operationeel werd ingezet.
De Wellington raakte zwaar beschadigd:
  • één motor viel uit
  • besturingselementen raakten beschadigd
  • het toestel verloor snel hoogte
Hoewel de bemanning mogelijk een vijandelijke jager wist neer te schieten, was hun eigen toestel niet meer te redden.

Het verlaten van het toestel
Boven Asch, 5 km. ten noorden van Culemborg, gaf piloot Johnston het bevel om het vliegtuig te verlaten. Vier bemanningsleden sprongen met hun parachute.
Johnston zelf bleef aan boord. Volgens latere gegevens had hij problemen met zijn parachute en probeerde hij waarschijnlijk een noodlanding uit te voeren.

De rietput aan de Parallelweg-West bij het 't Melkbrugje (foto. R van de Velde)

Het toestel stortte neer bij het Melkbrugje, aan de Parallelweg-Oost bij Culemborg, in een zgn rietput vlakbij het spoor.
De Wellington raakte een boom, die doormidden brak, en kwam vervolgens terecht:
  • tussen de spoorrails en bovenleiding
  • deels in een rietput naast de spoorbaan
Omwonenden hoorden een bemanningslid om hulp roepen, maar durfden uit angst voor Duitse represailles niet in te grijpen.
Piloot Johnston werd zwaargewond naast het wrak gevonden, met een deels geopende parachute. Hij werd overgebracht naar het St. Barbara Ziekenhuis in Culemborg, waar hij op 26 juli 1943 om 06.45 uur overleed.
Het wrak van de Wellington werd door de Duitsers geborgen en afgevoerd naar Duitsland. De boom die bij de crash werd geraakt, bleef nog enige tijd als geïmproviseerd monument staan, maar verdween kort na de bevrijding zonder dat er foto’s van zijn gemaakt.

“Vier levens, gered uit een brandend toestel”

Sgt. Howard William Clarke (RCAF)

Howard Clarke- (Bron P. Markham via Ancestry)

Howard William Clarke werd in 1919 geboren in Drumheller, in de Canadese provincie Alberta. Zijn ouders waren William Clarke en Winfred Dickson. Hij was getrouwd met Lucy Roberta Twa en had één kind.
Als jonge man groeide hij op in een landelijke omgeving, waar hij boer was en leerde omgaan met verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, eigenschappen die hem later goed van pas zouden komen als navigator in een bommenwerper.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog trad hij op 24 september 1941 toe tot de Royal Canadian Air Force en werd hij opgeleid tot navigator, een cruciale functie binnen de bemanning. In deze rol was hij verantwoordelijk voor het bepalen van de koers, vaak onder moeilijke omstandigheden en in het donker, terwijl vijandelijke jagers en luchtafweer een constante dreiging vormden.
In de nacht van 25 op 26 juli 1943 bevond Clarke zich aan boord van de Wellington die op weg was naar Essen. Na een succesvolle bombardementsvlucht werd het toestel op de terugweg zwaar beschadigd door een Duitse nachtjager. Toen de piloot het bevel gaf het vliegtuig te verlaten, wist Clarke zich met zijn parachute in veiligheid te brengen.
Na zijn landing in de buurt bij Beusichem werd hij vrijwel direct krijgsgevangen genomen. Hij bracht de rest van de oorlog door in Stalag IV-B (Mühlberg), één van de grootste krijgsgevangenenkampen in Duitsland. Ondanks de zware omstandigheden wist Clarke deze periode te overleven. Volgens overlevering trouwde hij zelfs tijdens zijn gevangenschap, een opmerkelijk detail dat zijn veerkracht en levenswil onderstreept.
Na de oorlog keerde hij terug naar Canada, waar hij zijn leven weer opbouwde.
Howard overleed op 79-jarige leeftijd op 6 september 1998 in Red Deer.

Sgt. Frank William Robert Frost (RAF)

Frank Frost (bron: Keith Gordon op MyHeritage)

Frank William Robert Frost werd op 20 augustus 1922 geboren in West Norwood, Londen,  als zoon van Robert George Frost (1893–1966) en Lizzie Frost (1892–1993). Hij werd op 10 september 1922 gedoopt in de kerk St Luke te West Norwood (Knight’s Hill), in het Londense district Lambeth.
Hij groeide op in een arbeidersmilieu en werkte vóór de oorlog als reparateur van elektrische apparaten, en technisch beroep dat goed aansloot bij zijn latere functie binnen de luchtmacht.
In juni 1941 trad hij toe tot de Royal Air Force. Na zijn opleiding werd hij bommenrichter bij het 429 Squadron. In deze rol droeg hij een zware verantwoordelijkheid: het nauwkeurig afwerpen van bommen boven vijandelijk gebied, vaak onder hevig vuur en in het donker.
Tijdens de aanval op Essen op 25 juli 1943 voerde Frost zijn taak succesvol uit. Kort daarna werd het toestel echter aangevallen door een Duitse nachtjager. De Wellington raakte zwaar beschadigd, verloor een motor en kon niet langer op hoogte blijven. Toen het bevel kwam om te springen, behoorde Frost tot de bemanningsleden die het toestel verlieten.
Na zijn landing werd hij in de buurt bij Beusichem krijgsgevangen gemaakt. Hij bracht de rest van de oorlog door in Duitsland, onder andere in Stalag Moosburg en vooral in Stalag IV-B (Mühlberg). Daar verbleef hij jarenlang onder moeilijke omstandigheden, ver van huis.
Na de oorlog keerde Frost terug naar Engeland. Hij trouwde met Rene Gavad 1924–2006 en leidde een lang leven.
Hij overleed op 13 augustus 2017, op 94-jarige leeftijd.

Sgt. Joseph A.M. “Marcel” Lortie (RCAF)

Marcel Lortie (Bron foto: L. Lortie)

Joseph A.M. Lortie, roepnaam “Marcel”, was afkomstig uit St. Agathe-des-Monts in de Franstalige provincie Québec in Canada. Als radio-operator en boordschutter had hij een veelzijdige en veeleisende taak: hij verzorgde de communicatie én hielp bij de verdediging van het toestel tegen vijandelijke jagers.
Tijdens de terugvlucht van de missie naar Essen bevond Lortie zich in de astro-dome, een observatiepositie boven op het toestel, waar hij het luchtruim afspeurde naar vijandelijke activiteit. "Ik was er nog toen ik voelde dat het vliegtuig van onderaf werd geraakt. De piloot gaf bevel ons klaar te maken om eruit te springen, omdat de bakboordmotor was afgeslagen en de bedieningselementen waren beschadigd. In een tijdsbestek van 3 à 4 minuten daalden we van 20.000 feet naar 2.000. Onze piloot stabiliseerde het vliegtuig en klom na een tijdje weer naar 2.500  feet, op welke hoogte we ongeveer 10 minuten vlogen. Toen zag ik vanuit de astro dome  op ongeveer 2.800 feet een Duitse nachtjager binnenkomen om ons van boven aan te vallen. Ik zei tegen de achterschutter om 'm neer te schieten. Deze achterschutter kon 'm niet zien en vroeg me waar het toestel was, ik vertelde hem dat het op bakboord daarboven was. Uiteindelijk nam hij 'm waar en beschoot 'm ongeveer één minuut lang. Ik zag de jager slingeren en vlammen kwamen uit de vleugels en de romp. Ik vermoed dat de vijandelijke piloot gewond was geraakt, omdat zijn vliegtuig in een ondiepe duik naar beneden ging en onbestuurbaar was geworden. Ik zag dat het toestel net boven de grond explodeerde en nam aan dat het was vernietigd. Terwijl dat gebeurde, bleek dat onze intercom onbruikbaar was en werd er via een oproeplicht het bevel gegeven om te springen. De achterste schutter verliet het toestel links van geschutskoepel, de bommenrichter, radio-operator en navigator deden dat door het voorluik."
Toen het bevel kwam om te springen, verliet ook hij het vliegtuig. Na zijn landing werd hij in de omgeving van Beusichem gevangen genomen. Om ontsnapping te voorkomen, werd hij op kousenvoeten naar het gemeentehuis gebracht, een detail dat de gespannen situatie van dat moment treffend illustreert.
"
Toen ik de volgende ochtend om 07.00 uur gevangen werd genomen, kreeg ik van de Duitse officier te horen dat de piloot op ongeveer 40 feet van het vliegtuig was gevonden met zijn parachute gedeeltelijk open en hij had een zeer ernstige wond aan zijn linkerzijde van zijn lichaam. Ik vroeg hem waar de piloot was en toen vertelde hij dat hij in het ziekenhuis lag. Ik werd naar de gevangenis gebracht in Culemborg, Nederland, waar ik ook onze navigator, bommenrichter en achterschutter weer ontmoette. Om 11.00 uur vertelde de Duitser mij dat de piloot dood was."
Lortie werd uiteindelijk overgebracht naar Stalag Moosburg, waar hij de rest van de oorlog doorbracht. Zijn nauwkeurige en levendige getuigenis na de oorlog is van grote historische waarde gebleken.

1st Lt. John Chapman Elliott (USAAF)

J.C. Elliott (foto bewerkt uit coll. J. Elliot)

John Chapman Elliott werd op 13 april 1922 geboren in Hertford, North Carolina, in de Verenigde Staten. Hij groeide op in een bescheiden milieu en werkte vóór zijn diensttijd in de metaalverwerkende industrie.
In 1942 trad hij toe tot het Amerikaanse leger en kwam uiteindelijk terecht bij de USAAF. Zoals vaker gebeurde in de beginjaren van de oorlog, werd hij ingedeeld bij een geallieerd squadron, in zijn geval het Canadese 429 Squadron, waar hij dienst deed als staartschutter.
Elliott had al minstens negentien operationele missies gevlogen toen hij deelnam aan de vlucht naar Essen. Tijdens de terugvlucht werd zijn toestel zwaar getroffen. Toen het bevel kwam om te springen, draaide hij zijn geschutskoepel in positie en liet zich achterover uit het vliegtuig vallen.
Daarbij ging het bijna mis: één van zijn elektrisch verwarmde vliegschoenen bleef haken, waardoor hij korte tijd ondersteboven aan het toestel hing. In een uiterst benarde situatie wist hij zich los te trappen, waarna hij zijn parachute kon openen. Hij kwam echter hard neer en raakte gewond aan beide benen.
Ondanks zijn verwondingen wist Elliott zich na zijn landing nog drie dagen schuil te houden in de omgeving van Culemborg en Beusichem. Uiteindelijk werd hij toch gevangengenomen en naar een ziekenhuis in Culemborg gebracht. Daarna volgden ruim tweeënhalf jaar krijgsgevangenschap in Duitsland.
Voor zijn familie in de Verenigde Staten brak een lange periode van onzekerheid aan. Pas maanden later kwam via het Rode Kruis het bericht dat hij nog in leven was, een enorme opluchting.
Na de bevrijding keerde Elliott in november 1945 terug naar huis.
Hij overleed op 13 augustus 2014, op 92-jarige leeftijd.

Piloot Keith McLean Johnston

De vader en moeder van Keith waren John Thomas Johnston (1872-1944) en Margaret Ann Thomson (1876-1939). Het gezin woonde op Corner of Rockland, St. Georges Avenue, North Vancouver, B.C. Zij kregen de volgende kinderen:

  • Grace Robena (1897-1978), getrouwd met Thomas Walton Holmes  (1898-1952)
  • Margaret Ellen (1898-1978), getrouwd met dominee James Currie Thomson (1895-1952)
  • Edna Mary (1901-1998), zij werd begraven in Abbotsford, British Columbia, Canada
  • Florence Jean (1903-1974), getrouwd met Joseph Paul Dumaresq (1898-1986)
  • John Thomas "Tommy" (1907-1973), getrouwd met Ruby Migionette Gourley (1907-2002)
  • Wilma Marian (1913-2000), getrouwd met John Edward Meagher (1908-1987)
  • Scott Cameron (1915 -1935), hij werd begraven in Forest Lawn Memorial Park, Vancouver, British Columbia, Canada.
Hun jongste kind was Keith McLean Johnston en werd geboren op 26 december 1917 in Vancouver, British Columbia, Canada.      

Keith zat op de lagere school van 1926 tot 1934, vervolgens ging hij naar de Enderby en Lord Byng Highschools tussen 1935 en 1937. Daarna was hij drie jaar werkzaam in de bosbouw als houthakker bij Dumaresq Bros and Timber Co. In de eerste acht maanden van 1940 was hij butler bij Safeway Stores en volgde hij nog een schriftelijke cursus op het gebied van Farmacie.
Volgens zijn medisch rapport was hij dol op basketbal en rugby, 170 cm. lang en 63 kg zwaar en had grijze ogen en bruin haar.
Op het interviewrapport van 10 oktober 1940 staat het volgende over hem genoteerd:
Vrijgezel, spreekt alleen Engels, geïnteresseerd in athletiek en rugby, nette verschijning "Neat and conservative". Over zijn persoonlijkheid: "confident, mature, pleasant, ligerent". Samenvattend: "Canadian boy, stopped school some years ago, but resumed recently to qualify as pilot in RCAF. Got through in one year. Prepossessing in appearance, good manners and speech, lots of guts, might go far.

Keith in uniform (Copyright S. Apsey)

Keith kwam op 26  februari 1941 bij de RCAF in Vancouver. Na een basiscursus kreeg hij op 4 oktober 1941 al zijn Wing.
Hij kreeg zijn opleiding in 'cursus 34' van juli tm. oktober 1941 in No11 Service Flying Training School in Yorkton.
"On arrival in the UK in early 1942 he spent a few months with No.51 Group Pool and No.4 EFTS before being posted to 3 (P)AFU on 29th December 1942 and 22 OTU on 23rd March 1943. He was posted to 429 Squadron from 22 OTU on 23rd May 1943 (along with Clarke, Frost and Lortie) but was killed on 26th July 1943."


Huwelijk van Elizabeth en Keith (op zijn rechterschouder de zgn. Wing).
Bron: Perthshire Advertiser, 1-8-1942. Bewerkt door Richard Keijzer.

Athole Street 1 in Blairgowrie (Bron: Google maps)

Keith trouwde op 27 juli 1942 in het Royal Hotel in Blairgowrie, Perthshire, Schotland met stenotypiste Elizabeth "Betty" Robertson Smith, die op 20 mei 1916 in Couper Grange, Bendochy geboren was. Zij woonde na haar huwelijk met Keith op de Athole street 1 in Blairgowrie.
Op 2 april 1947 hertrouwde Betty met William Brodie, een gasfabrikant. Ze overleed in 2002.


                        Begrafenis en herdenking

 
1e graf van Keith (Bron: picture me - findagrave.com)

 
Canadees Oorlogskerkhof in Bergen op Zoom (Foto's: R. van de Velde)

Johnston werd aanvankelijk begraven in Tilburg, maar later herbegraven op het Canadese Oorlogskerkhof Bergen op Zoom.
Op zijn grafsteen staat:
“He was so dear to us. To live in the hearts of those you love is not to die.”


429 (Bison) Squadron RCAF
Het 429 Squadron RCAF werd opgericht op 7 november 1942 in East Moor.
Kenmerken:
  • Motto: “Fortunae nihil” (“Niets aan het toeval overlaten”)
  • Embleem: een aanvallende bizon
  • Codeletters: AL
Het squadron vloog met:
  • Vickers Wellington (1942–1943)
  • Handley Page Halifax
  • Avro Lancaster
De eerste missie vond plaats op 21 januari 1943, de laatste op 25 april 1945.


Slot
De crash bij Culemborg is een indringend voorbeeld van de luchtoorlog boven Nederland: een combinatie van internationale samenwerking, technologische ontwikkeling, persoonlijke moed en tragiek.
Dankzij getuigenverklaringen en bewaard gebleven documenten blijft niet alleen de gebeurtenis zelf, maar ook het menselijke verhaal van de bemanning bewaard.






Terug naar de inhoud