Sfeertekening demobilisatie - Oorlogsslachtoffers uit Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West- Betuwe
Ga naar de inhoud

Sfeertekening demobilisatie

Gemeente Culemborg > Gesn. NL-militairen in Culemborg
“Morgen zwaaien ze af…” – Herinneringen aan negen maanden inkwartiering

“Morgen zwaaien ze af… ’t zal vreemd zijn, stil.”
De vrouw zegt het bijna zachtjes, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. Negen maanden lang waren ze er geweest, die jongens. In dat kleine keukentje, waar je je nauwelijks kon roeren zonder tegen iemand op te botsen. En toch – wat was het leeg zonder hen.
Het begon allemaal heel gewoon, bijna toevallig. Op een dag stond er een jonge soldaat aan de deur met de vraag of hij misschien kon eten en slapen. Het huis was klein, het gezin had al weinig ruimte. Maar nee zeggen ging niet over haar hart. Als hij tevreden was met een eenvoudig maal en een plek om te rusten, dan was hij welkom.
Van één kwamen er meer. Voor ze het wist, zat haar huis vol. Jongens van overal, ieder met zijn eigen verhaal, zijn eigen zorgen, zijn eigen heimwee. En praten dat ze deden! De een nog meer dan de ander. Het kleine keukentje werd een plek van leven en geluid, van gelach en soms ook van stilte, wanneer gedachten afdwaalden naar huis.
En druk was het. Elke week weer dat kleine hok een grote beurt geven, zaterdagochtend was vaste prik. De jongens wisten het. Dan moesten ze zich een beetje schikken, ruimte maken, helpen waar ze konden. Kommetjes koffie en thee waren er ontelbaar doorheen gegaan. Ze had ze niet bijgehouden, maar het moesten er honderden zijn geweest.

Haar spullen sleten sneller dan ooit. Haar schort, haar servies, alles had te lijden onder het intensieve gebruik. “Ik zal mijn oude goed maar wegdoen,” had ze eens gezegd, half lachend. “Het is toch al versleten.” Maar in die woorden lag geen klagen, eerder een soort berusting, zelfs trots.
Want ondanks de drukte en de offers groeide er iets. Ze leefde mee met die jongens, echt mee. Ze zag hun vermoeidheid, hun onzekerheid, soms hun angst. En ze gaf wat ze kon: een bord eten, een luisterend oor, een beetje warmte. In dat kleine huis ontstond een gemeenschap, tijdelijk maar oprecht.
’s Avonds, als haar man thuiskwam, vond hij een huis vol leven.
“Goedenavond, vrouwtje… Waar zit je aan te denken? Waar zijn de kinderen?”
“De kinderen zijn buiten,” antwoordde ze dan. “Ik zal ze roepen. We zullen eerst maar boterhammen doen. Vanavond komen de jongens allemaal, hebben ze gezegd. De laatste avond; morgen zwaaien ze af.”

Die laatste avond hing er iets in de lucht wat moeilijk te benoemen was. Geen uitbundigheid, zoals je misschien zou verwachten, maar een stille ernst. Aan tafel werd minder gesproken dan anders. Iedereen leek zich bewust van het naderende afscheid.
Haar man keek naar haar terwijl ze bezig was, zoals ze dat al die maanden had gedaan: altijd in de weer, altijd zorgend. Voor hem, voor de kinderen, en nu ook voor al die anderen. Het trof hem opeens, misschien wel sterker dan ooit tevoren.
Hij had haar in die negen maanden beter leren kennen. Nooit had hij gedacht dat haar hart zo ruim was, zo moedig, zo standvastig. Wat voor hem altijd vanzelfsprekend was geweest, kreeg nu een andere betekenis. Haar zorgzaamheid, haar toewijding, het waren geen kleine dingen. Het was kracht.
De jongens vertrokken de volgende dag. Het huis werd weer wat het was geweest: kleiner, stiller. De stemmen verdwenen, het gelach verstomde. Alleen de herinneringen bleven.

En misschien ook iets anders. Iets wat niet direct zichtbaar was, maar wel voelbaar. De wetenschap dat zelfs in een klein huis, met weinig middelen, plaats kan zijn voor velen. Dat warmte en gastvrijheid niet afhangen van ruimte, maar van het hart.
“Morgen zwaaien ze af…” had ze gezegd.
Maar wat bleef, was niet alleen de stilte die volgde. Het was ook de herinnering aan een tijd waarin een eenvoudig gezin even het middelpunt werd van verbondenheid en menselijkheid.


Terug naar de inhoud