Gesn. Duitse militairen - Oorlogsslachtoffers West-Betuwe

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Gesn. Duitse militairen

Gemeente Culemborg
Acht overleden Duitse militairen te Culemborg of omgeving en tijdelijk hier begraven:

Het zal mogelijk mensen kwetsen de namen te lezen van overleden Duitse militairen op Culemborgs grondgebied. De webmaster heeft echter gemeend dat in dit historisch overzicht hun namen niet mogen ontbreken.
Tientallen jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog moet het toch mogelijk zijn, althans laat ik het proberen, om tot verzoening te komen met het verleden. In deze kwestie houd ik echter terdege rekening met de gevoelens en standpunten van familieleden van omgekomen Culemborgers.

  • Josef Hempelmann, Stabsfeldwebel, 1/Grewa 36. Geboren 07-08-1904 te Antfeld (Sauerland) en overleden op 11-05-1940 te Culemborg.
Josef behoorde oorspronkelijk tot de 1e Grenzwacht Kompanie van Grenzwachtabschnitt 36, later bij het Btl.zbV 800. Hij werd gewond bij Kuilenburg, zuid-zuidwest van Angeren. bij een schermutseling nabij Kazemat 50 van de Groep Betuwe. (Zie schets/kaart nr.1 , behorend bij het Stafwerk ‘De verdediging van de Over-Betuwe van de Strategische Beveiliging’, waar Kuilemburg is ingetekend. De genoemde schermutseling wordt in het Stafwerk vermeld op pag.94.)
Waarschijnlijk is de gewonde Hempelmann met een Feldlazarett meegevoerd. Een hulpverlener uit het Barbaraziekenhuis te Culemborg herinnerde zich dat er een dode Duitser werd binnengebracht, die waarschijnlijk "ondersteboven terecht was gekomen, want zijn hoofd was in zijn borstkas gedrukt." Daar dit in de meidagen van 1940 het enige Duitse slachtoffer in Culemborg is geweest, moet dit wel Josef Hempelmann zijn geweest. Hij is op 11 mei 1940 aan zijn verwondingen overleden en vervolgens begraven op de R.K.-begraafplaats aan de Achterweg. 
Zijn stoffelijk overschot is op 12 november 1941 opgegraven op last van een Duits militair en door begrafenisondernemer M. Rombout uit Ridderkerk naar de militaire begraafplaats op de Grebbeberg overgebracht. Het op het graf staand kruis werd medegenomen. Na de oorlog is hij wederom herbegraven te Ysselsteyn.
 
In zijn geboortedorp Antfeld wordt hij in een speciale kapel herinnerd op een plaquette ter nagedachtenis van de gesneuvelden uit de Tweede Wereldoorlog.

Lek massagraf in kerstnacht 1944

In die gedenkwaardige kerstnacht waaide het niet alleen, maar het was die nacht zo koud dat iedere ademtocht een dikke streep mist trok. Vier Duitse militairen bevonden zich in een trekker, met een stuk luchtafweergeschut in een sleep. Hun onderdeel was op weg van Utrecht in de richting van Vught i.v.m. de Duitse poging om via de Bommelerwaard en hetLand van Altena in de richting van Antwerpen door te stoten. De Culemborgse spoorbrug was niet erg betrouwbaar, maar de gierpont bood uitkomst.

Nachtelijk troepentransport
Het Ardennenoffensief in de late herfst van 1944 was weliswaar nog altijd niet in het nadeel van de aanvallende Duitsers omgeslagen, maar de Geallieerden zaten al diep in Zuid-Nederland. Daarom moesten zoveel mogelijk Duitse troepen hier naartoe worden gebracht. Niet langs Nijmegen of Venlo, maar over Culemborg, waar in elk geval nog een pont lag voor het geval de gehavende spoorbrug het zou begeven.
Een Duitse officier had tot taak om in die kerstnacht van 1944 een kleine divisie manschappen van de Utrechtse kant van de Lek naar de Culemborgse over te brengen. Het krioelde om middernacht letterlijk van de soldaten. Voor Culemborgse informaten was het wel duidelijk: dit was het bewijs er bijzondere dingen stonden te gebeuren. Er moest diep in het zuiden wel een erg dringende behoefte aan militairen en materieel zijn dat de Duitsers deze nacht hadden uitgekozen voor een troepenverplaatsing van deze omvang.
Elke nacht moest er een Duitse schildwacht wachtlopen aan de boorden van de Lek, aan het oude veer van Culemborg. Niemand mocht ongehinderd met de gierpont de Lek overvaren. Niemand? Nou ja, uitgezonderd het vaste pontpersoneel, dat niet gemist kon worden, zolang de Duitsers niet zélf hadden uitgevonden hoe zij de pont zonder dodelijke ongelukken van de Culemborgse naar de Utrechtse kant konden ‘gieren’.
De voorschriften die de Duitsers bij het passeren van de Lek hadden op te volgen, waren nauwgezet. Er was een grens voor de maximale tonnage en de ervaren pontbaas Mason kon zelfstandig beslissen wat wel en niet toelaatbaar was. Als het pontpersoneel de hand op stak, omdat een extra wagen de maximum van het toelaatbare gewicht zou overschrijden, dan namen de meeste Duitsers dat serieus. In uitzonderlijke gevallen moest de schildwacht als lid van de ‘übersetzstab’ wel eens bemiddelen.
Zoals gebruikelijk bepaalde deze nacht de dienstdoende veerman bij iedere overtocht het aantal voertuigen en manschappen. Die maatregel werd, hoe verward de situatie ook mag zijn geweest, tamelijk goed opgevolgd. Totdat de dienstdoende Duitse commandant echter genoeg begon te krijgen van het langzame laden, het trage overvaren en het gekruip en gekrioel bij het ontladen. “Die pont duurt me veel te lang,” verkondigde hij boos aan zijn stafofficieren. “We nemen de spoorbrug!”
Zo gezegd, zo gedaan, maar het eerste transport over de spoorbrug werd echter meteen aangereden door een toevallig passerende trein. De ravage was enorm en de troepencommandant koos eieren voor zijn geld en besliste om toch maar weer ‘de weg over het water’ te nemen.

Reep
De spanning was het pontpersoneel deze nacht van het gezicht te lezen. Zo’n heksenketel bij zoveel kou, zó hoog water en in zo'n stikdonkere nacht had men nog nooit meegemaakt.
Uiterste oplettendheid was geboden. De gierpont was verbonden aan een kabel (de zgn. reep) die de constante verbinding vormde tussen de pont en de wal. Als de pont 'van de reep' zou slaan, dan raakte de pont op drift en was het leed niet te overzien. Dan was het lot van de mensen, die noodgedwongen hun werk moesten blijven doen, voor altijd bezegeld, want dan hielden de Duitsers hen voor saboteurs, met alle gevolgen van dien.
Het snelstromende water deed het ergste vrezen voor de gierpont. Maar wat de mannen de hele nacht verwacht hadden gebeurde niet. De reep hield volledig stand, tegen alle ervaring en beter weten in. De reep wel, maar de kabel waarmee de pont aan de Utrechtse kant was vastgelegd niet…..Die kabel werd ook in die tijd al nauwkeurig geïnspecteerd en zij zou het zonder twijfel gehouden hebben, als niet de commanderende officier, tegen beter weten in, tot het besluit was gekomen, dat hij en hij alléén het voor het zeggen had, te land én te water.

Lak aan regels
De Duitse schildwacht aan de Culemborgse kant werd nergens bij betrokken. Het zou waarschijnlijk ook weinig effect hebben gehad om zijn bemiddeling te vragen, want in het Duitse leger zo goed als in andere vaak ook niet-militaire organisaties telt men legio bazen-boven-bazen. Bovendien had de officier duidelijk geen uitstel duldende orders.
Het advies van het pontpersoneel, om het vaartuig toch vooral niet te overladen, werd woedend weggeveegd. Die ene loodzware twintigtonner moest compleet met aanhanger ook nog mee. Protesteren hielp niets. Die vrachtwagen kon niet nog eens één pont wachten of een afzonderlijke overtocht maken. Het pontpersoneel was de radeloosheid nabij en voelde dat er een ramp stond te gebeuren. Maar zij hadden geen idee van haar omvang, omdat zij niets anders zagen dan een trekker met kanon en één legertruck die aan alle kanten was dichtgebonden met zeildoek.
Vlak voor het logge gevaarte de neus op de pont richtte, had de pontbemanning nog haastig de kabel waarmee de pont aan de wal vastzat, vastgesjord. De mannen stonden bij de lier toen de ramp zich voltrok. De onvoorstelbaar grote vracht, die met de voorwielen de pont diep in het water deed duiken, bleek de spankracht van de kabel vele malen te overtreffen. Met een oorverdovende knal barstte het ding in twee stukken uitelkaar. Meteen gleed de pont van de oever bliksemsnel het onstuimige Lekwater in. De grote, moeilijk manoeuvreerbare legertruck stond er nog niet eens half op en gleed plotseling achteruit van de pont af, zó de donkere, diepe rivier in. Een klein ogenblik was er niets anders dan het gieren van de wind. Toen barstte een onmenselijk gegil en geschreeuw los uit het inwendige van de twee wagens. De pontbemanning greep meteen in. Zij sprong in de altijd naast de pont meevarende roeiboot en greep links en rechts in het merg en been doordringende ijskoude rivierwater naar overal ronddrijvende soldatenuniformen.
Bron: De Culemborgse Courant van 24 december 1959

Tieners
De zware bepakking en de kou kostte veel Duitse militairen het leven. Maar de moedige pontbemanning slaagden er, met uiterste krachtsinspanning, toch nog in drie soldaten uit het water in hun roeiboot te krijgen. Vier jonge, overwegend tienersoldaten, die achter in de trekker en truck lagen te slapen, verdronken echter. Maar hun namen worden niet vergeten:


Foto's van grafkruisen: www.findagrave.com
  • Wilhelm van Hülsen, Funker, Fl. Ers. batl. II-1874. Behoorde bij de Staf van I Fallsch. Jg. Rgt. 18 N.Zug. Geboren op 15-04-1927 te Hamborn (stadsdeel van Duisburg) in de Hagedornstraße. Zijn ouders waren Wilhelm, Wiet van Hülsen en Maria Zimmermann en trouwden in 1922. Wilhelm overleed op 24 december 1944 te Culemborg.

  • Johann Scheuerlein, Gefreiter, 13 Fallsch. Jg. Regt.18 217416/121. Geboren op 18-05-1925 te Wassermungenau (Rother Landkreis), nabij Neurenberg, en overleden op 24 december 1944 te Culemborg. Hij bezat o.a. een portemonnee met Frans geld.

  • Engelbert Wachtberger, Ober.Gefreiter, 13 Fallsch. Jg. Regt.18 -53424/99. Geboren op 19-09-1922 te Eppenberg (Eifel) en overleden op 24 december 1944 te Culemborg.

  • Otto Ruschizka, Soldaat, 1e Flak Batterie, z.b.V. 6526. Geboren op 07-07-1927 te Ybbs an der Donau (Oostenrijk). Zijn moeder was Rosina Ruschizka (1901-1993) en hij had nog twee broers Friedrich (1919-2002) en Karl (*1922) Otto overleed op 24 december 1944 te Culemborg. Zijn stoffelijk overschot werd pas op 25 april 1945 nabij de spoorbrug geborgen. Hierop werden nog een horloge, soldatenboekje en verschillende foto's aangetroffen.
    (Bron foto: Gabriele Hofer-Ruschizka)

Otto wordt nog herdacht op een zgn. gedenktafel in zijn geboortestad. Alleen staat zijn achternaam verkeerd vermeld...

Verder kwamen de volgende drie Duitse militairen om het leven:

  • Horst Schulz, Matrose Gefreiter, einheit 3/Schtz.div.112. Geboren op 16-07-1926 in Beetzendorf (deelgemeente: Hohentramm -Siedengrieben) en overleden op 27-04-1945 te Culemborg. Zijn lichaam is op 4 mei 1945 overgeplaatst naar het Heldenfriedhof te Zaltbommel, Grafnummer 69. 
     
Horst heeft in 2013 nog een zwaar zieke broer en zijn zus is reeds in 1994 overleden.
Horst zat bij de Kriegsmarine. Hij is naar zeggen net buiten het toenmalige zwembad aan de Lek, nabij de spoorbrug, verdronken. Volgens zijn schoonzus was Horst een hele goede zwemmer. Wat er precies met hem is gebeurd, is onbekend. 
Hij moet buiten de kribben zijn gaan zwemmen, want binnen de kribben is het water vaak te ondiep. De winter 1944-45 was bijzonder koud en lang. Het water was eind april nog niet voldoende opgewarmd om te zwemmen en kon je dus snel onderkoeld raken en met de daar aanwezige verraderlijke stromingen, ben je ook niet zo snel aan de kant. Er is ook een mogelijkheid dat hij in draaikolk o.i.d. terecht is gekomen. Alle collega's van Horst hebben de oorlog niet overleefd en daarom zal de oorzaak van zijn verdrinking moeilijk te achterhalen zijn.
Zijn familie kwam er pas in de jaren zeventig achter dat Horst in Ysselsteyn lag begraven.
Op een memoriebord in de kerk in Siedengrieben staat zijn naam vermeld:
   
 Huidige situatie. Totaalaanzicht.    

 Huidige situatie. Joop van Beuzekom wijst de plek des onheils aan.

  • Willibald Hupfer, Gefreiter, Stamm. Kp. I.E.B.337-100. Geboren op 04-01-1924 te Silberbach (in het toenmalige Sudeten-Duitsland, heet tegenwoordig Stříbrná in Tsjechië) en overleden op 01-05-1945 te Culemborg.
 
 Het is (nog) niet bekend waardoor Willibald om het leven is gekomen.











 
  • Gustav Reineke, Leutnant,  Inf. Pz.Jäg.Ers. Komp 6. Geboren op 08-02-1925 te Luhe (Gemeente Lemgo, in Beieren) en overleden op 02-05-1945 te Culemborg.
 Zijn volledige naam luidt Gustav Friedrich Robert Reineke. Zijn vader Gustav Ludwig Reineke was al in 1936 overleden. Zijn moeder Frieda Reineke-Kreinemeier (* Kreinberg 14-10-1896) bleef toen met Gustav en zijn jongere broer Günter (*Lemgo 25-02-1929) achter. Ze woonden destijds op Lüerdisse-Luhe 4 (tegenwoordig heet het Rintelstrasse 309) in Luhe.  Het woonhuis is al 300 jaar in familiebezit. 
In 1942 werd Gustav als scholier van een middelbare school opgeroepen voor militaire dienst.
Het is (nog) niet bekend waardoor Gustav om het leven is gekomen.

Foto's grafkruisen: www.findagrave.com

 
Zoeken op deze website
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu