Herinneringen inwoners over WOII - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Herinneringen inwoners over WOII

Gemeente Culemborg
 
Mij raakten die dwang, die druk en die angst heel diep
 
Joop Johannes Martinus van Beuzekom
Roepnaam: Joop
Geboortedatum: 3 februari 1926
Overlijdensdatum: 31 maart 2020
Geboorteplaats: Culemborg
 
 
Culemborg was voor de oorlog een sterk verzuilde samenleving. Je had de tegenstelling tussen katholieken en niet-katholieken. Daarnaast was er de scheidslijn tussen werkenden en werklozen. Er waren nogal wat werklozen in die jaren. De sigarenmakerij, lang een belangrijke bron van werkgelegenheid voor de stad, was volledig ingestort. Mijn vader was ook werkloos geworden. Hij kreeg bovendien een hartafwijking waardoor hij volledig afgekeurd werd. Het viel niet mee om tot de uitkeringstrekkers te behoren in die jaren. Tweemaal per dag een stempel halen om te voorkomen dat je ergens illegaal aan het werk ging. Je karige uitkering ophalen en bij een soort voedselbank nog wat levensmiddelen in ontvangst nemen ... het had iets vernederends. Het positieve bij alle ellende die over ons zou komen, was dat vanaf de allereerste oorlogsdag die hardnekkige verzuiling doorbroken werd. Ineens spraken we met elkaar en voelden we ons solidair met elkaar.
 
Toen ik in 1940 mijn MULO-examen had gedaan, ik was amper vijftien, ben ik de week daarop direct aan het werk gegaan bij Stalenmeubelfabriek Gispen. Ik verdiende een tientje in de maand en dat was in het huishouden van mijn ouders zeer welkom! De zorg en het verantwoordelijkheidsgevoel voor mijn ouders hebben mij ervan weerhouden, actief bij de illegaliteit betrokken te raken. Bovendien, je kon nergens heen. In en om Culemborg had je nauwelijks mogelijkheden om te vluchten of je te verschuilen. Wel luisterden we clandestien naar de Engelse zender.

Ik ben iemand die de dingen intens beleeft, dat was als jongen al zo. Elke nacht stond het afweergeschut te blaffen, de Joodse medeburg­ers verdwenen zomaar uit ons midden. Er waren twee Nederlandse handlangers van de Duitse politie, Van Laar en Smeets, die doelgericht jacht maakten op mannen voor de Arbeitseinsatz of om naar Kamp Vught of Kamp Amersfoort te laten overbrengen. Mij raakten die dwang, die druk en die angst heel diep.
 
Zelf ben ik redelijk uit de wind gebleven. Veel collega's bij Gispen moesten onder dwang in Duitsland werken, maar ik was lange tijd te jong. Gispen heeft alle oorlogsjaren door kun­nen draaien. Er was nog voor 1940 een grote order van de firma Mauser binnengekomen. We moesten metalen kasten maken voor het Duitse leger. Van die order kwam niets terecht, maar we hadden wel heel veel plaatstaal liggen. Daar zijn we minikacheltjes van gaan maken, waarin je kleine stukjes hout kon stoken en waarop je kon koken. In de hele Betuwe kon je die nood­kacheltjes aantreffen! Van een andere order was veel aluminium overgebleven. Daar maakten we pannen van. Ook die waren heel welkom, in de winkels was niets meer te koop!
 
De intense vreugde die ik voelde bij de bevrijding heb ik in mijn leven nooit meer zo gekend, al heb ik nog heel wat mooie en blije gebeurtenissen mogen meemaken! Ik zou aan alle mensen van nu willen zeggen: er is in een oorlog veel meer leed dan je op het journaal te zien of in de krant te lezen krijgt!


 
 
 
Ik stond op de lijst voor Buchenwald
 
Lambertus van der Straten
 
Roepnaam: Bart
 
Geboortedatum: 13-7-1925
Geboorteplaats: Culemborg
 
 
In 1942 voltooide ik mijn MULO aan de Postmaschool. Het was zaak snel werk te vinden, want als 17-jarige kon ik voor de Arbeitseinsatz opgepakt worden. De zus van een schoolkameraad werkte bij de distributie. Zij wist een baan voor me te regelen: 'reizend ambtenaar'. Ik trok met een collega naar de dorpen rond Culem­borg, van Beusichem tot Acquoy, om daar distributie­bonnen te bezorgen. Op de fiets.
 
Het was dankbaar werk. Waaraan op een kwade dag in 1945 een abrupt einde kwam. Met mijn collega, een Rotterdammer, fietste ik op een dag terug uit Buren toen we onderweg een handschoen zagen liggen. Mijn maat raapte hem op. Even later passeerden we een soldaat, een Hollandse SS'er, met één handschoen. We gaven hem zijn verloren handschoen terug en er ontspon zich een gesprek. Toen hij hoorde dat mijn col­lega uit Rotterdam kwam, vertelde de man dat hij daar familie had. Of mijn maat een brief wilde meenemen. Deze stemde toe, waarop de man in een huis verdween om die brief te halen. Op zeker moment kwamen er uit dat huis twee andere SS'ers quasi-nonchalant onze kant uitlopen. Voor we het wisten, stonden ze achter ons en commandeerden: `meekomen!' Mijn collega sputterde tegen en werd meteen tegen de grond geslagen. Eenmaal in dat huis begonnen vijf man op ons in te slaan. De commandant beet ons toe: 'Zie je die akker daarbuiten? En zie je dit wapen? Over 5 minuten worden jullie doodgeschoten!' Gek genoeg deed me dat toen helemaal niets, ik was volledig murw geslagen.
   
Het is zover niet gekomen. We werden in looppas naar het politiebureau in Buren gejaagd. Daar zijn we opnieuw in elkaar geslagen en in de cel gegooid. De volgende morgen moesten we een verklaring tekenen. Ik kende aardig wat schoolduits. Er stond dat we die soldaat van die brief had­den aangezet tot Fahnenflucht, tot desertie dus. Ik zei: 'Dat teken ik niet, daar is niets van waar!' Waarop die Duitse officier zijn la opentrekt en een revolver tegen mijn hoofd zet: `Tekenen zul je!'
We zijn vervolgens via Wijk naar Utrecht overgebracht, alles lopend. Op de Maliebaan werden we bij de Sicherheitsdienst afgeleverd, vandaar naar de gevangenis aan het Wolvenplein. Ik was sterk en sportief en kon het daarom allemaal goed dragen. Maar heb gezien hoe oudere gevangenen getreiterd werden door sommige bewakers, allemaal SS'ers.
Hoe ze bijvoorbeeld met hun toiletemmer de trap af moesten om die te legen. En hoe zo'n vent dan in de weg ging staan, met als gevolg dat zo'n oudere man een traptrede miste en met zijn strontemmer ten val kwam. Maar er waren ook heel goede mensen onder die bewakers!
Na drie weken kreeg ik-bericht dat ik naar huis mocht. Toen ik het ontslagbewijs aan de officier liet zien, in de hoop dat ik mijn fiets en mijn tas terug zou krijgen, zei hij: `Je hebt geluk, want je stond op de lijst voor Buchenwald.'
 
Ik heb geen gemakkelijke jeugd gehad. Nog altijd kan ik geen boterham weggooien, zelfs al heb ik geen echte honger gekend. Ik kan me vreselijk opwinden als ik in de sloot klaargemaakte boterhammen in een plastic zakje zie drijven. Die onverschilligheid, dat raakt me diep.

Bron: Vrij vertaald, 70 jaar bevrijding, Verhalen van ouderen uit gemeente Culemborg



Culemborg in de 2e Wereldoorlog, door A.G Entjes
Culemborgse Courant, maart 1984


De bezetting en bevrijding zijn ingrijpend geweest en hebben verandering en gebracht  maar na een opleving de wereld niets verbeterd. een nieuwe oorlog nu zou je korte tijd iedereen van de aardbodem wegvagen wanneer een atoombom zou worden gebruikt. Ik wil mij beperken met dit schrijven over het leven van de Culemborg tijdens de Tweede Wereldoorlog. De niet eens geveinsde bereidwilligheid die zovelen stadgenoten direct naar de capitulatie tentoon hadden gespreid, om zij het dan ook met tegenzin, met de bezetter samen te werken teneinde niet alles in het honderd te laten lopen, maakt in de loop van het eerste bezettingsjaar plaats voor een goed gevoel van onbehagen. Verduisteringsvoorschriften waren vervelend, op straat was het aardedonker gaslantaarns branden niet meer, stoepranden waren wit geschilderd en de huisnummers zwaar voorzien van wit geschilderde nummers. De burgers moesten de ramen van de woningen beplakken met zwart verduisteringspapier, zodat  er geen spleetje licht naar buiten kon schijnen. Mocht dat toen wel het geval zijn geweest, dan waren de mannen van de luchtbeschermingsdienst gemachtigd daar tegen op te treden. Auto- en fietsverlichtingen waren voorzien van een speciaal daarvoor ontworpen bolletje welke rondom zwart geschilderd waren en in het midden een klein lichtstraaltje doorlieten.  

Sommige mensen liepen ’s avonds op straat met een rond speldje op hun jas waarop een laagje lichtgevende verf was aangebracht. Toen de Engelse Luchtmacht die zich aanvankelijk vrijwel uitsluitend overdag boven ons land vertoonde, ertoe over ging ook op de doelen in Nederland nachtbombardementen uit te voeren, werd een wandeling bij avond nog minder aantrekkelijk. Voortdurend huilde bij ons in de stad de sirenes van de luchtbescherming en voorschrift was dan onmiddellijk dekking moest zoeken. Net zo min als nu, waren bij ons in de stad geen openbare schuilkelders. Zwegen de sirenes, dan was het wachten op het eentonig gebrom van de naderende bommenwerpers. Onmiddellijk spoten dan overal felle lichtstralen van zoeklichten aan de horizon op om de hemel af te tasten en lukte het de indringers te vangen dan barsten het luchtdoelgeschut dat was opgesteld aande Beusichemse dijk en de Goilberdingerdijk,  in hevigheid los. Lichtspoormunitie trok kleurige lichtstrepen langs de hemel en een regen van granaatscherven kletterde op straat en de daken. Gaandeweg werd de druk van de overheid op het dagelijkse leven echter groter. Er  ging bijna geen dag voorbij of er werd wel weer een nieuwe verordening van het Rijkscommissariaat  gepubliceerd. Een persoonsbewijs waarvan de invoering begin november 1940 alt werd aangekondigd,  was voor de meesten niet eens zo bezwaarlijk. Werkvolk van buiten onze stad waren door de Duitsers tewerkgesteld aan het Fort nabij Culemborg. Na hun dagtaak trokken die arbeiders de boer op om wat aardappelen, groente en fruit te kopen. Toen deze mensen lopend op het NS-station arriveerden, werden ze opgepakt door de manschappen van de gemeentepolitie Culemborg. Alles werd daar in beslag genomen en met een waarschuwing gingen die mensen met de trein mee.

De winter van 1940-41 was streng en het voedseltekort, vooral in de grote steden, was duidelijk ook merkbaar bij de boer in Culemborg. De mensen trokken erop uit met hand karren, kinderwagens en zelfgemaakte karretjes of met de fiets. Het was altijd een probleem wanneer de mensen terugkerend van hongertocht door de landwacht,  zo niet dan door de politie, zouden worden gecontroleerd, want dan was je alles kwijt. De sluikhandel, de term zwarthandel is een germanisme, dat echter al spoedig was ingeburgerd, heeft het gewone dagelijkse leven gedurende de hele oorlog begeleid. Het leven bij ons in de stad werd armoedig, de honger begon dag en nacht te knagen. Iedereen kreeg vroeg of laat het gevoel wel door te kunnen eten, wat het dan ook mocht zijn. Brood was klef oorlogsbrood, groenten uit het water, veenaardappels en geen vlees of vetten.  Nederland leed honger en Nederlands zat in de kou. Etalages van de winkeliers bij ons in de stad waren nagenoeg leeg. De groenteboeren bij ons in de stad hielden er wel hele rare praktijken op na. Wanneer men niet voor het uitbreken van de oorlog een vaste klant was geweest bij de een of andere groenteboer, kreeg men ook in de oorlog geen groente of aardappels.  Daarvoor was in de etalage een bordje geplaatst met het opschrift: “Alleen voor vaste klanten”,  dus geen vaste klant dan ook geen eten.  Soms moesten de mensen uren in de rij staan voor brood of melk of andere voedingsmiddelen.

De Duitsers hadden een gedeelte van de Kleine Buitenom voor publiek afgesloten. Ter hoogte van de Westersingel op de dijk van de Kleine Buitenom, kwam een wachthuisje te staan, waarbij dag en nacht een Duitser op wacht moest staan. De spoorbrug was volgepropt met springstof en onder de spoorbrug hadden de Duitsers landmijnen gelegd.
De Huishoudschool in de Goilberdingerstraat en de JC Bink kleuterschool, alsmede de meisjesschool Mariakroon zijn door de Duitsers gevorderd.  De Ortscommandant was gezeteld op de markt naast de Binnenpoort en de Feldcommandant in de Everwijnstraat . De Duitsers reden af en aan en gingen militaire oefeningen houden op voetbalvelden en op terreinen in en om de stad.  Duitse officieren reden in hun auto door de stad en op de koplamp zat altijd een Duitse soldaat met het weer in de aanslag, kennelijk met de bedoeling om direct te kunnen schieten als een aanslag op een officier gepleegd zou worden.
Het seminarie ging over in een Duits lazaret (ziekenhuis). Op de dak van dat gebouw brachten Duitsers met rode verf het Rode Kruis aan. Voor het gebouw en eveneens achter in de tuin , werden door de Duitsers grote verdedigingsbunkers gebouwd. Nog  meer scholen werden door de Duitsers gevorderd en soms kregen de onderwijzers voor onderricht kinderen van een andere school. Dat zoiets veel problemen met zich meebracht laat zich raden.

Op het speelterrein De Doelen was voor de ingang een bordje aangebracht met opschrift “Voor Joden verboden”. Het Duitse besluit stond vast de volljuden zouden uit Nederland gedeporteerd worden.”Ze zullen even arm daarheen gedeporteerd worden vanwaar ze zijn gekomen”. Dat waren de woorden van Generalkommissar Schmidt. Onder de Culemborgse gemeenschap leefde ook een kleine Joodse gemeenschap. Meest kleine zelfstandige ondernemers, zoals de familie Van Spier, die in de Zandstraat en slagerij runde, de familie Van Gelderen eveneens in de Zandstraat had daar een boekwinkeltje, Saartje op de Kolfbaan verkocht klosjes garen en de familie Rosa in de Everwijnstraat handelde in lompen. Maar zou te ver gaan om alle Joodse families te beschrijven.
De Joodse synagoge was gevestigd op het St. Janskerkhof. Deze zou later door de Duitsers worden gebruikt voor het huisvesten van gevangenen.
Voor Joodse kinderen bij ons in de stad was het verboden nog langer de scholen te bezoeken  en de toegang werd hen geweigerd. Ook mochten Joden geen bioscoop meer bezoeken: daartoe moest de exploitant een bordje voor de ingang van de deur hangen “Voor Joden verboden”.

Duitse treinen volgeladen met oorlogsvoertuigen en manschappen reden dag in dag uit vanuit het zuiden over de spoorbrug. Zo nu en dan werden ze door Engelse Spitfires onder vuur genomen. Het afweergeschut beschoot in alle hevigheid de Engelse vliegtuigen, maar zelden werd het doel geraakt. De bewoners van dewijk  Hankavoet en de Gelddijk beleefden soms angstige momenten, vooral in de laatste oorlogsjaren toen de geallieerde luchtaanvallen op alles van de Duitsers wat maar bewoog in alle hevigheid toenamen.

Op de buitengevel van de Binnenpoort was met grote witte letters het woord “museum” aangebracht, waarschijnlijk door de bekende Culemborgse architect de heer Aussems. Kennelijk met de bedoeling dat de Duitsers dat monumentaal gebouw niet zouden gebruiken voor militaire doeleinden. Gelukkig hebben de Duitsers deze toren niet vernield.

Soms waren de Duitsers niet zo vijandig tegenover de Nederlanders als men toen dacht. Soms brachten kinderen wel eens een bezoekje aan zo'n legerkamp en vroegen dan een stukje brood. Wannneer een soldaat dan een beetje menslievend was, kregen ze soms stukken brood uitgedeeld. De Limburgse wijkwerkers gaven geen gehoor aan de oproep van de Nederlandse Arbeitsfront georganiseerd in Nationaal-Socialistisch Vakbond om op zondagen te werken ten einde het tekort aan kolen te voorzien. Die mijnwerkers hadden er weinig zin in, ondanks de in het vooruit gestelde beloningen. Die kolen uit Limburg gingen trouwens keurig de grens over naar Duitsland, zodat de Nederlanders in de kou kwamen te zitten.
Het konden wel eens gebeuren dat er een goederenwagon met kolen in Culemborg  op het station gelost moet worden. Ik was bevriend met de zoon van wat men in  Culemborg noemde ‘kolensjouwer’, de heer H. van Empel, en zo kon het wel eens gebeuren dat mijn vriend en ik samen tussen de middag met een karretje naar het station gingen. De zaak was daar gauw bekeken.
20 januari 1942 vroor het overdag nog ruim 12 graden  en 's nachts ruim 20 graden. Het was bar koud. De houtroof was in volle gang. Overal rond de stad werden bomen omgehakt en schuttingen gingen voor de bijl. Gispen’s fabriek voor metaalbewerking bracht een klein kacheltje op de markt, de lilliputter, dat kleine ding moest op de normale kachel worden geplaatst, dan konden de huisvrouw daarop het eten warm maken. Het verbruikt heel weinig brandstof, maar de woning ermee verwarmen dat ging natuurlijk niet.
Steeds meer mensen kregen door ondervoeding kwalijke ziektes, waarvoor geen medicijn was. Door ondervoeding en te weinig hygiëne zaten de meeste mensen onder de luis en vlooien. Natuurlijk brachten  de Duitsers ongedierte mee van het front en doordat er geen zeep meer te krijgen was, konden de mensen zich moeilijk wassen. Doordat elektriciteit door gebrek aan brandstof was uitgevallen, werden in snel tempo alle bestaande waterpompen in de grond geslagen.  Waarop dan weer een waterpomp werd geplaatst. Vooral in die strenge winters van toen, kon het soms wel eens gebeuren dat het mechanische gedeelte en zelfs de pomphuis waren bevroren. Dan was het zaak om elders in de stad water te gaan halen. Even was toen het klokje een tijdje teruggezet.
Op 29 april 1942 kwam de invoering van de Jodenster. Ook bij ons in de stad droegen de Joden op hun jas de gele ster. Het ene verbod na de andere trof de Joden.
Op 18 juni 1941 werd iedereen verplicht zijn  koperen, loden en tinnen voorwerpen in te leveren. Het gebouw De Trio aan de Buitenmolenstraat was daarvoor een geschikte plaats. Duizenden stadgenoten brachten hun geliefde spulletjes daarheen. De bedoeling was al deze loden en tinnen voorwerpen om te smelten voor oorlogstuig.

De deportatie van Volljuden in ons land zou zeker nog 9 maanden in beslag nemen, voordat de laatste naar het doorgangskamp Westerbork zou zijn afgevoerd. Angst onder de bevolking en zeker  onder de Joden. Niemand wist wanneer hij of zij op transport gesteld zou worden. Razzia's op Joden, zoals in de meeste grote steden in ons land, waren in Culemborg niet nodig geweest. De joden in onze stad kregen van de Zentralstelle een oproep voor de deportatie. Het bevel gaf nauwkeurig aan wat men als reisbagage mocht meenemen. Die bagage moest in tweeën gedeeld worden en “noodzakelijke reisbehoeften” moest men bij de hand houden. De grote bagage, bijvoorbeeld beddengoed, moest men in een koffer doen. De grote bagage zou pas weer worden uitgereikt na aankomst in het werkkamp. De inboedels van die joden zijn naar een vertrek opgeslagen op de zolder van de Gemeentewerken wat daarmee na de oorlog is gebeurd is niet duidelijk. De joden in Culemborg zijn opgehaald en afgevoerd met de bekende rode politieauto van de gemeentepolitie Culemborg. Waarom leden van het Culemborgse Korps aan deze deportatie hebben meegeholpen is alsnog duister. Wellicht hebben zij ook onder dwang gestaan en zat er niets anders voor die mensen op dan dat zij met gevaar voor eigen leven aan deze opdracht gehoor te geven.

Het verzet in Nederland is nooit een georganiseerd of samenwerkende beweging geweest, maar altijd een bonte mengeling van afzonderlijke optredende groepen en/of personen. Die verzetsgroepen ontstonden ook niet door maatregelen van bovenaf, maar ze kwamen voort uit de samenleving van onderaf. Het aantal inlichtingengroepen, dat zijn organisaties die ten behoeve van de geallieerden militaire gegevens verzamelden, nam toe. De grootste organisatie op het gebied van hulpverlening aan onderduikers was wel de L.O.  (landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers) De hele oorlog door hadden verspreide verzetsgroepen zich al bezighouden met sabotage. Dit werd door de Duitsers zeer ernstig opgenomen.
Op het spoorvak Culemborg- Geldermalsen pleegde iemand sabotage door springstof aan te brengen onder de rails. De bedoeling zal wellicht geweest zijn het spoorwegverkeer te ontwrichten. De schade bleef beperkt, maar de gevolgen bleven niet uit:  de Duitsers staken een aantal in de buurt gelegen boerderij in brand. Tevens zouden in het vervolg iedere nacht Culemborg mannen op dat baanvak moeten lopen om toe te zien dat er geen sabotage meer gepleegd kon worden. Indien er toch iemand het waagde daar ergens in de buurt te gaan saboteren en niet door Culemborgers zou zijn  opgemerkt, dan zouden de Duitsers iedereen die die nacht had wachtgelopen, laten doodschieten. Deze daad van sabotage hoe goed bedoeld ook, pakte dus wel verkeerd uit.
Het verzet zat bij ons in de stad en omgeving was een stille, meestal verborgen sluipoorlog tegen de vrijheidsberoving door de bezetter, tegen de ideeën die de bezetter verkondigde en tegen de manier waarop te bezetter deze ideeën probeerde te verwezenlijken.

De voornaamste aanvliegroute van de geallieerden vliegen vliegers was het IJsselmeer. Toen ook de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog waren betrokken, vlogen de vliegende forten iedere nacht over de stad. Soms als het stil was kon men de zwaarbeladen vliegtuigen met dat eentonige gejank al  heel in de verte horen aankomen. Dan gingen de zoeklichten aan en het luchtdoelgeschut kwam weer in werking. Altijd weer waren we blij als we deze vliegtuigen hoorden: Nazi-Duitsland zou met de grond gelijk worden gemaakt. Men dacht toen niet aan de gevolgen voor de onschuldige vrouwen en kinderen. De haat tegen alle Duitsers onder de Nederlanders was zo groot, dat alles wat Duits was, vernietigd moet worden.

In 1942 hielden de Duitsers bij ons in de stad een grote zoekactie naar rijwielen, want iedereen moest zijn karretje inleveren. Behalve de politie van Culemborg, want daarvoor was een andere regeling getroffen. Iedere dag opnieuw kwamen nieuwe verordeningen van de Duitse overheid. Op 13 april 1942 moesten alle ingezetenen die een radiotoestel hadden deze inleveren op de dichtstbijzijnde depot. In dit geval het gebouw De Trio aan de Buitenmolenstraat. Wie zijn toestel niet inleverde kon worden gestraft met militaire maatregelen. De Trio was binnen luttele ogenblikken omgetoverd tot een warenhuis. Natuurlijk voldeed niet iedereen aan de oproep en bracht zijn apparaat naar een geschikte schuilplaats.
13 april 1943 moesten alle kerkklokken uit de kerktoren verwijderd worden om in Duitsland in de staalindustrie omgesmolten te worden. Elektriciteit, gas en kolen waren niet meer te krijgen. Elektrische lampen werden vervangen door carbid- of olielampen. Maar ook aan de voorraden carbid en olie kwam spoedig een eind.
Wie nog wat olie of benzine in voorraad had, ging daar experimenteel mee werken om te proberen er n zolang mogelijk profijt van te hebben. Explosiegevaar was niet denkbeeldig. De familie Van Malsen kreeg al spoedig met een explosie van een olielamp te maken. Toen de lamp werd aangestoken, explodeerde deze, waardoor een meisje uit dat gezin de brandende vloeistof in gezicht kreeg. Een arts moest de brandwonden behandelen.

Duitse soldaten liepen keurig netjes gekleed bij ons in de stad, maar de gewone burger was heel wat slechter af. Deze liep met oude versleten of verstelde kleren. Klompen waren opgevuld met oude kranten omdat de zool was versleten. Meisjes liepen op klompschoenen, of zoals in Culemborg zeiden , tripklompen. De honger was niet  onder de tafel te schuiven en was er iedere dag opnieuw en steeds erger.
Duitse huifkarren reden door de stad volgeladen met brood en andere levensmiddelen. Men rook het heerlijke brood, als die huifkar langs je reed. Er iets uit stelen was er nooit bij, want achter op de klep zat altijd een Duitser met geladen geweer.
De winter was vreselijk koud. Iedere dag trokken mensen de boer op, soms bedelend om één aardappel, één sneetje brood., maar meestal kreeg men niets.
Voor de voedselvoorziening van de bevolking werden distributiekringen ingesteld. Voor de agrarische bedrijven werden ambtenaren door de provinciale voedselcommissaris benoemd. Voor Culemborg was dat de heer C.G. de Raad. Deze had als taak te waken bij het verstrekken van veevoer en bovendien mee te werken voor wat betreft de voedselvoorziening in het algemeen.
Tot 1942 kon men redelijk zijn taak vervullen. Zeker, er werden door de Duitsers bepaalde maartregelen genomen die niet prettig waren voor het agrarische deel van de bevolking. Meer in het belang van de bevolking zelf was de bevordering van het verhogen van de voedselproductie.



Terug naar de inhoud