Dhr. A.B. van Rijswijk - Oorlogsslachtoffers West-Betuwe

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Dhr. A.B. van Rijswijk

Gemeente Culemborg > Burgerslachtoffers:
Achternaam: Rijswijk
Tussenvoegsels: van
Voornamen: Albertus Barbara
Voorletters: A.B.
Beroep: Opperman
Geboorteplaats: Culemborg
Geboortedatum: 04-12-1905
Overlijdensplaats: Eems a/b ms. Joanna
Overlijdensdatum: 09-05-1945
Begraafplaats: R.K.-Begraafplaats te Culemborg: Graf geruimd
Gemeente: Culemborg
Provincie: Gelderland


Albert, vierde van links met ketting, met zijn familie voor het huis aan de Prijsseweg

Albert van Rijswijk was getrouwd met Neeltje Smits, woonden aan de Prijssestraat 9B en hadden samen een dochtertje Rietje. 
Albert was opperman bij aannemer Van Hussen in Culemborg.
Hier zie hem aan het werk bij reparatie aan de Binnenpoort.

Doordat Albert zich  onttrokken had aan de zogenaamde Arbeidseinsatz, verbleef hij sinds de zomer van 1943 in kamp Amersfoort. Zijn vrouw en kind konden de huur niet meer opbrengen en trokken in bij de moeder van Neeltje in de 2e Triostraat. In 1943 en 1944 had de Arbeidseinsatz een grimmig karakter gekregen doordat veel Nederlandse arbeiders gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken. Wie dat niet wilde, had kans op gevangenneming en liep kans op dwangarbeid. Vanaf mei 1943 had kamp Amersfoort de status gekregen van strafkamp voor Nederlanders die zich hadden onttrokken aan de Arbeitseinsatz. Na hun arrestatie verbleven ze zes weken in dit kamp voor ze ingezet werden in Duitsland als dwangarbeiders. Vanaf begin 1944 werd deze straf verlengd met drie tot zes maanden werkopvoedingskamp in Duitsland. Vanaf midden 1944 werden ook op de Duitse Waddeneilanden van dit soort kampen ingericht. 
Tussen de Noordzee en Wilhelmshaven ligt de rivier de Jade. Aan de monding hiervan ligt het Waddeneiland Wangerooge.
 
Al voor de aanvang van de 1e WO werden bunkers en een kustbatterij gebouwd ter voorkoming van een aanval op de belangrijke havenstad Wilhelmshaven. Ook in de 2e WO gebeurde dit weer. Er waren veel marinemensen en medewerkers van Organisatie Todt op het eiland. In 1943 en zeker na de invasie in juni 1944 van de geallieerden in Normandië, kregen verdedigingsmaatregelen op Wangerooge voorrang. Er kwamen veel militairen en groepen dwangarbeiders naar het eiland. Deze laatsten kwamen vnl. uit Nederland, Frankrijk, Polen en Rusland, maar er zaten ook enkele Belgen en Marokkanen bij.
De Polen en Russen waren krijgsgevangenen die zich voor dit werk “vrijwillig” hadden aangemeld, maar werden als derderangs personen behandeld. De Franse krijgsgevangenen werden beter behandeld en hadden onbeperkte bewegingsvrijheid op het eiland.
Er werkten in het begin van 1943 350 niet-Duitsers op het eiland, waarvan zo’n 90 Nederlanders uit Oost-Groningen kwamen Zij waren volgens de Arbeitseinsatz op dit eiland werkzaam en ingezet bij de bouw van bunkers en gevechtsstellingen. Zij bewoonden schamele barakken nabij het vliegveld, waar het wemelde van luis en wandluis. Zij mochten zich echter wel buiten het kamp begeven.
Ook was er een groep van zes Groningers die bij een razzia in de provinciehoofdstad waren opgepakt.
Vanaf mei 1943 had kamp Amersfoort de status gekregen van strafkamp voor Nederlanders die zich hadden ontrokken aan de zgn. Arbeitseinsatz. Ze moesten na hun arrestatie zes weken in dit kamp verblijven voor ze opnieuw werden ingezet in Duitsland. Vanaf begin 1944 werd deze straf verlengd met 3 tot 6 maanden werkopvoedingskamp in Duitsland. Op de Duitse Waddeneilanden waren deze kampen nog niet aanwezig.
Vanaf 7 juni 1944 vertrok vanuit Amersfoort het eerste transport van 216 mannen naar het Waddeneiland Nordeney. Zij zouden daar vier maanden moeten verblijven, voordat ze weer in de Arbeitseinsatz werden ingezet.
Op 15 juni 1944 vertrok het tweede transport van 315 man uit Amersfoort en nu per trein, via Wilhelmshaven, naar het andere Duitse Waddeneiland Wangerooge. Zij werden tijdens de reis per vijf man aan elkaar geketend.
Deze dwangarbeiders hadden de status van gevangenen, maar kregen wel een vergoeding van 0,50 Reichsmark per dag. De werkdagen waren gewoonlijk 10 uur. Het werk bestond voornamelijk uit zwaar grondwerk. Er werden met de schep grote gaten in de grond gemaakt van zo’n 60x100 meter. Dan kwam het ijzerwerk en werd er beton gestort. Anderen arbeiders hielden zich weer bezig met grind of cement. Dat laatste zorgde, zeker bij wind, voor veel ontstoken ogen bij de arbeiders. De bouwmaterialen werden per spoor vanuit de haven aangevoerd.
Ze hadden recht op geneeskundige verzorging. Dagelijks kregen zij een keer warm eten (meestal koolmaaltijden)en tweemaal per week brood, boter, jam, leverworst en smeerkaas.
Bij goed gedrag kregen ze eenmaal per week zeven sigaretten.
De kleding bestond uit grijze pakken van grof katoen. Sokken waren er niet, in plaats daarvan kreeg men voetlappen. Het schoeisel bestond uit zgn. Zweedse klompen.
De gevangenen droegen grotendeels nog de kleding die ze bij hun arrestatie in Nederland aan hadden. Door het zware werk in de bouw hingen die uiteindelijk in flarden om hun lichaam. In de zeer koude wintermaanden werd er om een jas soms letterlijk gevochten.
Eens in de zoveel weken werden alle gevangenen naar een fabriek in Bremen getransporteerd, waar ze werden ontluisd en konden douchen.

Albert heeft tijdens zijn eerste maanden op Wangerooge tien briefkaarten en twee brieven naar zijn vrouw en kind gestuurd. Na 12 september 1944 hebben zij echter nooit meer een bericht van hem mogen ontvangen.

Organisation Todt had het toezicht van de werkploegen in handen. Het met prikkeldraad omheinde kamp met de houten barakken werden bewaakt door militairen. Een zgn. Lagerfurher had de organisatie van het kamp in handen. De leiders van de barakken waren Nederlanders. Zij moesten ziekenlijsten en wasdiensten organiseren.
Naarmate de oorlog vorderde, werden de leefomstandigheden voor de dwangarbeiders slechter. Het kwam meermalen voor dat mensen radeloos werden van de honger. Om een dood paard van een voorman werd bijvoorbeeld letterlijk gevochten.  
Op 15 december 1944 liep eigenlijk de 6-maandse periode af, maar de bouwleiding van Organisation Todt (OT) reageerde totaal niet op smeekbeden van diverse gevangenen. De burgeraannemers, die belast waren met de bouw van de militaire stellingen, namen het zelfs voor hun “werknemers” op. Uiteindelijk werden in maart 1945 maar 30 Nederlandse dwangarbeiders overgedragen aan een arbeidsbureau. OT kon de ervaren arbeidskrachten echter niet missen en verzocht de Gestapo om op de rest van de gevangenen een beroep te mogen blijven doen. Het gevolg was dat de Nederlanders niet vrij kwamen.

Linksonder de vliegtuighangar. Rechts daarvan  het barakkenkamp van de Nederlanders.
April 1945 stond Wangerooge hoog op het verlanglijstje van de Geallieerden. Foto’s van hun verkenningsvliegtuigen lieten een groot Duits militair bolwerk zien, die een bedreiging  vormden voor het eerste Canadese leger dat optrok langs de Noord-Duitse kust. Fort Wangerooge moest worden uitgeschakeld. Op 25 april 1945 vertrokken uit Zuid-Engeland  480 Engelse, Canadese en Franse bommenwerpers van het type Lancaster, Halifax en Mosquito voor het allerlaatste luchtbombardement uit de Tweede Wereldoorlog. Zij lieten rond 16.00 uur zo’n 6000 bommen los boven het eiland. De gevolgen waren vreselijk: het dorp lag grotendeels in puin, bunkers hadden voltreffers opgelopen en de gevangenenbarakken waren spoorloos. Het eiland leek op een kraterlandschap.140 militairen en 64 dorpsbewoners lieten het leven. Van de dwangarbeiders kwamen 48 Nederlanders, 36 Belgen, 16 Polen, 16 Fransen en 4 Marokkanen om.
Na het bombardement werd er veel gestolen, zelfs van gesneuvelden. De eilandcommandant liet hiervoor zelfs als voorbeeld een zwakbegaafde Nederlandse dwangarbeider uit Veendam executeren.

De Joanna  (foto van P. Zegelaar, met toestemming van H. Beukema)
Op 7 mei 1945 hoorden de dwangarbeiders dat Duitsland had gecapituleerd. Het gerucht ging dat in de Westanleger (haven) van het eiland de schepen: de Lelie, de Noordster, de tanker Macedonia en het vrachtschip de Joanna lagen, die naar Nederland gingen. Men besloot om niet te wachten op hun ontslag uit het werkkamp en alvast illegaal met een schip richting Nederland te vertrekken.
De Noorster had schade en de Lelie had nog lading aan boord. Daarop schoot de kapitein van de Joanna te hulp. Hij was bereid een groot aantal dwangarbeiders naar huis te brengen. De zeskoppige Duitse bemanning voelde echter niets voor zo’n reis naar Delfzijl en wilde op de Duitse vaste wal afgezet worden. De Duitse kapitein nam voor de zekerheid de Nederlandse naam aan van de kapitein-eigenaar. Zo werd Heinz Baumeister tijdens de reis Piet Visser genoemd. De gekoppelde coasters Lelie en Noordster en de Macedonia vertrokken tegelijk met de Joanna en ook zij had vluchtelingen aan boord. Tijdens een tussenstop op Langeoog werden opvarenden uitgewisseld. Kort daarop liepen tijdens het eb de schepen vast op het wad. De coasters vervolgden hun reis, maar de Joanna kon pas de volgende morgen haar reis voortzetten. De Duitse bemanning van de Joanna werd volgens afspraak afgezet bij Norddeich. De Macedonia  bleef echter vastzitten op het wad. 



 
Plaats van de mijnontploffing aangegeven met kruis (Tekening van B. Holwerda, met toestemming van H. Beukema)
 
De reis ging nu via de Eems bij prachtig weer richting Delfzijl. De Lelie en Noordster gezusterlijk voorop. Op 9 mei 1945 om 13.30 uur zaten de opvarenden van de achterop komende Joanna in het stuurhuis, sommigen in het ruim en weer anderen op de luiken toen plotseling ter hoogte van het gehucht Spijk, het schip op een zeemijn voer. Een tientallen meters hoge waterkolom was het gevolg. Het hele middenschip sprong uit elkaar en de luiken vlogen alle kanten op. De opvarenden die nog leefden klampten zich vast aan wrakhout. Overal klonk hulpgeroep. Dat groepje werd echter steeds kleiner en de ebstroom dreef  de drenkelingen uit elkaar. Sloepen van de coasters en vissloepen bemand door toevallig aanwezige toeschouwers aan de wal, schoten te hulp. Zeven opvarenden werden op deze wijze nog gered. Na honderden meters roeien, bereikten zij uitgeput de kust.
De gewonde overlevenden werden in een zaaltje in Spijk ondergebracht. Een gewonde werd naar het ziekenhuis in Groningen overgebracht. Spoedig hierna werd het zestal tijdelijk in een barak op het haventerrein in Delfzijl ondergebracht. Enkele overlevende werden hier ingezet bij de identificatie van de (aangespoelde) slachtoffers.
De opperwachtmeester-postcommandant Marechaussee te Spijk, stelde aan de hand  van de getuigenissen van deze overlevenden, een lijst van opvarenden van de 'Joanna' samen. Uit deze allereerste lijst blijkt dat er 46 opvarenden aan boord moeten zijn geweest: van de heer Lensing bleek ook een neef aan boord te zijn. Zijn naam is nooit achterhaald.  
De namen van de geredden zijn:
 
1. Jan Meier, Amsterdam
2. Jan Roubos, Zwijndrecht
3. Pieter Alkema, Bussum
4. Johan de Gelder, Rotterdam
5. Ad Schuurbiers, Breda
6. Piet Visscher, Sliedrecht (gezagvoerder)
7. Ernst Dietzel, Rotterdam

 Van de 46 slachtoffers konden de volgende gegevens worden achterhaald:
 
Beers, Janus van fabrieksarbeider, Rucphen
Crienen, Jan G. metaalslijper, Baarlo
Dijkstra, C  Barradeel (Fr.) Staphorst
Donk, Krijn    boerenknecht, Streefkerk
Donker, Cornelis   magazijnbediende, Hilversum
Dörenberg, Peter A.    tuinier, Heerlen
Driedijk, Johannes Pieter  slager, Breda
Farla,Wilhelm    arbeider, Zevenbergen
Galdermans, Josef J.    Sappemeer
Gritter, Henk     Klazinaveen
Gugten, Dirk M. van der   Katwijk
Heugten, Gerard L van    chemicus, Venlo- Blerick
Kemper, Jan   huisschilder, Appingedam
Knol, Dedde  monteur Ulrum 
Knopert, Jan    groetenventer, Zwolle
Lagraauw, Jacobus    boekhouder, Naaldwijk
Lensing, Herman en zijn onbekende neef bewaker bij de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF), Amersfoort Linden
Carolus Emanuel    handlanger bij drukkerij Weert, 
Meijer, Godefridus   huisschilder, Amsterdam
Mous, Lambert, A    losarbeider, Bolsward
Mulder, Toon   fabrieksarbeider, Utrecht 
Peree, Jean  broodbakker, Maastricht
Pijper, Jacobus A. de arbeider, Etten-Leur
Ploeg, Dirk   loswerkman,  's-Gravenhage
Riekwel, Cornelis J.  constructie-bankwerker, Rotterdam 
Rijswijk, Bart van   opperman, Culemborg
Rullmann, Leendert W. kantoorbediende 's-Gravenhage
Sanders, Martinus (Tino)  helper scheepswerf, Dordrecht
Schotanus, Folkert     Franeker
Schotman, Johan kantoorbediende, Rotterdam
Smits, Arie    fruitkwekerknecht en lid van verzet, Hoogvliet 
Teunissen, Henk J.    landarbeider, Arnhem 
Toren, Johan M. van losarbeider, Oudenbosch
van Berlo, Jan   fabrieksarbeider, Deurne
van der Gugten, Dirk M.     Gieten
van der Velden, Mar Schiedam
van Erk, Mart    timmerman, Zundert
Walraven, Cornelis  zandvormer,  Dordrecht
 
Er zijn geen gegevens bekend van de naam in rood.
 
Op de avond van die bewuste 9 mei kwam ook de Macedonia los van het wad en zette koers via Nordeney naar Norddeich. Na de ontscheping gingen de mannen ieder op hun eigen manier huiswaarts.
Enkele dagen na deze zeeramp werd de bereidwillige kapitein Baumeister-Visser van de Joanna door een scheepsbevrachter uit Delfzijl ontmaskerd. Hij werd hierop gearresteerd en naar de gevangenis in Groningen gebracht en vervolgens naar Kamp Westerbork in Drenthe. Van hieruit vluchtte hij na drie maanden naar Duitsland.
De berging van de Joanna liet lang op zich wachten. Pas in 1947 zag een bok van de bergingsmaatschappij Tak uit Rotterdam, kans de delen van het schip te lichten. Buitendijks werden de resten van dit schip op een ondiepe plaats aan de grond gezet en waren daar tot enkele jaren terug bij eb nog steeds te zien. Tijdens het bergen werden nog vijf stoffelijke overschotten van slachtoffers gevonden. Op naburige eilanden spoelden in totaal vijf slachtoffers aan.
 
Bovenstaande informatie is afkomstig van het boek:
Scheepsramp 'Joanna',
Hans Beukema
Delfzijl 
 
De webmaster heeft persoonlijk toestemming van de schrijver dezes, om foto's en informatie uit dit boek op deze website te plaatsen.
 
 
Zoeken op deze website
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu