Overleden Britten in Duitse lazaret in Waardenburg - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Overleden Britten in Duitse lazaret in Waardenburg

Gemeente West Betuwe > Gesn. Geallieerde militairen > Gesn. Britten en Nieuw-Zeelanders
Achternaam: Walker
Voornamen: John William
Voorletters: J W
Beroep:
Dienstnummer: 14332699
Geboorteplaats: Desborough
Geboortedatum: 30-11-1921
Overlijdensplaats: Waardenburg
Overlijdensdatum: 26-10-1944
Begraafplaats: Waardenburg/ Bergen op Zoom
Vak: 27
Rij: B
Nummer: 11
John William Walker werd geboren op 30 november 1921. Zijn ouders waren Ernest Walker (1885-1964) en Charity Ellen Buckby (1885-1962) uit Desborough in Northamptonshire. Ze trouwden in 1906 kregen samen elf kinderen:
  • Harold (1906-1907)
  • Fred (*1907)
  • James (1910-1910)
  • Leonard (1911-1992)
  • Olive (1914-1996)
  • Arthur (1916-1985)
  • Harold (*1918)
  • Dennis Walter (1919-1975)
  • Thomas C. (*1920)
  • John William (1921-1944)
  • Geoffrey (1923-1994)


Onderaan, t.o. Heesselt, Fort Andries Bron: toporeis.nl

Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende John Walker als Trooper bij het 43rd Reconnaissance Regiment, Reconnaissance Corps (2/5th Battalion Gloucestershire Regiment). Zijn dienstnummer was 14332699.
Na de opmars door Frankrijk trok het regiment op 14 september 1944 België binnen. Enkele dagen later, tijdens Operatie Market Garden, ging de eenheid naar Nederland. De verschillende pelotons werden ingezet in onder meer Deventer, Zutphen en Doesburg.
Op 24 september verplaatste het regiment zich naar de omgeving van Zetten en Andelst. Via Nijmegen en Druten kwamen de militairen half oktober terecht in het Land van Maas en Waal. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Maasbommel. De pelotons lagen onder meer in Wamel, Alphen en Dreumel.
Vanuit Dreumel werden regelmatig verkenningspatrouilles uitgevoerd naar niemandsland Heerewaarden, dat toen tussen de geallieerde en Duitse linies lag.
Op 24 oktober 1944 kreeg een patrouille opdracht de omgeving van steenfabriek De Hoogenwaard bij Heerewaarden te verkennen. Daar ontmoetten de militairen een visser uit Rossum. Op zijn aanwijzing werd een schip in de haven tot zinken gebracht, zodat de haven werd afgesloten.
In de omgeving lag ook Fort Sint-Andries, een oud verdedigingsfort tussen de Maas en de Waal. Tijdens de oorlog was het fort bezet door Duitse militairen.
Op de ochtend van 26 oktober 1944 meldde een visser uit Rossum zich bij een Britse eenheid die was gelegerd in café ’t Zwaantje in Dreumel. Hij vertelde dat Fort Sint-Andries door de Duitsers verlaten zou zijn. Naar aanleiding daarvan kreeg een Britse verkenningspatrouille opdracht het gebied rond het fort en de sluizen te onderzoeken.
De patrouille stond onder leiding van sergeant Oddy en bestond uit vijftien militairen, onder wie een Nederlandse tolk. Toen de groep het fort naderde, werden de manschappen verdeeld in verschillende groepen om het terrein van meerdere kanten te benaderen. Op het moment dat de militairen het fort wilden binnengaan, werden zij plotseling onder vuur genomen door een Duitse Spandau-mitrailleur. De Britten waren in een zorgvuldig voorbereide hinderlaag terechtgekomen.
Tijdens het hevige vuurgevecht kwamen de negentienjarige soldaten John Raymond Hadwin en Reginald William Stopher om het leven. Zij werden later op het terrein van het fort begraven. Ook John William Walker raakte tijdens de aanval zwaar gewond. Hij werd door de Duitsers overgebracht naar het Duitse veldhospitaal Molenzicht in Waardenburg, waar hij nog op dezelfde dag aan zijn verwondingen overleed. Hij werd slechts 22 jaar oud.
John werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Waardenburg en in 1949 herbegraven in Bergen op Zoom War Cemetery.
Bij dezelfde actie raakte ook Trooper Rowland Merritt ernstig gewond. Hij werd vervoerd naar het Sint-Antoniusziekenhuis in Utrecht, waar hij op 29 oktober 1944 overleed. Hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats Soestbergen in Utrecht.
Van de vijftien leden van de patrouille wisten slechts drie militairen te ontkomen. De overige soldaten werden krijgsgevangen gemaakt en later via Kamp Amersfoort afgevoerd naar krijgsgevangenenkamp Stalag XI-B bij Fallingbostel in Duitsland. Zij hebben de oorlog overleefd.
In april 1945 werd Fort Sint-Andries door terugtrekkende Duitse troepen opgeblazen tijdens gevechten met oprukkende geallieerde eenheden. Door deze explosie verdwenen ook de veldgraven van Hadwin en Stopher onder het puin. Ondanks latere zoekpogingen zijn hun stoffelijke resten nooit meer teruggevonden.
Na de oorlog werd John William Walker herbegraven op het Bergen-op-Zoom War Cemetery. Zijn graf bevindt zich in vak 27, rij B, graf 11. Op zijn grafsteen staan de woorden:

“WAR TOOK A LOVED ONE FROM OUR HOME
BUT NEVER FROM OUR HEARTS”

De namen van John William Walker, John Raymond Hadwin, Reginald Stopher en Rowland Merritt worden herdacht op het monument bij Fort Sint-Andries. Dit monument werd op 26 oktober 1999 onthuld aan de Waaldijk nabij het fort.

Met dank aan informatie van H. Sepers en Tremele.nl



Achternaam: Utton
Voornamen: Stanley
Voorletters: S
Beroep:
Dienstnummer: CH/X106623
Eenheid: 41RM Commando
Geboorteplaats:
Hammersmith, London
Geboortedatum: 6-10-1924
Overlijdensplaats: Waardenburg
Overlijdensdatum: 22-3-1945
Begraafplaats: Waardenburg/ Bergen op Zoom
Vak: 27
Rij: B
Nummer: 10
Stanley Utton – Britse commandomarinier overleden in Waardenburg

Jeugd en familie
De Britse marinier Stanley Utton diende tijdens de Tweede Wereldoorlog bij No. 41 (Royal Marine) Commando, een gespecialiseerde gevechtseenheid van de Britse Royal Marines. Hij nam deel aan de geallieerde strijd in West-Europa en kwam uiteindelijk in de laatste oorlogsmaanden om het leven in Nederland.
Stanley Utton werd geboren op 6 oktober 1924. Zijn ouders waren John William Utton (1900–1957), die als slager werkte, en Maud Alexandra Willis (1902-1994). Zij trouwden op 15 februari 1921 en woonden met hun gezin in Hanwell, Middlesex, in het westen van Londen.
Het echtpaar kreeg acht kinderen:
  • Arthur John (1921–1946)
  • Eileen (1923–1946), getrouwd met de heer Crawley
  • Stanley (1924–1945)
  • Harry (1926-2021)
  • Tom (1926–2002)
  • Mildred (1929–1929)
  • Jeffrey (geboren in 1930)
  • Een achtste kind, van wie de gegevens nog niet zijn vastgesteld

Dienst bij No. 41 Royal Marine Commando
Tijdens de oorlog trad Stanley toe tot de Royal Marines. Hij werd ingedeeld bij No. 41 (Royal Marine) Commando, onderdeel van de 4th Special Service Brigade. Deze commando-eenheden werden ingezet voor gevaarlijke operaties, waaronder amfibische landingen, verkenningen en aanvallen op Duitse stellingen.
No. 41 Commando nam op 6 juni 1944 deel aan de geallieerde landing in Normandië. Daarna werd de eenheid ingezet bij verdere operaties in West-Europa. Na de gevechten in Frankrijk en de Slag om de Schelde kwam de strijd in de winter van 1944–1945 steeds meer in de richting van de grote rivieren in Nederland te liggen.
Ook aan het Maasfront bleef de oorlog gevaarlijk. Britse commando's voerden patrouilles uit en probeerden informatie te verzamelen over Duitse posities aan de overzijde van de rivier.

De strijd aan het Maasfront
In maart 1945 opereerde No. 41 Commando in de omgeving van ’s-Hertogenbosch en Hedel. Vanuit dit gebied werden patrouilles langs en over de Maas uitgevoerd. Daarbij konden de militairen onder vuur komen te liggen van Duitse troepen die hun posities aan de rivier verdedigden.
Volgens de informatie die over Stanley Utton is overgeleverd, raakte hij tijdens deze operaties zwaargewond en kwam hij in Duitse handen terecht. Hij werd vervolgens naar het Duitse lazaret Molenzicht in Waardenburg gebracht. Daar overleed hij op 22 maart 1945, twintig jaar oud.
De precieze omstandigheden waaronder hij gewond raakte, zijn nog niet volledig vastgesteld. De bewaard gebleven correspondentie bevestigt wel dat zijn moeder bericht kreeg dat hij op 22 maart was gesneuveld en dat hij de volgende dag werd begraven.

Begraven in Waardenburg
Stanley Utton werd op 23 maart 1945 begraven op de algemene begraafplaats van Waardenburg. Zijn graf lag daar tussen graven van Duitse militairen. Na de oorlog bleven er uiteindelijk twee Britse oorlogsgraven op de begraafplaats achter.
Zijn moeder, Maud Alexandra Utton, had lange tijd in onzekerheid verkeerd over het lot van haar zoon. In een brief van 19 november 1950 schreef zij dat Stanley ongeveer achttien maanden als vermist was beschouwd voordat zij bericht ontving dat hij was gesneuveld.
In 1949 was zij naar Waardenburg gekomen om zijn graf te bezoeken. Ze trof er een mooie, goed verzorgde plek aan. Toch viel het haar zwaar om haar zoon na dat bezoek achter te moeten laten.
Toen zij in november 1950 hoorde dat zijn graf mogelijk zou worden verplaatst naar een andere militaire begraafplaats, maakte zij daar bezwaar tegen. De nieuwe rustplaats zou volgens haar ongeveer zestig mijl verderop liggen. Voor haar was het graf in Waardenburg de plek waar zij haar zoon na de lange periode van onzekerheid had teruggevonden.

De brief van Maud Utton aan de burgemeester
Op 19 november 1950 schreef mevrouw Utton vanuit haar woning aan 86 Mayfield Gardens in Hanwell, Londen W.7, aan de burgemeester van Waardenburg.
In haar brief beschreef zij haar verdriet en haar bezorgdheid over de mogelijke verplaatsing van het graf. Ze vertelde hoe lang ze op nieuws over haar zoon had moeten wachten en hoe moeilijk het was geweest om hem na haar bezoek in Waardenburg achter te laten.
Ze vroeg de burgemeester rekening te houden met de gevoelens van een moeder die haar kind had verloren. Voor haar was het niet zomaar een graf dat kon worden verplaatst, maar de rustplaats van haar zoon.

De burgemeester antwoordt
Op 21 november 1950 antwoordde de toenmailige burgemeester van Waardenburg, G.E.H. Tutein Nolthenius, haar in het Engels. Hij legde uit dat hij de verplaatsing van de twee Britse oorlogsgraven niet had voorgesteld uit gebrek aan respect voor de gesneuvelden.
De twee Britse graven lagen op de algemene begraafplaats van Waardenburg van elkaar gescheiden, op een plek die volgens hem in de toekomst mogelijk niet de aandacht en het onderhoud zouden krijgen die zij verdienden. Hij wilde daarom proberen de graven op een geschiktere plaats bijeen te brengen.
Al in 1949 had hij toestemming gevraagd om de twee graven op de begraafplaats dichter bij elkaar te laten plaatsen. De Nederlandse regering had die toestemming echter niet verleend.
In oktober 1950 had de burgemeester vertegenwoordigers van de Imperial War Graves Commission ontmoet. Zij adviseerden hem de mogelijkheid te onderzoeken om de graven naar een Britse militaire begraafplaats over te brengen. De burgemeester benadrukte tegenover mevrouw Utton dat zijn bedoeling was geweest haar zoon en diens kameraad een passende en blijvende rustplaats te bezorgen.

De Imperial War Graves Commission
Op 20 oktober 1950 had de Imperial War Graves Commission aan de burgemeester geschreven over de twee Britse graven op de algemene begraafplaats van Waardenburg. De commissie bevestigde dat er nog twee Britse oorlogsgraven lagen tussen de graven van Duitse militairen. Andere Britse graven waren eerder overgebracht naar een Duitse militaire begraafplaats in Venray.
De commissie legde uit dat voor het verplaatsen van oorlogsgraven strenge regels golden. Een graf mocht niet zomaar worden verplaatst wanneer het op de bestaande plek blijvend kon worden onderhouden en beschermd. Alleen wanneer dat niet mogelijk bleek, kon toestemming voor verplaatsing worden overwogen.
De burgemeester wilde voorkomen dat de twee Britse militairen in de toekomst onvoldoende aandacht zouden krijgen. Zijn verzoek was dus bedoeld om hun graven op een waardige manier te behouden.

De reactie van mevrouw Utton
Op 24 november 1950 schreef Maud Alexandra Utton opnieuw aan de burgemeester. Ze bedankte hem voor zijn antwoord en bood haar excuses aan voor de manier waarop zij eerder had gereageerd. Ze erkende dat zij niet had geweten dat de kwestie mede door overheidsregels was ontstaan.
In haar brief vertelde ze opnieuw over haar bezoek aan Waardenburg. Ze had er vriendelijke mensen ontmoet en was onder de indruk geweest van de zorg waarmee de plaatselijke bevolking de graven behandelde.
Ook schreef ze over twee ander grote verliezen in haar leven: het overlijden van haar oudste zoon Arthur op 25-jarige leeftijd en haar dochter Eileen, het jaar na de dood van Stanley. Deze verliezen had een diepe wond achtergelaten die, zoals zij schreef, nooit helemaal zou genezen.
Aan het einde van haar brief bood ze de burgemeester nogmaals haar verontschuldigingen aan. Haar woorden laten zien hoe zwaar het verlies van haar zoon haar was blijven treffen, zelfs bijna zes jaar na zijn overlijden.

Herbegraven in Bergen op Zoom
Na de oorlog werd het stoffelijk overschot van Stanley Utton overgebracht naar het Bergen-op-Zoom War Cemetery, waar veel Britse en andere geallieerde militairen rusten die tijdens de bevrijding van Nederland om het leven kwamen.
Zijn graf wordt aangeduid als Plot 3, Row B, Grave 2.
Op zijn grafsteen staan de woorden:
“A SMILING FACE, A HEART OF GOLD, NO BETTER SON THIS WORLD COULD HOLD.”
Vrij vertaald: Een glimlachend gezicht, een hart van goud; geen betere zoon had deze wereld kunnen hebben.

Een moeder die haar zoon niet wilde vergeten
De brieven uit 1950 geven het verhaal van Stanley Utton een persoonlijke dimensie. Ze laten zien dat achter de naam van een gesneuvelde marinier een gezin schuilging dat jarenlang met onzekerheid en verdriet had geleefd.
Zijn moeder had hem na een lange periode van onzekerheid teruggevonden op de begraafplaats van Waardenburg. De gedachte dat zijn graf opnieuw zou worden verplaatst, viel haar zwaar. De correspondentie laat tegelijkertijd zien dat ook de burgemeester van Waardenburg zich verantwoordelijk voelde voor een waardige rustplaats voor de Britse militairen.
Dankzij de bewaard gebleven documenten uit het archief in Tiel kunnen we niet alleen de geschiedenis van de twee Britse graven reconstrueren, maar ook iets begrijpen van het verdriet van de nabestaanden en de zorg die na de oorlog aan de oorlogsgraven werd besteed.
Stanley Utton was twintig jaar oud toen hij op 22 maart 1945 overleed. Zijn graf en de brieven van zijn moeder herinneren eraan dat de strijd in het Rivierengebied tot in de laatste oorlogsmaanden slachtoffers bleef eisen.

Bronnen: correspondentie tussen Maud Alexandra Utton, de burgemeester van Waardenburg en de Imperial War Graves Commission, oktober–november 1950, bewaard in het archief in Tiel.
Met dank aan o.a. H. Sepers voor aanvullende informatie.
Terug naar de inhoud