Verzet rond Culemborg - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Verzet rond Culemborg

Gemeente Culemborg > Verzet in Culemborg
Betuws verzet aarzelend op gang

Het verzet tegen de Duitse bezetter kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Betuwe aanvankelijk maar moeilijk van de grond. Het ontbrak in de beginfase aan organisatie en ervaring. Het gaat echter te ver dit, zoals sommigen doen, te verklaren uit het feit dat de gemiddelde Betuwnaar zich nauwelijks geroepen voelde de bezetters te bestrijden.

Dat concludeert de historicus Victor Laurentius (1973) in zijn gisteren verschenen boek "De Betuwe in stelling". Laurentius, die twee jaar lang onderzoek verrichtte naar onder meer het verzet in de Neder-Betuwe, wijst er op dat het gebied de eerste jaren van de oorlog minder onder de oorlog te lijden had dan bijvoorbeeld West-Nederland. "De Duitsers waren minder aanwezig in het straatbeeld en dat nam wellicht de prikkel weg om tot verzetsdaden over te gaan." Hij vraagt zich af of, zoals wel wordt beweerd, het percentage verzetsmensen kleiner was dan in de rest van ons land. Exacte gegevens ontbreken. Waarschijnlijk valt het mee, aldus Laurentius.

Een ander argument voor een wat passieve houding, namelijk dat de lintbebouwing in de Betuwe geen ruimte voor afgelegen bebouwing en illegale activiteiten toeliet, is volgens de onderzoeker maar ten dele waar. Er waren volgens hem voldoende tussen boomgaarden verscholen boerderijen. Bovendien noemt hij in zijn boek voorbeelden van woningen vanwaaruit verzetsdaden werden gepleegd, die wel gewoon aan de weg gesitueerd waren. Over de precieze opnamebereidheid van de Betuwnaar waar het gaat om onderduikers, blijft hij een antwoord schuldig. Het is onbekend hoeveel onderduikers er waren. Wel staat vast dat het aantal Joodse overlevenden vrij hoog was.

Een laatste argument voor de opstelling van de Betuwnaar wordt verklaard door de invloed van het katholicisme. Dat zou zich ook hebben uitgestrekt over de protestantse delen van de regio. Graadmeter daarvoor zouden zijn de april-mei -stakingen, die in dit gebied van korte duur en niet massaal waren. De stakingen duurden in Tiel slechts twee dagen en in Geldermalsen een halve dag. Volgens Laurentius was dat niet verwonderlijk: "De Duitsers traden hard op. Er volgeden arrestaties en zelfs enkele terdoodveroordelingen. In Beusichem duurde een boerenstaking vijf dagen." De stakingen zouden volgens de onderzoeker overigens tot gevolg hebben gehad dat er een actievere verzetsgeest ontstond in de Betuwe.

Bron: Reformatorisch Dagblad,  4 mei 2002


Organisatie van het verzet

De activiteiten van de verschillende verzetsmensen waren in het begin niet erg gecoördineerd. De een verspreidde krantjes en pamfletten,  een volgende 'rommelde' met voedsel en bonnen, een derde verborg onderduikers en een vierde redde een Engelse piloot het leven. De plaatselijke directeur van het  distributiekantoor hield, op de een of andere merkwaardige manier, gelukkig nogal wat bonnen over, die t.b.v. de onderduikers konden worden rondgedeeld.
Een eerste poging tot organisatie van verzet werd  ondernomen door voornamelijk oud-militairen. Hieruit ontstond de Ordedienst (OD). Later ontstond de LO (landelijke organisatie onderduikers). Ook in Culemborg werd de LO actief en op een gegeven moment kwam de verzetsman Leo Lamers in de Tollenstraat onderduiken, van waaruit hij de activiteiten in zijn hele district  coördineerde. In een wat later stadium van de oorlogsperiode ontstond in Culemborg ook een KP (Knokploeg). KP, OD en LO waren verschillende organisaties, waarbinnen pas aan het eind van de oorlog pogingen tot samenwerking werden genomen.
Evenals elders in het land, moesten plaatsgenoten verplicht werken voor de bezetters. In enkele gevallen werden jonge mannen opgeroepen voor dwangarbeid in Duitsland maar meestal werd men ingezet door de organisatie Todt, die moest zorgdragen voor het aanleggen van de nodige verdedigingswerken. Er moesten o.a. loopgraven worden gegraven in weilanden en  boomgaarden. De mensen van Todt maakten daarmee zelf niet al te veel haast, omdat ze vreesden naar Rusland te moeten als deze streek zou zijn 'voltooid'. Daarom verrichtten velen vaak nutteloos werk; een pas gegraven loopgraaf werd gemakkelijk weer dichtgegooid en dan kon men weer opnieuw beginnen. 's Morgens in alle vroegte vertrok een lange rij mannen lopend er op uit, soms tot aan Rijswijk (Gld.).
De oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS)  moest een samenwerking tussen OD, LO en KP betekenen. Er werd gezocht naar een commandant die door iedereen werd erkend. Meestal was dit een oud-militair. De keuze viel op een tijdelijk in onze stad wonende, gepensioneerde KNIL-generaal: generaal Gramberg. Hij was met een aantal andere Hagenaren tijdelijk in Culemborg ondergebracht, omdat in Den Haag hele straten waren afgebroken, voor de bouw van verdedigingswerken bij Scheveningen. Generaal Gramberg bleek nog een militante man te zijn die de verschillende ondergrondsen bijeen wist te houden. Er gebeurde van alles: telefoondraden doorknippen, dynamietlading van de spoorbrug onklaar maken, distributiebureau overvallen, vee bij NSB-boeren  weghalen, mensen overzetten over de Waal etc. etc. Als verbindingsman tussen de verschillende ondergrondsen, en later verschillende afdelingen binnen de BS, fungeerde oud- Culemborger, mr. P. J. W. Beltjes. In de laatste Oorlogswinter was het niet breed, maar een echte Hongerwinter heeft Culemborg niet gekend. Daarvoor was het achterland met veel boerderijen te groot. Er werd zelfs behoorlijk wat vlees en ander voedsel naar Utrecht gesmokkeld. Ook bleken er, naast de woekeraars, nog boeren te zijn die hun voedsel voor een redelijke prijs wilden verkopen.

Uit de speciale bijlage van de CC, mei 1985 door Martin  Berendse.
 
 
Lo in Geldermalsen- Culemborg
Leo Lievense was directeur van de Landbouwschool in Geldermalsen. Zijn vrouw Jet zat ook bij de LO. Zij werd ook wel “Moeder van het  verzet” genoemd.
Abrahamse was directeur van de ernaast gelegen Tuinbouwschool. Deze scholen lagen vrijwel naast het spoor Utrecht-Geldermalsen.
Precies daartussen lag de directiekeet van de Heidemaatschappij, die zich met ruilverkavelingen bezig hield. De uitvoerder ervan van Johannes van Zanten. Deze Culemborger woonde in Kesteren en was de grote man in het verzet van deze streek.
Henk Leusink en Hans Merkens hadden de organisatie van  het onderduikwerk in het westelijk gedeelte van de Betuwe op poten gezet. Hun  werk werd in 1943 overgenomen: Jouke de Boer was contactpersoon voor Culemborg,  Leo Lamers voor Zaltbommel en Jan Havinga voor Geldermalsen. Van deze steden uit was er een dicht netwerk van verbindingen naar alle dorpen in deze regio. Dat  was ook noodzakelijk om onderduikers van een schuiladres te voorzien. Het  grotere verband heette de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, kortweg de LO genoemd.

Er waren verschillende soorten onderduikers:
      
  • Mannen, die niet voor de Organisatie Todt van de Duitsers wilden werken
      
  • Mannen die weigerden om voor de Arbeitseinsatz in Duitsland te gaan werken
     
  • Nederlandse Militairen die in 1943 weer in krijgsgevangenschap werden teruggeroepen
      
  • Mensen die vanwege verzetswerk door de Duitsers werden gezocht
      
  • Ondergedoken joden (hoogst zelden)

H.P. "Henk" Vermeulen uit Culemborg was districtshoofd. In gewestelijk LO-verband hoorde dit stuk van de Betuwe niet bij Gelderland,  maar bij Utrecht. Hier zwaaide Ruurd Das de scepter. Jouke de Boer was de contactpersoon met hen en na diens gevangenneming in juni 1943 werd dat Leo  Lamers.
Er waren veel onderlinge contacten, zoals met de LO  Hemeldal/Oosterbeek. Johannes van Zanten was de grote organisator van het geheel. Hij maakte deel uit van de LKP-knopploeg Soest en speelde daarin de hoofdrol. De overval van 25 januari 1944 op het distributiekantoor van Tilburg is een van hun belangrijkste wapenfeiten. 105.000 distributiezegels werden er buitgemaakt.   
Het was niet alleen een kwestie van hulp bij het zoeken naar een schuiladres. Maandelijks moest er ook worden gezorgd voor distributiebescheiden. Voor toevoer zorgden de Landelijke knokploegen  (=LKP) die distributiekantoren overvielen. Tevens moest er gezorgd worden voor valse persoonsbewijzen. De vervalsingscentrale in Arnhem bewees daarvoor uitstekende diensten.

Per fiets werden de contacten onderhouden met de plaatselijke contactpersonen:
     
  • Geldermalsen: Gerbrand Siebrands, Jan van Zee, Piet de Gram

  • Buurmalsen: Koos de Ridder
      
  • Deil: Jan Konijnendijk
       
  • Enspijk: Leendert Bouwman
       
  • Beesd: fam. Van Beekhuizen en dokter Van Hooft
       
  • Rhenoy en Acquoy: Hervormde pastorie
       
  • Asperen: Fré de Jong
        
  • Buren: Job Boon, fam. Van Koeverden, pastoor Van den Bergh
        
        
  • Rijswijk: fam. Penraad
       
  • Ingen-Maurik: politieman Roos
        
  • Tiel: Ds. Wiepkema en Scholtus

  • Echteld: Van Zorge

Het georganiseerde verzet in Culemborg

In het najaar van 1941 werd in Culemborg Pieter Beltjes gepolst of hij interesse had om leiding te geven aan de OD (= Ordedienst), een organisatie die in actie moest komen als de Duitsers de macht weer zouden kwijtraken. Meestal waren dat personen die uit het leger kwamen (KNIL o.a.) of die in de mobilisatie actief waren geweest. In Culemborg waren dat Beltjes, Van Dam, Koedam, Verheus en Gramberg. Het kwam neer om netwerken op te zetten voor het Uur U.

Toen in het najaar van 1942 de jodenvervolging echt op gang kwam en er ook maatregelen werden afgekondigd tegen studenten, jonge mannen en reserve-militairen en kwam het onderduiken echt in zwang. Er ontstond langzamerhand een landelijke organisatie, die toen nog werd aangeduid met de Beurs. Hier werden op vergaderingen onderduikadressen en bonnen uitgewisseld.  
In de West-Betuwe kwam het georganiseerde verzetswerk pas laat op gang. Aan onderduikers werd veelal plaatselijk hulp geboden, maar er zat nog geen organisatie achter. Daar kwam pas verandering toen de studenten Henk Leusink en Hans Merkens in april 1943 de Betuwe introkken om er een netwerk op te bouwen. Zij doorkruisten een gebied dat reikte van Kesteren tot aan Gorinchem. Ze informeerden bij mensen die als betrouwbaar bekend stonden, zoals onderwijzers, artsen en dominees. In Culemborg kwamen ze in contact met Ds. Roubos, die hen in contact bracht met Henk Vermeulen, die boekhouder was bij zagerij Verwoert op de Weidsteeg en woonde op de Van Pallandtdreef 3. Hij werd gevraagd om het plaatselijk LO werk te organiseren. Hij kreeg hulp van zijn buurman Jaques Scheffel en de hervormde hulppredikant Henk van Druten. Ook van wethouder Klumper, die een meubelfabriekje had bij de haven.
Tevens had hij contact met
Van Bemmel, hoofd van de tweemansschool in het Culemborgse Veld. Daar werden vaak piloten en onderduikers ondergebracht.
Een belangrijke medewerker van Vermeulen was Carel Nijhof. Die woonde op de Triowijk. Zijn werk bestond uit de bezorging van distributiekaarten en bonnen en verzorging van adressen voor onderduikers. Ook de verspreiding van illegale lectuur hoorde daarbij. Ook moest hij gelden inzamelen bij grote industriëlen uit de stad, zoals Laan, Schorer en Van Hoytema.
Hans Merkens werd opgepakt en voor hem in de plaats kwam een andere student: Leo Lamers. Hij hield zich vnl. met de Bommelerwaard bezig. De student Huib Leusink was meer actief in Geldermalsen e.o. Tenslotte nog Jouke de Boer die Culemborg onder zijn hoede nam, want daar was hij in de Tollenstraat al ondergedoken. Hij stond onder supervisie van Henk Das, districtsleider van LO Utrecht.
Toen de geallieerde legers in juni 1944 in Normandië waren geland, kwam er ook een jubelstemming in Nederland. Er was behoefte aan verzetsgroepen die door sabotage, inlichtingenwerk en militaire activiteit de strijd tegen de Duitsers konden ondersteunen.
Uit hulp aan onderduikers, kwamen de knokploegen (KP) voort. Ook in Culemborg kwam er een Knokploeg, waarvan de kern uit 6 personen bestond.
De KP-Culemborg bestond uit een stadsploeg en een Veldploeg uit het Beesdsche Veld, nabij Bradaal. Hierbij waren in de loop van het laatste oorlogsjaar in totaal zo'n dertig personen bij betrokken.


Uit foto-archief van: Ypma

De stadsploeg van de KP (Knokploeg) marcheerde op op 5 mei 1945 naar het tijdelijke gemeentehuis aan de Varkensmarkt. Achter het gebouw Maria Regina poseerde de groep voor fotograaf Ypma uit de Zandstraat.
Op de foto:
Eerste rij: Aart Veen, J. Wijkhuyzen, Dick Vermeulen, Bernard Veen,
Cor Vermeulen, Eef Hoeven, Adri Houterman, Anton Spierenburg.
Tweede rij: Jules Zwart, Henk van Os, H. van Kuyk, Jan van den Berg, Toon van Zanten, L. van Leeuwen, Cees Visser.
Derde rij: Piet Smits, J. Pietersen, Piet Veen,
Rias Deen, Cees van Os.

Klik hier voor het verhaal van het jongste lid van het plaatselijk verzet Dick Vermeulen, op foto vooraan 3e van links.

Uit foto-archief van: Ypma

De zgn. Veldploeg stond onder leiding van Rien Springer en presenteerde zich op bevrijdingsdag 7 mei bij het tijdelijk Stadhuis, Maria Regina, op de Varkensmarkt.

Van links naar rechts: Daam van Dijk, Jan van Dijk, Teunis de Jong, Rien de Jong, Janus Meijdam, Sijb de Groot, Drikus van Bruggen, Koos den Brave, Niek van Eck, Jan Heykoop en Rien Springer.

Bernard Veen, zoon van de bekende hotellier op de hoek van Markt/ Everwijnstraat, werd door Jouke de Boer als de leider van de Culemborgse KP gevraagd. Samen met jachtopziener Daam van Dijk uit het Beesdsche Veld en Dick Vermeulen vormden zij de kern van het eerste uur. Rijksveldwachter Rien Springer, Toon van Zanten, een vriend van Dick, en jachtopziener Janus Meijdam voegden zich er al spoedig bij.      

Door de KP werden overvallen uitgevoerd op distributiekantoren, vanwege de benodigde bonkaarten voor onderduikers. Ook werd voor de voedselvoorziening vlees en graan in beslag genomen bij Duitsgezinde boeren in de omtrek. De benodigde wapens werden verkregen uit droppings.
Verder werden er sabotage gepleegd door het doorknippen van telefoonlijnen en aanslagen op de spoorlijn Utrecht-Den Bosch. Bij één van die laatst genoemde acties werden als vergelding langs de spoorlijn door de Duitsers drie boerderijen van de families Van Dord, Van Bemmel en Middelkoop in brand gestoken.
Aan de Rietveldseweg bij De school in 't Veld van schoolhoofd Van Bemmel, waren veel onderduikers ondergebracht. Die bleven daar nooit langer dan zes weken en werden dan overgebracht richting Leerdam.

De Culemborgse OD en KP fuseerden na "Dolle Dinsdag", op 5 september 1944, tot de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Ze hadden contacten in het hele rivierengebied. Dat was ook nodig als Engelse en Amerikaanse militairen die in Culemborg of in het Beesdsche Veld waren ongergedoken, naar Zuid-Nederland moesten worden gebracht. Deze Betuwse pilotenvluchtroute liep via de coödinatoren Toon Beijnen in Beusichem en Jo van Koeverden in Buren. Klik hier voor meer info over deze vluchtroutes.

Bronnen:
Culemborg 40 jaar bevrijd (Bijlage CC in mei 1985)
Div. berichten uit de Culemborgse Courant, jaargang 1945
Tussen Waal en Lek  1939-1945 van J.M. van Alphen
Het Grote Gebod, gedenkboek van het verzet in LO en LKP


Terug naar de inhoud