Oorlogsherinneringen C. Derksen - Oorlogsslachtoffers West-Betuwe

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Oorlogsherinneringen C. Derksen

Gemeente Geldermalsen > Oorlogsjaren Geldermalsen
Oorlogsherinneringen van een kind
- Corry Derksen
 
(informatie die Corry achteraf kreeg en eigen overwegingen heeft ze in cursief lettertype aangegeven)
 
Toen de oorlog begon was ik bijna drie jaar. Ik was geboren op 23 juni 1937 op de Stationsweg C 38, nu 28 in Geldermalsen.
Eigenlijk te jong om er nog herinneringen aan te hebben. Maar kennelijk hebben juist de angstige momenten enkele herinneringen vastgezet in mijn geheugen.
Op 10 mei 1940 was ik niet thuis in Geldermalsen, maar logeerde ik bij tante Jannie en oom Jan Derksen in Slijk-Ewijk. Bij hen was tante Dien in huis die er een kruidenierswinkel had en ook opoe Derksen woonde daar. Het was het geboortehuis van mijn vader. Oom Jan was bakker. Er liep een breed oprijpad langs het huis. Door zware schuifdeuren kwam je vanuit de bakkerij naar buiten.
Daar stonden opoe, een klein oud vrouwtje in zwarte kleren, en ik op 10 mei ‘s morgens naar de lucht te kijken. Er kwamen zwermen vliegtuigen over en opoe herhaalde almaar: “Foei, foei, wat een toestand.” Ik was vooral bang voor het geluid dat die vliegtuigen maakten, een monotoon angstaanjagend gebrom. Later, als ik een film over 10 mei 1940 zag en het geluid van die vliegtuigen weer hoorde, voelde ik opnieuw de angst.
 
Verder herinner ik me dat ik op een zondagmiddag samen met mijn zusje Coby (1939) naar zondagsschool moest. We liepen over de Koppelsedijk naar het dorp. Ik denk dat we vier en zes jaar oud waren. Halverwege de Koppelsedijk begonnen de sirenes te loeien: luchtalarm. Vader had me geleerd dat je dan tegen de dijk aan moest gaan liggen, dan konden ze je in de vliegtuigen niet zien. Op school moesten we dan onder de bank gaan zitten. Ik trok Coby mee naar beneden en samen wachtten we het einde van het alarm af. Direct daarna kwam vader op zijn fiets aanrijden. “Dat heb je goed gedaan, Corry,” zei hij. Ik was blij met het compliment en naar de zondagsschool hoefden we die zondag niet meer.
 
We speelden in die jaren ook bij vriendinnetjes in de buurt, bij Attie en Tonnie Klop bijvoorbeeld. Zij waren van onze leeftijd. Op een dag kregen we bezoek. Wie het was weet ik niet meer, maar wel dat diegene cacao had meegebracht. Dat was heel bijzonder in die tijd. Moeder maakte chocolademelk en ik moest Coby gaan halen bij de familie Klop. In mijn haast om naar de chocolademelk terug te gaan, trok ik de voordeur bij Klop te snel dicht. Coby zat er met haar wijsvinger tussen. Het eerste kooitje was eraf! Of die chocolademelk nog gesmaakt heeft weet ik niet meer. Wel dat een oude politieman die naast de familie Klop woonde het vingertopje de tuin in had gegooid en dat het weer opgezocht moest worden. De dokter heeft het er weer aangenaaid.
 
Bij luchtalarm verbleven we zowel overdag als ’s nachts in de kelder van ons huis. Daar lagen ook dekens om op te slapen en speelgoed voor als het lang duurde. Mijn broer Wim (1930) vond het interessanter om boven uit het zolderraam te gaan kijken wat er gebeurde. Hij werd altijd met angstige kreten teruggeroepen, maar veel hielp dat niet. Ik geloof dat Coby een keer achter hem aan wilde en de keldertrap op liep. Dat mocht natuurlijk niet en iemand trok haar naar beneden. Nu zat er halverwege de trap een horizontaal stenen muurtje. Daar kwam ze tegenaan, met als gevolg een gat in haar hoofd.
 
In onze straat bezat buurman Boterkooper nog een ander huis. Dat was gevorderd door de Duitsers. Coby ging er regelmatig naartoe, want ze kreeg daar suikerklontjes. Door de anderen werd ze daarom plagend ‘moffenmeid’ genoemd.
 
We hadden, zoals heel veel mensen, inkwartiering van een Duitser. Hij sliep op het kleine kamertje van Coby en mij. Wij sliepen bij onze oudste zus Hetty (1928) op de wat grotere kamer. Tijdens de mobilistaie, dat moet in 1939/40 geweest zijn was er een Nederlandse militair bij ons ingekwartierd, Gerrit Raams, met wie ons gezin nog lang na de oorlog contact onderhield. Soms ging hij met verlof naar huis. Toen hij eens terugkwam, had hij een pop voor me meegebracht!
Op een avond of middag waren we op die grotere kamer met Mien, onze dienstbode, Tine van Essen en Hetty. Ineens hoorde ik een radio. Niemand had zoiets nog, die moesten allemaal ingeleverd zijn. Aan de Koppelsedijk woonde de NSB-burgemeester Remmert die er natuurlijk wel een had. Ik zei: “Hoor nou eens hoe hard die burgemeester zijn radio heeft staan!”
Achteraf heb ik gehoord hoezeer de anderen geschrokken waren, want het was de radio van vader die in een kast verstopt was. Maar wij ‘kleintjes’ wisten daar natuurlijk niets van.
Vader zat in het verzet, maar ook daarvan werden wij natuurlijk verre gehouden. Ik speelde rustig met het dochtertje van de NSB-burgemeester.
 
Vader en Moeder gingen iedere middag stipt om één uur ‘vlooien vangen’ op hun slaapkamer. Voor ons was dat vanzelfsprekend, dat deden ze iedere dag. Wisten wij ‘kleintjes’ veel, dat ze dan naar radio Oranje luisterden…. De radio stond verstopt bovenop het ‘plafond’ van de ingebouwde kast.
 
De volgende gebeurtenis heeft bij mij gedurende mijn hele leven diepe sporen achtergelaten. Bij de dodenherdenking op 4 mei moet ik er nog altijd aan denken en  heb ik er nog altijd last van.
Op een dag in september 1944 stond bij ons de tafel gedekt voor het middageten toen er een groep Duitse en Nederlandse mannen ons huis binnen kwam. Mien van Soelen was bij ons en Hetty. De jongste drie kinderen, de baby Leo (1943), Coby (1939) en ik zaten op een rond, bruin, gebreid kussen in de voorkamer. De mannen vroegen waar vader was. Die was niet thuis, zei Hetty. Net voordat ze binnenkwamen was ook moeder weggegaan.
Vader was de achtertuin uitgevlucht en zat op de zolder van een schuurtje van de familie Kolfschoten, twee huizen verderop. Later zat hij ondergedoken in de molen in Enspijk, de Vlinder. Moeder was op de fiets richting Laageinde gevlucht en bij tante Maai van Lith ondergedoken, volgens latere verhalen.
De mannen bekeken de gedekte tafel en telden de borden. Ook voor vader en moeder was gedekt. Ze doorzochten het hele huis, zelfs de wc. Dat vond ik als kind wel heel erg raar. Een Nederlandse politieman zei tegen Hetty: “Als we je vader en moeder niet vinden, dan nemen we die kinderen mee,” en wees naar ons. Waarop Hetty (1928) antwoordde: “Als je iemand mee wilt nemen, neem je mij maar mee, maar die kinderen niet.” Wat een moed voor zo’n jong meisje! Ik heb haar daar mijn hele leven dankbaar voor bewonderd.
Vervolgens liep de groep de tuin in om in ons kolenhok te kijken. Een Duitser kwam terug en zei: “Vooruit, weg met die kinderen! We nemen geen kinderen mee.” Mien laadde Leo in de bruine kinderwagen en nam Coby en mij mee de voordeur uit. We zijn lopend over de Koppelsedijk naar haar ouders gegaan die aan het andere eind van het dorp woonden in een kleine boerderij. Daar sliepen we met al haar broers en zusters, ze waren met twaalf kinderen, op stromatrassen op de vloer van de zolder. We hadden het er goed.
Ik herinner me dat we mee mochten helpen om aardappels te rooien, gewoon met de hand en op je knieën. Een heel nieuwe ervaring. We bleven er een week.
Achteraf  bleek dat het verzet enkele Duitsers had vastgezet op Mariënwaard, maar die waren ontsnapt. Vader hoorde bij  de verdachten, maar was die bewuste morgen getipt dat er een razzia zou worden gehouden. Moeder was aanvankelijk thuisgebleven, maar iemand van de familie Kersbergen kwam melden dat ze ook weg moest. Als ze vader niet zouden vinden, zouden ze haar meenemen. In de loop van die week adviseerde zijn verzetsgroep vader met zijn hele gezin onder te duiken omdat de situatie voor ons  niet veilig was. De Kersbergens hadden familie in Leerbroek, daar zouden we wel terecht kunnen.
 
De weckflessen uit de kelder werden onder de vloer van het huis verstopt. Voor ons huis stond een paard en wagen. Op die kar werd de huisraad geladen en daaroverheen een vloerkleed. Zo vertrokken we richting Leerbroek. Hetty en Alie Kersbergen reden op de fiets (met houten banden?) achter de wagen aan en trokken de kinderwagen met Leo voort.
Op de sluis bij Asperen werden we aangehouden door de Duitsers. Wat was ik bang…….! Maar ze lieten ons toch door.
We kwamen te wonen in een gedeelte van het huis van ome Piet Brakband en zijn huishoudster tante Greta. Het was er gehorig en tante Greta riep iedere avond naar ome Piet: “Leg je lekker, ome Piet?” Dat is later een gevleugeld woord bij ons geworden.
 
Ik was broodmager in die tijd en men was bang dat ik de Hongerwinter niet door zou komen. Een boerenechtpaar zonder kinderen nam mij in huis: tante Wijntje en oom Kees Heikoop. Tante Wijntje maakte zelf kaas. Ik kreeg zoveel kaas op mijn brood dat je het brood niet meer kon zien! Een ongekende luxe in die tijd!! Ook de ouders van een van beiden woonde in dezelfde boerderij. Ik herinner me de bedstee waarin ze sliepen, de kaaskamer en de pronkkamer. Er was ook een gewone kamer met een grote plattebuiskachel en op de deel was de keuken met een indrukwekkende koperen kraan. Op de deel was het altijd lekker warm, want daar stonden de koeien. De knecht sliep in een kamertje boven de deel bij (in?) het hooi.
Tante Wijntje spoelde de melkbussen en de kaasvaten ‘s avonds schoon in de sloot en zette ze daarna op zijn kop op een houten rek.
Ik sliep bij tante Wijntje en oom Kees op de kamer. Tante Wijntje had lang zwart haar in een knotje. Moeder had me gewaarschuwd niet te dicht bij dat haar te komen, want ik had hoofdluis en als dat in dat lange haar van tante Wijntje kwam…….
Ons eigen gezin woonde aan dezelfde straat iets verderop richting het dorp. Ik moest er iedere dag heen om mijn haar door moeder met de luizenkam te laten bewerken om er de neten uit te halen. Vreselijk! Ook heeft moeder eens geprobeerd het probleem op te lossen door mijn haar met petroleum te wassen. Ik kreeg er toen ’s nachts een soort badmuts van rubber overheen, maar ook dat haalde niets uit. Pas na de oorlog behandelde de wijkzuster me met DDT. Wat was ik daar blij mee! Bij de controle op school had ik geen luis meer.
 
In Geldermalsen was de school gevorderd door de Duitsers. Op de dakpannen stond een wit kruis en we hadden geen les meer. In Leerbroek ben ik de hele winter naar school geweest. We moesten, net als in Geldermalsen, iedere week een psalmversje leren en dat op maandagmorgen opzeggen. Op een keer kende ik het versje niet en moest ik in de pauze binnenblijven om het te leren. Dat was een straf die diepe indruk op me maakte.
’s Avonds ging ik met andere kinderen slootje springen achter de boerderij van tante Wijntje en oom Kees. Het zal misschien een soort greppeltje geweest zijn, maar we gebruikten toch wel een polsstok. Leuk avontuur.
 
In die winter is er een Duitse V1 neergestort in het veld bij Leerbroek. Net als andere mannen is vader er ook naartoe gegaan. Toen hij terugkwam was hij nat. Hij was in de sloot gevallen en had zijn bril verloren. Daar werd om gelachen, hoe kon je zo dom zijn…..
 
’s Zondags moesten we met een hoed op naar de kerk. Hetty had er voor mij lovertjes op genaaid. Ds. Wijnmalen hield lange preken zoals een gereformeerde bonds predikant betaamt. De ouderlingen zaten links van de preekstoel en hun vrouwen rechts. Oom Kees was ouderling en de ene keer zat ik bij hem en de andere keer bij tante Wijntje. Ik geloof dat ze het heel mooi vonden om een kind bij zich te hebben.
Op een zondag liep ik naar het huis waar mijn ouders woonden. Het woei nogal en mijn hoedje waaide de sloot in. Grote paniek, want zonder hoed kon ik niet naar de kerk……Hoe het afliep weet ik niet meer.
 
Op 4 mei 1945 vertrokken we weer met paard en wagen richting Geldermalsen. Rond zeven uur kwamen we aan bij ons huis. Mevrouw Kolfschoten rende haar huis uit en riep: “De Duitsers hebben gecapituleerd!” Ons huis was de hele winter bewoond geweest door Duitsers, maar de verboden foto van de oude koningin hing er nog steeds. Ze hadden haar niet herkend, maar wel de hele winter tegen haar foto aangekeken!”
Eenmaal binnengekomen zei vader: “We hangen morgen de vlag uit.” Ik begon van angst te huilen. Ik was heel bang dat er dan iets ergs zou gebeuren, want je mocht van de Duitsers geen vlag uitsteken. Intussen was mevrouw Klop ook binnen gekomen. Ze troostte me en stelde me gerust door te zeggen dat ze thuis iets heel lekkers voor me ging halen. Ze kwam terug met een reep chocola die ze de hele oorlog bewaard had. In de oorlog was er geen chocola te krijgen, ik kreeg dus een enorm cadeau van haar.
 
In de dagen daarna reden geallieerde tanks door Geldermalsen, onze bevrijders! Ze kwamen ook bij ons in de buurt, over de Meidoornweg en de Middelweg. We renden erheen en stonden te juichen. De tanks reden weliswaar de straat en de trottoirs stuk, maar niemand zei daar iets van. De soldaten zaten bovenop de tanks en zwaaiden naar ons.
Op een weiland tegenover juffrouw Pols werden de soldaten in tenten ondergebracht. Wim mocht daar naartoe en vond het machtig interessant, maar Hetty mocht er van vader en moeder niet komen. Dat begreep ik toen niet zo goed.
 
Ik heb moeder ooit eens gevraagd hoe het zat met vaders inkomen in de oorlog. Ze vertelde dat vader, toen hij in het verzet belandde, naar mr. dr. Kolff, de voorzitter van de veiling waar hij werkte, is geweest. Hij heeft met hem de financiële situatie van zijn gezin besproken voor het geval hem iets zou overkomen. Mr. Kolff heeft toen toegezegd daarvoor te zullen zorgen.
Vader zelf zette spoorwegbeambten aan tot staken, zodat de Duitse aan- en afvoerlijnen niet langer functioneerden. De beambten werden door vader uitbetaald. Hij moest daarvoor iedere week clandestien de Lek oversteken (de ene nacht met een bootje heen en de volgende nacht terug) om daar het geld op te halen. Ook in de periode dat we in Leerbroek verbleven.
 
 
Bron foto: Corry Derksen

Toen vader na de oorlog op 42-jarige leeftijd een beroerte kreeg, was Leiden in (financiële) last. Hij heeft door medewerking van allerlei mensen een uitkering van de Stichting ‘40-‘45 gekregen.(Alleen Mevrouw Lievense, de plaatselijke leidster van de verzetsgroep, heeft tegengestemd. Maar volgens moeder had ze vader in oorlogstijd wel altijd de gevaarlijkste klussen laten doen, o.m. Joodse kinderen onderbrengen. Vandaar dat na die tijd de vriendschap met haar bekoeld was.) Die stichting heeft uitstekend voor ons gezin gezorgd. Regelmatig kwam een maatschappelijk werkster van de stichting langs om met moeder  van alles te bespreken. De stichting heeft ervoor gezorgd dat degenen die wilden studeren beurzen kregen. Coby en ik mochten jaarlijks naar een vakantiekamp van de Stichting Het Vierde Prinsenkind. Dat waren leuke weken.
 
Koningin Wilhelmina stelde na de oorlog een vleugel van paleis Het Loo open als herstellingoord voor oorlogsslachtoffers. Vader mocht daar ook verblijven. Ik herinner me dat wij als gezin in het huis van een familielid in Apeldoorn woonden. We zochten vader regelmatig op (en kwamen dan langs de Naald). Samen met hem liepen we het bos in tot aan de ‘paraplu’( een soort parasol met een rieten kap) waaronder een bankje stond. Daar kon vader dan even gaan zitten. Hij was eenzijdig verlamd en lopen kostte hem moeite. 
Het volgende (of andersom?)jaar zijn vader en moeder daar samen geweest met baby Marianne (1946). Coby en ik zijn toen in een kindertehuis, Boekenrode, ondergebracht in Bloemendaal. Het huis stond in de duinen. Daar waren nog veel meer kinderen. We sliepen op grote slaapzalen. Overdag werden er allerlei activiteiten met ons gedaan. Ik had het er best naar mijn zin, maar Coby had heimwee. Daarom kwam Hetty ons, op verzoek van moeder, een keer opzoeken.
 
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het schrijven van deze herinneringen heeft Corry steeds voor zich uitgeschoven, hoewel haar broer Wim er al lang op heeft aangedrongen. Ze had er de tijd niet voor, maar ze zag er ook tegenop. Ze wilde de emoties en vooral de angsten liever niet oprakelen. "Kennelijk beleef je als kind zulke gebeurtenissen zo indringend, dat je er je hele leven last van houdt,"  vertelde ze.
 
Zoeken op deze website
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu