Crash Mustang bij Asch-Buurmalsen 27 sept. 1944
Gemeente Buren > Gecrashte geallieerde vliegtuigen
De ontsnapping van Flight Lieutenant Gerald Percival
P-51A Mustang (Bron: Plane Historia op Facebook))Gerald Percival vloog op 27 september 1944 met Mustang FR936, een North American P-51A Mustang, die bij de RAF werd aangeduid als Mustang Mk II. Dit type was uitgerust met een Allison V-1710-motor en was bijzonder geschikt voor operaties op lage hoogte. De combinatie van snelheid, wendbaarheid, bereik en bewapening maakte de Mustang zeer geschikt voor de tactische verkenning waarvoor No. 2 Squadron werd ingezet.
De Britse Mustangs waren voor hun verkenningstaak uitgerust met fotocamera's van het type F.24. Een van de belangrijkste camera's was schuin achter de piloot in de romp gemonteerd, zodat tijdens de vlucht foto's van het terrein en vijandelijke posities konden worden gemaakt. De toestellen konden daarnaast worden voorzien van verticale en aanvullende schuine camera's.
Het doel van deze vluchten was tactical reconnaissance: het verzamelen van actuele informatie voor de geallieerde grondtroepen. Vanuit de lucht werden onder meer Duitse stellingen, troepenbewegingen, wegen, spoorlijnen en andere militaire doelen gefotografeerd. De Allison-aangedreven Mustangs bleken hiervoor bijzonder geschikt. De RAF Historical Society omschrijft de Mustang I bijvoorbeeld als een zeer capabele verkenningsjager, mede vanwege zijn snelheid en stabiele vliegeigenschappen tijdens het fotograferen.
Voor Percival betekende zo'n verkenningsvlucht op 27 september 1944 dat hij diep boven door Duitsland bezet gebied opereerde. Zijn opdracht was foto's te maken, maar de vlucht eindigde toen zijn Mustang door Duits luchtafweergeschut werd getroffen. Percival slaagde erin het zwaar beschadigde toestel terug richting Nederland te brengen, maar moest uiteindelijk om 08.30 uur een noodlanding maken in de omgeving van Asch, niet ver van Buurmalsen.
Daar begon een opmerkelijke ontsnappingstocht die hem via Asch en Beusichem uiteindelijk naar het bevrijde gebied zou voeren.
Opgevangen in Asch
Percival bevond zich na zijn noodlanding in vijandelijk gebied en droeg zijn RAF-uniform. Het was voor hem van levensbelang zo snel mogelijk uit het zicht te verdwijnen. In de omgeving kwam hij in contact met Jan Pieter (Jan) van Hattum, landbouwer in Asch.
Van Hattum verklaarde na de oorlog dat hij Percival in de velden had aangetroffen en hem naar zijn boerderij De Laak bracht. Daar werd de piloot verborgen gehouden. Om hem minder herkenbaar te maken als geallieerde vlieger kreeg Percival van Arie Serné een overall en schoenen.
Hoe lang Percival precies bij Van Hattum verbleef, is niet helemaal duidelijk. In de naoorlogse verklaringen wordt gesproken over enkele dagen tot ongeveer een week. Een dergelijke schuilplaats was bovendien nooit zonder risico. Duitse militairen waren overal aanwezig en een ontdekking kon voor zowel de onderduiker als zijn helpers ernstige gevolgen hebben.
Toch moest Percival verder. Hij kon niet onbeperkt op één plaats blijven.

Toon Beijnen (l) en piloot Gerald Percival (r). Onbekend is, wie de middelste man is. (Bron foto. R. van Empel)

Gerald Percival in het midden bij de fam. Van Koeverden op de oever van de Lek. (Bron foto. R. van Empel)
Van Asch naar Beusichem
De volgende etappe bracht hem richting Beusichem. Uit een naoorlogse verklaring van A.C. Beynen blijkt dat Percival vanuit Asch werd overgebracht door een marechaussee Van de Velde uit Zoelmond. De verklaring is bijzonder waardevol, omdat zij kort na de oorlog werd afgelegd tijdens het onderzoek naar de hulp aan geallieerd personeel.
Via Zoelmond kwam Percival uiteindelijk terecht bij Antonie Christiaan (Toon) Beijnen, die woonde in Huize De Engelenburg aan de Molenweg in Beusichem.
De keuze voor deze plaats lijkt op het eerste gezicht opmerkelijk. De Engelenburg was namelijk geen onopvallende boerderij. In het huis verbleven Duitse militairen van de Wehrmacht. Toch was het juist daardoor mogelijk om geallieerde vluchtelingen hier tijdelijk verborgen te houden. De aanwezigheid van Duitsers maakte de locatie tegelijkertijd gevaarlijk én minder verdacht.
Percival verbleef ongeveer vijf dagen in De Engelenburg. Andere verklaringen noemen ongeveer acht dagen. Vanuit Beijnen werd hij vervolgens verder gebracht naar boerderij De Oven, waar de familie Wammes onderdak bood aan onderduikers en geallieerde militairen.
De Oven
De Oven was een belangrijke schakel in de Beusichemse ontsnappingsroute. De familie Wammes was betrokken bij het opvangen van mensen die uit het door de Duitsers bezette gebied probeerden te ontkomen. De boerderij vormde daarmee een van de vele tijdelijke schuilplaatsen op de route richting de Waal.
In deze periode kwam Percival in contact met een andere geallieerde militair: korporaal Frederick John Pimperton van de 133 Parachute Field Ambulance, Royal Army Medical Corps. Pimperton was als medisch militair verbonden geweest aan de luchtlandingstroepen die tijdens de Slag om Arnhem waren ingezet. Ook hij was achter de Duitse linies terechtgekomen en probeerde het bevrijde gebied te bereiken.
De ontmoeting van beide militairen is later ook in Pimpertons eigen herinneringen vastgelegd. Hij beschreef hoe hij tijdens zijn omzwervingen een Flight Lieutenant Percival ontmoette in een Nederlandse schuilplaats. Daarmee vormt zijn verklaring een belangrijke onafhankelijke bevestiging van Percivals aanwezigheid op de ontsnappingsroute.
Naar de Waal
De laatste etappe werd verzorgd door Nederlandse verzetsmensen. Onder hen bevond zich Gijsbertus (Eef) Grisel uit Tiel, die betrokken was bij de hulp aan geallieerd personeel. In de naoorlogse verklaringen wordt beschreven hoe hij en andere helpers geallieerde militairen verder naar het inmiddels bevrijde gebied begeleidden.
De precieze datum waarop Percival en Pimperton de laatste etappe aflegden, is niet helemaal zeker. In de verschillende verklaringen worden 9 en 13 oktober 1944 genoemd. Ook de exacte route van de laatste oversteek is niet in alle bronnen hetzelfde beschreven. Wel staat vast dat de twee militairen uiteindelijk door de Nederlandse verzetsorganisatie verder werden geholpen en veilig het geallieerde gebied bereikten.
Een naoorlogse verklaring van A.C. Beynen vermeldt hierover dat de door hem geholpen militairen uiteindelijk “goed door de vijandelijke linies” kwamen en het geallieerde gebied bereikten.
Voor Percival betekende dit het einde van een gevaarlijke tocht die was begonnen met een noodlanding in de omgeving van Asch. Vanaf dat moment kon hij terugkeren naar de geallieerde linies.
Een keten van moed
Het verhaal van Gerald Percival laat goed zien hoe een ontsnappingsroute in de praktijk functioneerde. Er was geen enkele persoon die de hele tocht voor zijn rekening nam. Integendeel: de piloot werd telkens van de ene veilige plaats naar de andere gebracht.
Van Asch naar Zoelmond, vervolgens naar Beusichem, via De Engelenburg naar De Oven en uiteindelijk verder richting het bevrijde gebied. Boeren, marechaussees en verzetsmensen vormden samen een keten waarin iedereen slechts een deel van het risico droeg.
Voor Percival was iedere schakel van die keten van levensbelang. Voor de Nederlanders die hem hielpen, betekende iedere ontmoeting met een geallieerde militair echter het risico op arrestatie, verhoor of erger.
Ruim anderhalf jaar later konden hun verklaringen worden vastgelegd. Daardoor is tegenwoordig nog enigszins te reconstrueren welke weg de Britse piloot na zijn noodlanding heeft afgelegd.
Het verhaal van Percival is daarmee niet alleen het verhaal van een RAF-piloot die een neergeschoten vliegtuig overleefde. Het is vooral het verhaal van een lokale ontsnappingsroute en de mensen die, vaak onder grote risico's, ervoor zorgden dat een geallieerde vlieger uiteindelijk weer veilig aan de andere kant van de frontlijn kwam.
Een succesvolle RAF-carrière
Een succesvolle RAF-carrière
Percival keerde na zijn ontsnapping terug naar Groot-Brittannië en zette zijn loopbaan bij de RAF voort. Op 27 februari 1945 werd hij officieel bevorderd tot Flight Lieutenant en werd hij onderscheiden met de Distinguished Flying Cross (DFC). De London Gazette vermeldt hem als Flight Lieutenant Gerald Albert Percival (127871), RAFVR, No. 2 Squadron.
Over zijn leven vóór de oorlog is inmiddels eveneens meer bekend geworden. Een genealogische bron vermeldt een Gerald A. Percival, geboren op 8 juni 1918, als zoon van Herbert Charles Percival (*1886) en Florence May Tabner (*1892) en ze kregen de volgende kinderen:
- Dorothy May Percival (*1911)
- Harold Charles Percival (*1915)
- Gerald Albert Percival (*1918)
- Aldwyn Percival (*1927)
- Bernard Percival (*1930)
De familie had wortels in Essex, onder meer in Great Tey en de omgeving van Wakes Colne bij Colchester. Geralds moederlijke familie was verbonden met een café/inn in Wakes Colne.
Vóór zijn RAF-loopbaan woonde Gerald in 1939 op Lane Farm aan Lane Road in Wakes Colne, Essex. Hij was toen 21 jaar oud en ongehuwd. In het Britse bevolkingsregister van 29 september 1939 staat hij geregistreerd als “General Farm Worker”, waarbij hij zijn vader hielp op de boerderij. Zijn vader, Herbert C. Percival, wordt in hetzelfde huishouden vermeld als “Farmer”. Lane Farm bestaat nog altijd en ligt aan Lane Road in Wakes Colne, ten westen van Colchester. Het historische boerderijcomplex gaat gedeeltelijk terug tot de late middeleeuwen. Het huidige bedrijf dat verbonden is met Wakes Colne heet: H C Percival (Farms) Ltd.
Vóór zijn RAF-loopbaan woonde Gerald in 1939 op Lane Farm aan Lane Road in Wakes Colne, Essex. Hij was toen 21 jaar oud en ongehuwd. In het Britse bevolkingsregister van 29 september 1939 staat hij geregistreerd als “General Farm Worker”, waarbij hij zijn vader hielp op de boerderij. Zijn vader, Herbert C. Percival, wordt in hetzelfde huishouden vermeld als “Farmer”. Lane Farm bestaat nog altijd en ligt aan Lane Road in Wakes Colne, ten westen van Colchester. Het historische boerderijcomplex gaat gedeeltelijk terug tot de late middeleeuwen. Het huidige bedrijf dat verbonden is met Wakes Colne heet: H C Percival (Farms) Ltd.