Moeke Kok en Maurikse pilotenvluchtlijn - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Moeke Kok en Maurikse pilotenvluchtlijn

Gemeente Buren > Verzet in regio Buren
‘Moeke’ Kok
 
Regina Petronella Thijssen (1880-1961) kwam als dienstbode uit Wamel toen ze op 15 februari 1905 in Maurik trouwde met Stephanus “Stef” Wilhelmus Kok (1876-1942). Hij had daar een klompenmakerij en een houthandel. Stef was lichamelijk niet zo sterk en had veel last van bronchitis.
Ze kregen samen op de Kreupelstraat (later veranderd in de Raadhuisstraat 56, naast het pand van de tegenwoordige Jumbo-supermarkt), zoals een goed katholiek gezin betaamd, twaalf kinderen: zes jongens en zes meisjes:
 
1.    Johanna Stefana Antonia (1906-1973) trouwde in 1928 met de Burense broodbakker Johan Martens (1902- Kerkdriel 1977)
2.    Lambertus Antonius (*1907), klompenmaker, trouwde in januari 1937 met de Maurikse kapster Amelia Antoinettta Maria van der Heijden (*1908)
3.    Christiaan “Chris” Antonius (1908-1984)
4.    Johanna "Anna" Gerarda (1909-1994) trouwde in 1935 met Rijksduitser en loodgieter Alois Theunissen (1907-1978) uit Elten
5.    Stefanus Wilhelmus Antonius (1911-1973), trouwde met Alberdina A. van der Donk (1925-2003)
6.    Regina Wilhelmina "Zus" Maria (1912- Ammerzoden 2006), trouwde in januari 1940 in Hurwenen met tuinder Hendrikus "Hen" Wouterus van Heel (1910-1980) uit Hurwenen
8.    Hendrikus “Henk” Arnoldus Cornelis (*1915)
9.    Wilhelmina Johanna (*1916), trouwde in 1946 met de Leerdamse rechercheur Jan Kouw (1919- Groningen 1987)
11. Antonius "Anton" Gerardus (*1921), woonde in Nieuwerkerk aan de IJssel
12. Jacoba “Toos” Gerarda (*1922) trouwde in 1946 met de Leersummer pasteuriseerder Coenraad Roetert (*1920)

Er was voor de oorlog altijd veel aanloop in de klompenmakerij. Je kon er altijd terecht om iets op te halen of voor een gezellig praatje of om een sigaretje te roken.  
Halverwege februari 1942 kreeg Stef een flinke griep en overleed vrij plotseling op 24 februari 1942. Er woonden toen nog zeven kinderen thuis, waarvan de jongste, Toos, twintig was. Ze hielpen allemaal mee op de klompenmakerij in bedrijf te houden en zorgden ze heel liefdevol voor de ernstig beperkte zus Rika.
 
In de oorlogsjaren waren postbodes niet alleen bezorgers van brieven, maar ze gaven ook het allerlaatste nieuws door. In Maurik was Chris Kok postbode en zijn broer Wim in Tiel. Hun eerste verzetswerk bestond veelal uit sabotage. Dorsmachines, die voor de Duitsers het koren moesten dorsen, werden bijvoorbeeld in brand gestoken en ze maakten soms ook bonnen buit. Die gaf Chris dan af bij verschillende adressen, waar onderduikers zaten. Chris was dan een ijskouwe, want hij kon rustig een praatje met de Duitsers maken met een tas met bonnen om z’n nek.
Langzaam raakte het hele gezin betrokken bij het verzet. De spil werd echter de moeder van Chris en Wim. Ze stond bekend als “Moeke” Kok en ging de illegale activiteiten coördineren. Wat er ook gebeurde, zij paste overal een mouw aan. Dat was soms niet zo eenvoudig, want in het ene deel van het huis woonde de familie Kok en in het andere deel zetelden de Duitse Wehrmacht en er zat maar één tussendeur tussen.
Eerst beperkte de activiteiten van het gezin zich tot nieuws en bonnen en illegale boodschappen werden in een klomp naar binnengebracht en de volgende dag weer opgehaald. Later ging het steeds meer over het plaatsen en wegbrengen van onderduikers en geallieerde militairen.

'Moeke' Kok (Collectie A. Onink)

Moeke Kok was een gezette, vrome katholieke vrouw, maar het maakte haar niet uit welk geloof je had. Zij stond op het standpunt wie om hulp vraagt, moet geholpen worden. Communist of jood. Ze wilde ook niet weten hoe de mensen, die in hun huis kwamen, heetten en waar ze vandaan kwamen. De meesten hadden ook allemaal bij- en schuilnamen.
Ze was erg koningsgezind en werd opstandig toen ze Duitse militairen in Maurik zag. Ze kon dit niet laten gebeuren en vond dat er iets moest gebeuren. Ze vertrouwde daarbij volledig op God. Het maakte daarbij voor haar niet uit wat voor godsdienst je had. Op een gegeven moment was er communist in haar huis en ze zei toen dat het niet uitmaakt op welke manier je gelooft, want je bent allemaal onderweg naar hetzelfde eindpunt.
 
Hun huis aan de Voorstraat in Maurik lag een stukje van de weg af. Achter hun huis lag een boomgaard, die doorliep tot de dijk en daarachter lag de steenfabriek met de Rijn. Hierin hadden Chris en Henk Kok een roeiboot liggen, die met basaltblokken was verzwaard en helemaal onder water lag.
Aan de overzijde van de Rijn stond een hut. Als er iemand moest worden overgezet, werd er een wit papier op de ramen geplakt en dan wisten ze dat ze in actie moesten komen. Ze werkten bijna altijd overdag, want dat was minder gevaarlijk. Chris hield de wacht door zogenaamd aan de heining aan de dijk te werken. Zolang hij aan de slag bleef, was dat voor Henk een teken dat alles veilig was.
 
Via de boomgaard werden de ‘crossers’ dan bij Moeke gebracht of bij één van de andere onderduikadressen in de omgeving. Volgens Wim Kok zijn er in totaal meer dan 40 mensen opgehaald, grotendeels Engelse militairen.

Bijzondere gasten

Jan Herman van Roijen (Bron: Wikipedia)

Maar er zat ook bijzondere crosser bij: de zeer invloedrijke diplomaat en latere minister en ambassadeur Jan Herman van Roijen (1905-1991) Deze speelde een belangrijke rol in het politieke verzet. Hij was al driemaal gearresteerd geweest door de Duitsers. Hij had ook contact met het Duitse verzet tegen Hitler, dat uitmondde in de mislukte aanslag van 20 juli 1944. Uit angst weer te zullen worden gevangengenomen, besloot hij niet naar huis terug te keren en onder te duiken. Nadat Zuid-Nederland grotendeels was bevrijd, kreeg Van Roijen de opdracht van het College van Vertrouwensmannen naar Londen te gaan, teneinde meningsverschillen tussen de Nederlandse regering aldaar en de Vertrouwensmannen op te lossen. Daarvoor moest hij wel eerst in het bevrijde zuiden komen. In oktober 1944 werd hij door Henk Kok overgezet en kwam bij Moeke Kok terecht. Wim en Chris hebben toen met hem op de fiets o.a naar de steenfabriek de Roodvoet bezocht, waar veel onderduikers zaten en ook de plaatselijk Molen. Daarna brachten ze hem naar Tiel en werd hij samen met Joop Meier, die niet langer in de groep te handhaven was, omdat hij te agressief was, de Waal overgevaren. Hij bereikte heelhuids Londen, waar hij tot het einde van de oorlog zou blijven.

Het hele gezin Kok was volgens Wim Kok, in een interview voor de Tielsche Courant van 29 juni 1984, actief in het verzetswerk. Zijn jongere broer Anton, die moest onderduiken, omdat hij anders op transport naar Duitsland gesteld zou zijn, verrichtte ook hand- en spandiensten. Zijn zussen hadden het druk met koken voor de talrijke ‘gasten’, het herstellen van kleding en de was. Ook zijn getrouwde broers en zwagers droegen een steentje bij.
 
Meestal bleven ‘de gasten’ een paar dagen en dan ging Wim op de fiets met ze naar de boerderij van Fekko Ebbens tot het veilig was en dan verder werden gebracht naar Tiel, Zennewijnen of Ophemert, waar ze in een kano door de 'veerdienst' de oversteek over de Waal maakten naar het al bevrijde Brabant. Deze veerdienst stond onder leiding van Piet Oosterlee en bestond verder uit Geurt van der Zalm, Maarten Noordzij en Frans de Vilder. De .
De militairen waren altijd gekleed in burgerkleding, met daaronder hun uniform. Mochten ze aangehouden worden, dan hoopten ze als krijgsgevangene te worden behandeld.
“Je moest zorgen om niet op te vallen, niet nerveus doen en zeker geen straatje omrijden als er een patrouille aankwam. Het beste kon je maar je hand opsteken en gewoon doorfietsen," zei Wim.
 
Invallen
 
Invallen zijn de familie Kok ook niet bespaard gebleven, “maar dat moet verraden werk geweest zijn, aldus Wim. Ze trapten de voordeur in, rolden de kokosmat op en wisten precies welke plank er los zat en haalden daar onze radio uit. Het zag er niet best uit. Henk en Chris en ik moesten mee en zo ging het op de fiets naar Buren waar we vastgezet werden. Toevallig was onze zuster Toos thuis, die met een Rijksduitser was getrouwd en die mocht wel een radio hebben. Zij belde de commandant en deed haar verhaal en dat lukte. De celdeuren werden opengegooid en tot onze verbazing werd er geroepen: „Weg Schweinhunde". Nou, daar hebben we graag gehoor aan gegeven".
 
“Een tweede razzia liep goed af dankzij de heer Van Vliet, die hier toen politieagent was. Dankzij zijn waarschuwing konden we de zeker tien onderduikers, die we toen in huis hadden, tijdig ergens anders onderbrengen. Helaas kan Van Viet de uitreiking niet meer meemaken. Enkele maanden geleden is hij overleden. Hem hadden we er graag bij gehad. Die man was een echte Hollander. Als hij ons toen niet gewaarschuwd had, was jij nooit in contact gekomen met Wim Kok, want dan was het mooi misgegaan. We hadden wel goede schuilplaatsen, maar niet voor zoveel mensen natuurlijk. Er is in het huis één schuilplaats, waar van we zeker wisten, dat die nooit ontdekt zou worden. Die lag volgestopt met wapens en munitie. De Duitsers hebben er bovenop gestaan, maar we waren zo zeker van onze zaak dat we rustig aan tafel bleven zitten kaarten".
 
De broers Kok waren voorbereid op de meest onverwachte gebeurtenissen, maar tot nu toe waren ze de dans ontsprongen.  
Twee dagen voor het einde van de oorlog dacht Wim toch dat zijn eind in zicht was. “Ik ging de pont in Eck en Wiel over om aan de overkant mensen op te halen. De SD hield daar razzia's en was met de nederlaag in zicht erg vervelend. Voor ik de pont opging, had ik nog een tijdje staan praten en in de tussentijd waren die lui gewaarschuwd. Toen de pont bijna aan de overkant was, kwam er ineens een truck met SD’ers aan en wijzend naar mij werd er geroepen: ”Stehen bleiben!". (Vermoedelijk betreft het hier militairen van de 34e SS-divisie Landstorm Nederland, red.) Ik had er natuurlijk wel kunnen afspringen, maar dan hadden ze wraak genomen op andere mensen op de pont, dus ik kon niets anders doen dan blijven staan. Zonder iets te zeggen, werd er een vuurpeloton opgesteld en dan weet je wel hoe laat het is. Je kijkt voor het laatst naar de blauwe lucht en denkt: het is gebeurd met je. Ik werd ook wel geraakt, maar mijn beschermheilige zal me toen wel gered hebben, want ik kon overeind kruipen. Ik moest naar de kant komen, daar werden eerst tanden uit m'n mond geslagen en kreeg ik de bekende moffentrap tussen de benen. Omdat ik niet wilde praten, werd er besloten dat ik zou worden opgehangen. Er stonden toen nog een paar van die hoge bomen bij het veer. Weer had ik geluk, want de soldaten konden het touw niet vast krijgen. Dan toch maar weer het vuurpeloton werd er besloten. Ik heb ook een knal gehoord, maar dat was vòòr het commando “vuur” kwam. Dat kon hij ook niet meer geven, want m'n broer Henk was gewaarschuwd en samen met een stel kornuiten naar de pont gekomen. Met een stengun werd de commandant doodgeschoten, waarna de rest uit elkaar vloog en de achtervolging inzette. Een bleef er als bewaker achter. Dat bleek nog een Hollander te zijn ook. Ik rolde een sigaret en toen ik hem er een aanbood, ging hij daarop in, waarna ik de gelegenheid had hem onderuit te halen en te vluchten. De kogels floten langs mijn oren, maar ik redde het. Ik kon goed rennen, want ik had altijd gekorfbald, dus conditie had ik wel. Toen ben ik langs de waterkant gelopen, tot ik tegenover de steenfabriek was en daar lag de roeiboot al klaar en kon ik overvaren en via de boomgaard naar huis. Precies gelijk met Henk stapte ik het huis binnen en weet je wat Moeke zei?: Ga zitten jongens, ik wist dat jullie allebei weer terug zouden komen. Zo was ze, hè? Vol vertrouwen in de goede afloop."
 
Na de oorlog ontving de familie Kok dankbetuigingen van de president van de Verenigde Staten, Dwight D. Eisenhower, en van Winston Churchill, de premier van het Verenigd Koninkrijk. Alleen die van Moeke werden ingelijst en hing in de woonkamer. “Die dingen hebben wij ook”, zegt Henk, “ze liggen nog in de rol ergens achter in de kast. Als die van Moeke aan de muur hangen is het voldoende. Zij was het verzet en wij hebben haar daarbij geholpen".

Onderscheidingen

Kings's Medal for Courage in the Cause of Freedom

De webmaster ontdekte per toeval dat aan Henk Kok ook de prestitieuze Kings's Medal for Courage in the Cause of Freedom is toegekend. Het is een door de Britse koning George VI op 23 augustus 1945 ingestelde onderscheiding, die in de eerste plaats bedoeld was voor inwoners van de bezette Europese naties die het ontsnapte Britse militairen mogelijk hadden gemaakt om te ontsnappen aan de Duitse politie. De medaille was dus voor vreemdelingen en niet voor onderdanen van het Britse Gemenebest bestemd. Militairen kwamen evenmin voor deze medaille in aanmerking. Hij is maar 3200 maal toegekend. (Zie hier de lijst van Nederlandse gedecoreerden) Of Henk er ook melding van heeft gemaakt bij zijn familie of zelf weet hiervan heeft gehad, is niet bekend.





Uitreiking onderscheidingen v.l.n.r. Henk, Toos en Wim Kok Bron: RAR

Min of meer tegen hun zin in en op aandrang van Burgemeester Hoek van Maurik, vroegen de broers Wim, Henk en Chris in 1984 het Verzetsherdenkingskruis aan. Zij hadden hun verzetsactiviteiten altijd “doodgewoon” gevonden en niets bijzonders. Wim Kok zei: 'Er zijn zoveel verhalen geschreven over het verzet met halve waarheden. Je moet zoiets niet spannender maken dan het is. De realiteit was al erg genoeg."

De burgemeester haalde ze toch over, omdat hij vond dat dit hun toekwam voor hun houding, waardoor ze enkele malen dichtbij de dood geweest waren.
Enkele weken voor de feestelijkheden voor de uitreiking zouden plaatsvinden, overleed Chris en kort daarop ook zus Rika, waarvoor de vrijgezelle broers Chris en Wim na de dood van moeder in 1961 altijd hadden gezorgd. Het was voor de twee broers een zware beslissing, maar ze hebben de uitreiking toch laten doorgaan, want ze vonden het een mooie gedachte, dat naast hun moeder ook broer Chris postuum nog eer werd bewezen. Ze deden het ook “voor de burgemeester, die in deze moeilijke weken een ontzettend grote steun is geweest."
Wim Kok sprak een bewogen dankwoord en verwees daarin naar zijn moeder, “die ons steeds meegegeven heeft dat te doen wat goed is.”

Aan het eind van het interview met Wim van Leeuwen kwamen bij Wim ook de leuke herinneringen boven. Zoals toen de Betuwe onder water stond en het huis met een roeiboot bereikt moest worden. Via het raampje boven de deur moest men naar binnen en vandaar met een plank, die op de traptreden lag naar boven. Dat mislukte nog wel eens en dan ging er weer een kopje onder in de gang. Wim wil nog kwijt, dat het nu wel een verhaal met hem is, maar dat de rol van de anderen niet vergeten mag worden. We deden allemaal hetzelfde, voor hetzelfde doel. Henk haalde vaak de kastanjes uit het vuur. Chris was de stille kracht, bedachtzaam en kalm. We krijgen nu dat verzetskruis, maar de inbreng van de rest van de familie was er natuurlijk ook. Onze jongere broer Anton, die moest onderduiken, omdat hij anders op transport naar Duitsland gesteld zou zijn, heeft bijvoorbeeld veel achter de schermen gedaan en Toos waste en verstelde en hielp Moeke bij het bereiden van de dagelijkse pot. Moet je nagaan, soms voor twintig man te moeten koken, terwijl er zo weinig was. Vraag niet hoe Moeke dat klaarspeelde, ze deed het".

Achter de Tielsestraat in Maurik is in de jaren negentig op het terrein van gesloopte Huishoudschool een wijk gebouwd, waar straten de naam van een appelras hebben gekregen, op één uitzondering na. Vrijwel recht tegenover het huis, vanwaar uit de familie Kok in de oorlog opereerde, werd een hofje vernoemd naar Moeke: Regina Kok hofje.
 
Bronnen:
·         Nieuwe Kroniek, Ria Kragten-van der Mark, ’Moeke Kok stond haar mannetje’
·         Interview van Aad Nekeman met Wim Kok in de Tielse Courant in 1974
·         Interview van Wim van Leeuwen met Wim Kok in de Tielse Courant van 29 juni 1984
·         ‘De Betuwe in Stelling’ van Victor Laurentius, Arend Datema Instituut.
 

Terug naar de inhoud