Dhr. M. van Rijnsbergen uit Hedel - Oorlogsslachtoffers West-Betuwe

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Dhr. M. van Rijnsbergen uit Hedel

Gemeente Geldermalsen > Buiten de slachtofferslijst
Achternaam: Rijnsbergen 
Tussenvoegsels: van 
Voornamen :Marius 
Voorletters: M. 
Beroep: Landarbeider 
Geboorteplaats: Hedel 
Geboortedatum: 21-09-1927 
Overlijdensplaats: Hedel 
Woonplaats Rumpt 
Overlijdensdatum: 20-11-1944 Categorieën Burger
Begraafplaats:  Nederlands ereveld Loenen
Gemeente :Apeldoorn (ereveld) 
Provincie :Gelderland 
Vak: C 
Nummer 381
De ouders van Marius waren de uit Deil afkomstige landarbeider/grondwerker Cornelis van Rijnsbergen (*1904-1969) en de Arnhemse Petronella "Nel" Hendrika Johanna van 't Zand (*1908-1969). Zij trouwden op 20 maart 1935 in Deil en bij dit huwelijk werd Marius erkend. Vanaf mei 1938 woonde Marius bij zijn grootouders in Hedel. Ze kregen samen nog twee kinderen: Adriana Rutha "Sjaantje" (1936-2006) en Marietje (*23 sept. 1947).
Vanaf het huwelijk woonde de rest van het gezin op vier verschillende adressen aan de Lingedijk in Rumpt, nl. op nrs. 5, 90, 62 en 56. In mei 1949 verhuisde het gezin naar Hedel, Tuindorp. Vanaf 1960 woonde ze daar op Hageland 16.

Beven van angst, bidden om kracht
Uit: Reformartorisch Dagblad, 28-04-2005

Vanuit de kap van de molen in Wijk en Aalburg kon Wim van Wijk de bewegingen van de geallieerde strijdkrachten waarnemen. De molenaar woonde, net als vele anderen, het laatste halfjaar van de oorlog op schootsafstand van bevrijd gebied. „We hadden onze bevrijders in het oog. Maar zelf moesten we verder onder het juk van de Duitsers.” De Bergsche Maas vormde zes maanden lang een scherpe scheidslijn.
Hij herinnert zich de beelden van de oprukkende troepen in het zuiden als de dag van gisteren. Op 4 november 1944 verschenen de geallieerden ter hoogte van Heusden bij de Bergsche Maas. „De lucht was één grote vuurzee”, zegt de 83-jarige oud-molenaar Van Wijk in zijn woning in Wijk en Aalburg. „Er werd onophoudelijk geschoten.”
De geallieerden kwamen tot de Maas, maar zij gingen er niet over -tot grote teleurstelling van de bevolking. In hun opmars naar het noorden hadden de Britse en Canadese troepen al grote delen van Zuid-Nederland bevrijd. De Duitsers moesten strategische plaatsen als Nijmegen, Den Bosch en Breda prijsgeven, veelal na hevige vuurgevechten. Bij de grote rivieren hielden de geallieerden halt. Begin november kwam het nieuwe front te liggen bij de Waal, de Bergsche Maas en het Hollands Diep.
Het water vormde tot aan de bevrijding op 5 mei 1945 als het ware een IJzeren Gordijn. Aan de ene kant vierde de bevolking de vrijheid en begon zij aan de wederopbouw, aan de andere kant zuchtten de inwoners onder de bezetting van de Duitsers. In de Randstad stierven als gevolg van de Hongerwinter vele duizenden mensen een pijnlijke dood. Maar ook meer oostwaarts, in het Land van Heusden en Altena en de Bommelerwaard, was de situatie verre van eenvoudig.
Onder vuur
De bevrijding leek eind 1944 slechts een kwestie van dagen, zegt de 78-jarige Wim van Engelen uit Hedel, dat net als Wijk en Aalburg op schootsafstand van de Bergsche Maas ligt. „Wij kwamen zwaar onder vuur te liggen. In de nacht van 25 op 26 oktober werd er aan één stuk door geschoten. Geen huis dat niet werd geraakt. De woning van mijn ouders stond gelukkig in de schaduw van een grote boerderij. De rieten kap ving de meeste klappen op. Wij zaten in de kelder. Te beven van angst en te bidden om kracht”, zegt Van Engelen.
Wat de dorpelingen vurig hoopten, gebeurde niet: de geallieerden bleven steken aan de zuidkant van de rivier en braken hun opmars naar het noorden af. „Later begreep ik dat de beschietingen van Hedel een afleidingsmanoeuvre waren”, zegt Van Engelen. „De geallieerden deden alsof ze ons dorp wilden veroveren. Om de Duitsers te verwarren. Maar het was hen in werkelijkheid te doen om de bevrijding van Den Bosch.”
De Brabantse hoofdstad viel in handen van de geallieerden, net als andere steden en dorpen aan de zuidkant van de Bergsche Maas. Maar de dorpen aan de noordkant, zoals Hedel, Nederhemert, Wijk en Aalburg, Genderen en Hank, bleven bezet. „Dat was voor ons een bittere pil”, zegt Van Engelen. „Wij leden weliswaar geen honger, maar we werden wel dagelijks onder vuur genomen. Dat bracht grote spanning teweeg.”
Hindernis
De Bergsche Maas vormde een smalle, maar moeilijk te nemen hindernis naar de vrijheid. De verleiding van een oversteek was groot, maar de meesten zagen ervan af. „Dat zou levensgevaarlijk zijn geweest”, zegt Ewout van Wijk uit Genderen.
De 83-jarige oud-transportondernemer herinnert zich een geallieerde spion uit Rotterdam die hem eind 1944 benaderde met het verzoek om samen de rivier over te zwemmen. „Ik heb hem gezegd dat de Duitse schildwachten niet het grootste probleem vormden. Wat wel een bezwaar was, was het water. Dat was ’s winters eenvoudigweg te koud.”
Een enkeling wist via de Bergsche Maas aan de bezetter te ontkomen. „Een neef van me is het gelukt”, zegt Van Engelen. „Met een vlot bereikte hij de overkant. Ook weet ik dat een groot gezin uit Empel ’s nachts in het geheim is overgevaren. De ouders hadden de kleinste kinderen verdoofd. Een prachtig staaltje van moed.”
Niet alle pogingen waren succesvol. In november 1944 besloot de 17-jarige Marinus van Rijnsbergen uit Hedel zich uit de voeten te maken. Onderweg naar het geallieerde kamp maakte een kogel van een Duitse militair een einde aan zijn leven. In een overlijdensbericht schreven zijn ouders: „Wij mogen gelooven dat hij thans juicht voor den troon van Hem, Wien te dienen zijn lust was.”
Grimmiger
Het leven in de dorpen aan het front was niet zonder gevaar. Met het verstrijken van de maanden werd de sfeer in de vuurlinie steeds grimmiger. Dagelijks vonden er hevige beschietingen plaats. Granaatinslagen verwoestten huizen, scholen en kerken. Engelse piloten voerden bovendien regelmatig bombardementen uit. Duitse troepen verschansten zich achter de dijken en sloegen in de dorpen hun bivak op.
Oud-molenaar Van Wijk: „Begin januari wierpen Engelse piloten bommen af op de kerken en de molen in Aalburg. Ik was bezig met het stoppen van gaten in de meelzakken, toen ik vliegtuigen hoorde komen. Met enkele andere jongens maakten we dat we wegkwamen. De dreunen die volgden, vergeet ik m’n leven lang niet.”
De verwoestingen waren groot, maar dat was niet het ergste, aldus Van Wijk. „Vijftien mensen hadden juist in de kerk een schuilplaats gezocht. Zij kwamen alle vijftien om het leven.”
Vanwege de risico’s sommeerden de Duitsers de inwoners te evacueren. „We moesten op straffe des doods weg”, aldus Van Engelen. „In weer en wind vertrokken we. Niemand wist waarheen. Uiteindelijk kwamen we in Beesd terecht, bij een boerenfamilie. Later kropen we weer wat dichter naar Hedel. M’n moeder zat op een kar en hield een wit laken aan een stok omhoog.”
„Je moet het hebben meegemaakt om te weten wat een evacuatie is”, zegt oud-transportondernemer Van Wijk. „We pakten zo veel mogelijk spullen, we maakten de drie paarden klaar en we vertrokken, zonder te weten waarheen. Ondertussen vlogen de granaten over het dorp. Een van de buren kwam naar ons toe. „Heb je een ladder voor ons? M’n vader is doodgeschoten.” Op de ladder kon de man worden vervoerd.”
Wim van Wijk pakte pas halverwege januari zijn biezen, als een van de laatsten. Vanuit de molen zag hij hoe Wijk en Aalburg was veranderd in een spookdorp. En in de verte, met hulp van de verrekijker, blikte hij naar het kamp van de geallieerden. „De vrijheid was dichtbij”, zegt hij. „En tegelijkertijd was ze ook ver weg.”
Van Wijk mocht in de omgeving blijven, mits hij aan het werk ging bij een boer in Zuilichem. „Op een dag was ik bezig met ploegen, toen een paar Duitsers in de buurt enkele granaten in de richting van de Maas vuurden. De geallieerden beantwoordden het vuur meteen. Ik sprong in de sloot. Het ene paard deed hetzelfde, het andere ging er vandoor. Of ik bang was? Nee. Ik was eraan gewend geraakt.”
In de kerk
De bevrijding liet lang op zich wachten. In Hedel deden eenheden van de Prinses Irene Brigade in de laatste week van april nog verwoede pogingen om de Bommelerwaard te bereiken. Aanvankelijk leek de missie succesvol. Manschappen slaagden erin bij het haventje een bruggenhoofd te vormen. Maar de Duitsers sloegen keihard terug.
Van Engelen: „Er ontstonden hevige gevechten. Van huis tot huis leverden de geallieerden strijd met de Duitsers. Op een gegeven moment verplaatste de strijd zich tot binnen de muren van de protestantse kerk. Tussen de banken werd man tegen man gevochten.”
De geallieerde operatie mocht niet baten. Op woensdag 25 april werd de actie gestaakt en trokken de militairen zich terug tot aan de zuidkant van de Maas. In Hedel stond vrijwel geen één steen meer op de andere. Te midden van de puinhopen waren enkele houten kruisen geplaatst. „Twaalf militairen waren gesneuveld. Erg triest”, zegt Van Engelen.
Ook in het Land van Heusden en Altena zaaide de bezettingsmacht in de laatste oorlogsmaand nog dood en verderf. Zo werd de vader van Ewout van Wijk op 18 april om het leven gebracht, volgens de Duitsers omdat hij zich had opgehouden in verboden gebied. De man wilde per fiets vanuit Andel naar Genderen om te zien hoe zijn woning erbij stond.
Van Wijk: „Zelf ben ik daarna ook door Duitsers opgepakt bij een boerderij in Genderen. „Je wordt overgebracht naar Veen en daar doodgeschoten”, zei een militair tegen me. Ik vroeg daarop toestemming om een gebed te doen. Dat mocht. Toen ben ik op m’n knieën gevallen en heb ik om uitredding gesmeekt. De officier in Veen geloofde mijn verhaal dat ik niet in Genderen was geweest voor spionage, maar om mijn vader te zoeken. Hij liet me vrij.”
Uitwerpselen
Het bericht over de capitulatie kwam op 5 mei. Voor de bevolking van het Land van Heusden en Altena en de Bommelerwaard was die boodschap onwerkelijk; de Duitsers bleven veelal nog de dienst uitmaken, al was hun houding wel anders dan voor de dag van de overgave, aldus Van Engelen. „De evacués mochten pas weken later terugkeren naar hun woningen. Van de meeste huizen was weinig meer heel. Er zijn mensen die de eerste maanden in verbouwde kippenhokken hebben geleefd.”
Wim van Wijk trof thuis, bij de boerderij van zijn ouders, eveneens een chaos aan. „De brandnetels stonden een meter hoog. Overal in de straat lagen granaten. Een voorkamertje in ons huis bleek door de Duitsers te zijn gebruikt als latrine. In het midden, onder een plank, lag een grote hoop uitwerpselen. Voor ons was de boodschap duidelijk: we moesten onze handen uit de mouwen steken voor de wederopbouw.”

 
Zoeken op deze website
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu