Terugblik op mobilisatie - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Terugblik op mobilisatie

Gemeente Culemborg > Gesn. NL-militairen in Culemborg
Uit: de Culemborgsche Courant van 8 juni 1940:[image:image-0]
Het militaire hoekje
TEN AFSCHEID.
Een slotwoord en nog wat.
Na negen maanden: weer voorgoed thuis!

(Van een gemobiliseerden medewerker)

THUIS, 29 Mei 1940. — Na twintig dagen niets meer gehoord te hebben van Uw mobilisatie-briefschrijver, volgt dan hier weder een brief en tevens de laatste. De mobilisatie is voor ons geëindigd en juist precies negen maanden nadat ondergeteekende bij het station zijner inwoning afscheid nam van vrouw en kroost, is hij weer gezond en wel, geheel ongedeerd, teruggekomen: afgezwaaid, met groot verlof.
Het was mij niet mogelijk eerder aan de redactie van dit blad te schrijven; er waren omstandigheden, die zelfs beletten mijn familieleden over mijn welzijn in te lichten. Na eenige dagen van spanning arriveerde ik gelukkig weer in ons land terug en het eerste wat ik gedaan heb, is een brief schrijven aan mijn vrouw, dat ik in goeden welstand verkeerde.
Over hetgeen achter ons, soldaten, ligt, zwijg ik liever. In de bladen in ons land zijn artikelen geplaatst, waarin werd aanbevolen, om alles, wat achter ons ligt, te vergeten en den blik naar de toekomst te slaan. Ik wil mij hierbij aansluiten en over de oorlogsdagen niet in details treden.
Toch zou mijn brief wellicht nog enkele hiaten vertoonen, indien ik nog niet een enkel woord wijdde aan mijn kameraden, waarmede ik al dien tijd ben samen geweest en waarmede wij als het ware één groot gezin vormden. Van enkele hunner heb ik in de brieven het een en ander geschreven; om eventuele gevolgtrekkingen te vermijden, waren alle genoemde namen gefingeerd; dit was ik aan mijn medewapenbroeders verplicht. De lezers, die werkelijk getrouw mijn epistels hebben gespeurd, zullen dit intusschen wel begrepen hebben.
En ook in dezen laatsten brief zal ik hun pseudoniem, zooals dat door mij is uitgedacht, bezigen. De meesten mijner kameraden zijn, evenals ik, weer naar hun gezinnen teruggekeerd.

Velen der vaste lezers mijner brieven herinneren zich ongetwijfeld nog wel den Groninger, die van ons den bijnaam „Lien Ain” (Lijn één) heeft verworven. Enkele maanden voor den oorlog werd hij naar „ergens anders in Nederland” overgeplaatst, doch reeds op Vrijdagmorgen den 10den Mei was hij weer bij ons wapenonderdeel teruggekeerd. Onze Groninger vertoeft intusschen weer in blakenden welstand in de Ommelanden; hij is geheel ongedeerd gebleven.
En wie der lezers herinnert zich nog boer Tinus, bij wien wij geruimen tijd zijn ingekwartierd (zie brief van 22 November 1939)? Ik heb hem opgezocht, nadat ik in mijn kantonnement was teruggekeerd. Zijn woning is onbeschadigd gebleven en Tinus, zoowel als zijn vrouw en knechts zijn eveneens ongedeerd. Wij hebben nog geruimen tijd genoeglijk bij elkander gezeten en gesproken over de dagen, die achter ons liggen.

Een populaire figuur in mijn brieven was de kleine Hilversummer, Ko. Hij was steeds een excentriek, doch sympathiek kameraad en verschafte mij meermalen, wat je noemt: copie. Ko heeft zich — het moet hem ter eere gezegd worden — dapper geweerd. Ik buitengewoon thans niet in details treden; doch het zegt genoeg, wanneer ik concludeer, dat hij zeker verreweg de dapperste en onverschrokkenste soldaat bij onze compagnie is geweest. Enkele onzer kameraden hebben hem leven aan danken. Ik leende Hilversummer te danken. Ko heeft daarvoor den modernen „betalen”: op den Tweeden Pinksterdag, des avonds laat, werd hij door een granaatscherf aan den arm gewond en buiten gevecht gesteld. Deze verwonding is gelukkig niet ernstig gebleken. Op het moment wordt hij nog verpleegd, doch het laat zich aanzien, dat hij binnen enkele dagen geheel hersteld, ook weer thuis zal zijn. Als herinnering aan dezen oorlog zal hij een litteeken van de pols tot den schouder aan zijn linkerarm door het leven meedragen.
Wachtmeester Kies, die als korporaal in dienst is gekomen, ziet er eveneens nog even welgedaan als ooit uit. Hij houdt de wapens voorloopig nog aan inspectie, wordt hij gepromoveerd, indien deze mogelijkheid nog bestaat. Voorloopig althans kan men hem nog gebruiken.
Over „Kippie” (zie o.a. mijn brief van 21 Febr. van dit jaar) hebben wij nog niets gehoord. In verband met zijn muzikale en tooneelkwaliteiten werd hij eveneens overgeplaatst. Sindsdien hebben wij niets meer van den olijken Limburger gehoord. Toen de oorlog uitbrak zat hij in Wageningen.
Willem, onze kok, die den bijnam van Sherlock Holmes heeft verworven (zie hiervoor mijn brief van 3 April j.l.), heeft ons gedurende de oorlogsdagen trouw van ons natje en droogje voorzien. Onverstoorbaar kookte hij ons potje, soms rijdende voort. En even onverstoorbaar is hij gelijkt met mij en enkelen anderen met groot verlof gegaan. Thans werkt hij alweer in de mijnen ergens in Limburg. De perspectieven voor hem zijn intusschen nog niet erg gunstig.

En tenslotte mag ik thans wel verklappen, wat in de maanden van de mobilisatie verboden was. Waár was toch dat „ergens in Nederland”, waar wij negen maanden bijna hebben vertoefd? In den loop der maanden heb ik van verschillende wat te nieuwsgierige lezers brieven ontvangen, waarin velen de naïeve vraag deden: waar liggen jullie toch? Op mijn geheimhoudingskunst keken enkelen onder briefschrijvers en -schrijfsters niet zonder bewondering! Ik heb getracht op mijn geweten te werken en besloten meestal hun brief met: ik kan zwijgen als het graf. En aangezien ondergeteekende gelukkig deze kunst ook verstond, is er nooit iemand van de lezers en lezeressen geweest, die heeft kunnen uitvisschen waar dat „ergens in Nederland” toch eigenlijk was.

Niets verhindert het mij, dit thans te zeggen: Ons home, dat wij gedurende bijna negen maanden hebben bewoond, was gelegen in het schilderachtige landelij ke dorpje Leersbroek en ons barakkenkamp lag ongeveer 6 kilometer van het station Leerdam af. Den bewoners van dit aardige plaatsje breng ik van deze plaats tevens hartelijken dank voor hun gastvrijheid, die zij steeds tegenover ons hebben betoond. Zij hebben zich veel last getroost moeten getroosten: zij hebben al eten met bewonderenswaardige aanpassingen op zich genomen. Zij hebben zich in die maanden echte Vaderlanders getoond.
En hiermede zou ik Willem eindelijk. Vier en dertig mobilisatiebrieven zijn sedert den 29sten Augustus van het vorige jaar uit mijn vulpen gevloeid. Ik viel mij niet met de gedachte, dat al deze brieven even interessant zijn geweest; integendeel. Ik weet zeer goed, dat er wel eens epistels bij zijn geweest, die minder vlot waren, doch ik heb steeds getracht den lezer van dit blad zooveel mogelijk van het soldatenleven in al zijn ups en downs weer te geven. Ik hoop, dat ik daarin althans geslaagd ben. En zoo ik enkele genoegelijke kwartiertjes in iemands leven heb verschaft, dan is mijn moeite reeds ruimschoots beloond.
Voor ons, soldaten en burgers is de oorlog ten einde.Mijn uniform hangt thans weer in de kast, evenals dat van zoveele mijner wapenbroeders. Laat ons hopen dat het nooit weder uit de kast vandaan zalbe hoeven komen. Dan hebben wij het niet voor niets negen maanden gedragen.

Frank van Falkenoort
3-III-13 Reg. Art.


Terug naar de inhoud